RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
parketnummers: 02-175584-24 en 02-183205-25 (ttz. gevoegd)
vonnis van de meervoudige kamer van 2 februari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2004 te [plaats 1] ,wonende [woonadres] ,raadsman mr. L. Verheuvel, advocaat te Amsterdam.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 januari 2026, waarbij de officier van justitie, mr. M.C. Fimerius, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.
2. De tenlasteleggingen
De tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenkingen komen er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
parketnummer 02-175584-24
feit 1: op 31 december 2023 samen met anderen een ontploffing teweeg heeft gebracht met vuurwerk en/of een brandbare vloeistof bij een woon-zorgcomplex met gemeen gevaar voor goederen, of dat hij daar medeplichtig aan is geweest;
feit 2: op 31 december 2023 samen met anderen een ontploffing teweeg heeft gebracht met vuurwerk en/of een brandbare vloeistof bij ' [woon-zorgcomplex] met gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor passanten en/of aanwezige omstanders, of dat hij daar medeplichtig aan is geweest;
feit 3: op 31 december 2023 samen met anderen een ontploffing teweeg heeft gebracht met vuurwerk en/of een brandbare vloeistof op een garageplein met gemeen gevaar voor goederen, of dat hij daar medeplichtig aan is geweest;
parketnummer 02-183205-25
primair: op 9 april 2025 een scooter heeft gestolen;
subsidiair: zich op 10 april 2025 schuldig heeft gemaakt aan heling van een scooter.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
parketnummer 02-175584-24
Feit 1
De officier van justitie acht het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Er is onvoldoende bewijs dat de rol van verdachte als die van medepleger of medeplichtige kan worden gekwalificeerd. Verdachte dient te worden vrijgesproken.
Feit 2
De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat door de ontploffing gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor passanten en/of aanwezige omstanders te duchten was. Er is niets bekend over of en op welke afstand zich personen bevonden. Verdachte dient van feit 2 te worden vrijgesproken.
Feit 3
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Het medeplegen kan bewezen worden, omdat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Het was een gezamenlijk idee om de vuurwerkbom bij het garageplein af te steken en uit pagina 224 van het dossier blijkt het gemeen gevaar voor goederen.
parketnummer 02-183205-25
De officier van justitie acht de primair ten laste gelegde diefstal niet wettig en overtuigend bewezen, maar de subsidiair ten laste gelegde opzetheling wel. De scooter had geen kentekenplaat, het slot was verwijderd en verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij € 400,- heeft betaald terwijl hij de waarde van de scooter op € 1.000,- schat.
Het standpunt van de verdediging
parketnummer 02-175584-24
Feit 1
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en verzoekt verdachte vrij te spreken. De rol van verdachte kan niet als die van medepleger of medeplichtige worden gekwalificeerd. Verdachte heeft niet geholpen bij het maken van de vuurwerkbom die bij het woon-zorgcomplex is ontploft en was niet nauw betrokken bij het aansteken daarvan. Hij heeft steeds verklaard dat hij later was en de vuurwerkbom al brandde toen hij aankwam. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat de rol van verdachte als medeplichtige kan worden gekwalificeerd, meent de verdediging dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op het afsteken van de vuurwerkbom bij het woonzorg-complex.
Feit 2
De verdediging verzoekt verdachte vrij te spreken. Door de ontploffing was geen gemeen gevaar voor goederen en/of personen te duchten. Als de rechtbank anders oordeelt, ontbreekt wettig en overtuigend bewijs dat de rol van verdachte als die van medepleger of medeplichtige kan worden gekwalificeerd.
Feit 3
De verdediging meent dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en verzoekt verdachte vrij te spreken. Door de ontploffing was geen gemeen gevaar voor goederen te duchten. Ook ontbreekt wettig en overtuigend bewijs dat de rol van verdachte als die van medepleger of medeplichtige kan worden gekwalificeerd.
parketnummer 02-183205-25
De verdediging verzoekt verdachte vrij te spreken. Niet kan worden bewezen dat de scooter, die in de schuur van verdachte is aangetroffen, van [aangever] was. Het dossier bevat onvoldoende bewijs om tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde diefstal te komen. Niet kan worden gesteld dat de verklaringen van verdachte zo ongeloofwaardig, tegenstrijdig dan wel leugenachtig zijn dat hij de scooter wel gestolen moet hebben. Ook is er geen wettig en overtuigend bewijs voor het subsidiair ten laste gelegde feit. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat verdachte willens en wetens een gestolen scooter heeft gekocht of dat hij had moeten vermoeden dat de scooter gestolen was.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
parketnummer 02-175584-24
De volgende feiten en omstandigheden kunnen op basis van de bewijsmiddelen in het dossier en de verklaring van verdachte ter zitting als vaststaand worden aangemerkt.
Verdachte is op 31 december 2023, met onder meer medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , aanwezig geweest in het huis van verdachte in [plaats 2] om Oud en Nieuw te vieren. Een dag van tevoren en op Oudejaarsdag zelf is in de vriendengroep, waar onder meer alle drie de verdachten deel van uitmaken, het plan ontstaan en besproken om het vuurwerk “groter te maken” en om daarvoor benzine te halen. Op Oudejaarsdag omstreeks 14:17 uur heeft [medeverdachte 2] een jerrycan met benzine bij het [tankstation] in [plaats 1] gevuld en deze meegenomen naar verdachte. Medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben ook allebei minimaal één pakje cobra’s mee naar het huis van verdachte genomen. In het huis van verdachte zijn verdachten zogenoemde vuurwerkbommen gaan “knutselen”, bestaande uit één of meerdere cobra’s waaraan met behulp van duct tape flessen gevuld met benzine werden vastgemaakt. Vaststaat in ieder geval dat medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] flessen met benzine hebben gevuld en dat verdachte duct tape heeft aangegeven om de cobra’s en flessen gevuld met benzine aan elkaar vast te maken.
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachten op een gegeven moment naar buiten zijn gegaan met het plan om een van de hiervoor beschreven vuurwerkbommen op het garageplein aan te steken en deze tot ontploffing te brengen. Omstreeks 18:11 uur vindt er een ontploffing op het garageplein gelegen tussen de [straat 1] en de [straat 2] plaats (feit 3). Na de ontploffing op het garageplein zijn alle drie de verdachten gezamenlijk terug naar het huis van verdachte gegaan en zijn zij zwaardere vuurwerkbommen gaan “knutselen”. De groep met onder meer de drie verdachten is op een gegeven moment weer naar buiten gegaan om een nieuwe vuurwerkbom aan te steken en deze tot ontploffing te brengen. Omstreeks 19:53 uur vindt er een ontploffing bij een woon-zorgcomplex gelegen aan het [plein] plaats (feit 1). De groep is daarna opnieuw terug naar het huis van verdachte gegaan, waar er wederom vuurwerkbommen zijn gemaakt. De groep met onder meer de drie verdachten is vervolgens weer naar buiten gegaan en omstreeks 22:16 uur vindt er een ontploffing bij ’ [woon-zorgcomplex] aan het [plein] plaats (feit 2).
De rechtbank ziet zich ten aanzien van de drie ten laste gelegde feiten voor de vraag gesteld of de rol van verdachte als die van medepleger (primair) dan wel medeplichtige (subsidiair) kan worden gekwalificeerd en of door de ontploffingen gemeen gevaar voor goederen en in geval van feit 2 ook levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor passanten en/of aanwezige omstanders te duchten was.
Voorop gesteld dient te worden dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Feit 1
Gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, was er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een gezamenlijke uitvoering van het vooraf opgevatte plan om de vuurwerkbom samen aan te steken en daarmee tot ontploffing te brengen. De groep, waar ook de drie verdachten deel van uitmaakten, is naar buiten gegaan, waarna die terecht is gekomen bij het woon-zorgcomplex. De rechtbank kan niet met voldoende zekerheid vaststellen wie van de groep de vuurwerkbom bij het woon-zorgcomplex heeft aangestoken en geplaatst of gegooid, maar wel kan er worden vastgesteld dat de drie verdachten als groep naar buiten zijn gegaan met als doel om de vuurwerkbom aan te steken. Ook stelt de rechtbank vast dat de verdachten tijdens de ontploffing als groep erbij zijn gebleven en de ontploffing ook hebben gefilmd, waarna de groep met onder meer de drie verdachten weer gezamenlijk naar het huis van verdachte is gegaan om verder te gaan met het “knutselen” van vuurwerkbommen. Ook concludeert de rechtbank op basis van het dossier dat geen van de verdachten zich op een daartoe geëigend tijdstip heeft teruggetrokken. Verder leidt de rechtbank uit het dossier af dat door de ontploffing gemeen gevaar voor goederen te duchten was, hetgeen ook niet door de verdediging is betwist. De voorgevel van het woon-zorgcomplex en de gordijnen zijn beschadigd geraakt.
Gelet op de door de rechtbank vastgestelde feiten, zoals hiervoor beschreven, is naar het oordeel van de rechtbank bewezen dat verdachte zich samen met de medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het teweegbrengen van de ontploffing bij het woon-zorgcomplex. Hun samenwerking is zodanig intensief geweest en hun rol daarbij was van een dusdanig materieel gewicht, dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking bij het teweegbrengen van die ontploffing. Daarbij is niet relevant wie de vuurwerkbom bij het woon-zorgcomplex daadwerkelijk tot ontploffing heeft gebracht en ook is, gezien de beschreven omstandigheden voorafgaand, tijdens en na de ontploffing, niet relevant dat verdachte zich, naar eigen zeggen, iets later bij de groep heeft gevoegd.
Feit 2
De rechtbank is, zoals ook door de officier van justitie gerekwireerd en door de verdediging is bepleit, van oordeel dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat door de ontploffing bij ’ [woon-zorgcomplex] gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor passanten en/of aanwezige omstanders te duchten was. De rechtbank kan niet vaststellen of en op welke afstand zich personen bevonden ten opzichte van de plek waar de vuurwerkbom tot ontploffing is gebracht. Om die reden zal de rechtbank verdachte van dit feit vrijspreken.
Feit 3
Gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, was er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een gezamenlijke uitvoering van het vooraf opgevatte plan om de vuurwerkbom samen op het garageplein aan te steken en daarmee tot ontploffing te brengen. Alle drie de verdachten hebben zich onmiddellijk voorafgaand aan de ontploffing op het garageplein bevonden, waarbij [medeverdachte 1] de vuurwerkbom heeft aangestoken en [medeverdachte 2] de ontploffing heeft gefilmd. Na de ontploffing zijn alle drie de verdachten gezamenlijk terug naar het huis van verdachte gegaan. Op grond van de bewijsmiddelen en dan met name de stills van het filmpje van de ontploffing op het garageplein op pagina 228 tot en met 230 van het dossier, is de rechtbank van oordeel dat gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Op de stills ziet de rechtbank dat het vuur zich als gevolg van de ontploffing naar boven verplaatst en zich ook tegen de schuttingen van de achtertuin van de bewoners uitstrekt. Het gevaar dat deze schuttingen daardoor vlam zouden kunnen vatten dan wel in de brand zouden kunnen gaan, was naar het oordeel van de rechtbank voor de verdachten voorzienbaar en daardoor heeft verdachte het risico aanvaard dat goederen in de brand konden gaan. Dat het gevaar zich niet heeft verwezenlijkt, is voor de bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging niet relevant.
Gelet op de door de rechtbank vastgestelde feiten, zoals hiervoor beschreven, is naar het oordeel van de rechtbank bewezen dat verdachte zich samen met de medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het teweegbrengen van de ontploffing op het garageplein. Hun samenwerking is zodanig intensief geweest en hun rol daarbij was van een dusdanig materieel gewicht, dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking bij het teweegbrengen van die ontploffing.
parketnummer 02-183205-25
De volgende feiten en omstandigheden kunnen op basis van de bewijsmiddelen in het dossier en de verklaring van verdachte ter zitting als vaststaand worden aangemerkt.
Op 9 april 2025 is in Veere de scooter van [aangever] gestolen. Op 10 april 2025 heeft G4S beveiliging een melding bij de politie gemaakt dat het signaal van de gestolen scooter in [plaats 2] uitstraalde, waarna de verbalisanten de gestolen scooter van [aangever] zonder kentekenplaat en slot in de schuur van verdachte hebben aangetroffen. Verdachte zegt dat hij de scooter op afstand voor de onderdelen heeft gekocht. Ter zitting verklaart hij vooraf het model van de scooter te hebben doorgekregen, maar verder niet om foto’s of papieren te hebben gevraagd. Verdachte denkt dat hij € 400,- als prijs voor de scooter heeft afgesproken, terwijl de prijs volgens hem ook € 1.000,- had kunnen zijn. De verkoper heeft de scooter, zonder deze op slot te zetten, op het plein achter het huis van verdachte gezet en de volgende dag heeft verdachte de scooter in zijn schuur gezet. Verdachte verklaart verder ter zitting dat hij het een vage situatie vond dat de scooter geen kentekenplaat en geen slot meer had toen hij de scooter op het plein zag.
Gelet op de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte degene was die op 9 april 2025 de scooter heeft gestolen. Verdachte zal daarom van de primair ten laste gelegde diefstal worden vrijgesproken.
Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde stelt de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen en de verklaring van verdachte ter zitting vast dat verdachte de scooter voor € 400,- heeft gekocht, terwijl deze scooter een hogere waarde had. Bovendien heeft verdachte gezien dat de scooter geen kentenenplaat en een uitgeboord slot had toen hij de scooter op het plein zag staan. Hij heeft de scooter vervolgens in zijn schuur gezet, terwijl hij gelet op de hiervoor beschreven omstandigheden ten tijde van het voorhanden krijgen van de scooter bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard dat deze gestolen was. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van de scooter.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
parketnummer 02-175584-24
Feit 1 primair
op 31 december 2023 te [plaats 2] , gemeente Vlissingen tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een zogenaamde vuurwerkbom/brandbom, zijnde een fles inhoudende/bevattende brandstof, voorzien van
(zwaar) vuurwerk (cobra), vlakbij de gevel van het woon-zorgcomplex gelegen aan het [plein] te plaatsen en deze vuurwerkbom/brandbom aan te steken en tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand van voornoemd woon-zorgcomplex en de inboedel van voornoemd woon-zorgcomplex te duchten was;
Feit 3 primair
op 31 december 2023 te [plaats 2] , gemeente Vlissingen tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een zogenaamde vuurwerkbom/brandbom, bestaande uit fles(sen) bevattende brandstof, voorzien van (zwaar) vuurwerk, op het garageplein gelegen tussen de [straat 1] en de [straat 2] te plaatsen en deze vuurwerkbom/brandbom aan te steken en tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten poorten/schuttingen en/of garages/schuurtjes behorende bij de woningen gelegen aan de [straat 1] , te duchten was;
parketnummer 02-183205-25
Subsidiair
op 10 april 2025 te [plaats 2] , gemeente Vlissingen , een scootervoorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie volgt het advies van de reclassering over de toepassing van het volwassenenstrafrecht. Zij vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 70 uur met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft bij haar strafreis rekening gehouden met de aard en ernst van de feiten, het tijdsverloop, de jonge leeftijd van verdachte, de duur en het verloop van de schorsingsperiode en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Ook vordert zij het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.
Het standpunt van de verdediging
Als de rechtbank onder 02-175584-24 tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de verdediging de rechtbank om het jeugdstrafrecht toe te passen. Dit gelet op de jonge leeftijd van verdachte, dat hij ten tijde van de ten laste gelegde feiten schoolgaand en thuiswonend was en de jeugdige en leeftijdsgebonden impulsiviteit en beïnvloedbaarheid waaronder de feiten zijn begaan. Voor zover de rechtbank onder 02-183205-25 tot een bewezenverklaring komt, refereert de verdediging zich voor wat betreft het toepassen van het jeugdstrafrecht of het volwassenstrafrecht aan het oordeel van de rechtbank. Als het volwassenstrafrecht wordt toegepast, verzoekt de verdediging om geen (voorwaardelijke) gevangenisstraf op te leggen en het onvoorwaardelijke strafdeel te beperken tot een taakstraf. Voor wat betreft een voorwaardelijk strafdeel benoemt de verdediging dat verdachte het niet nodig en passend vindt, maar dat hij wel bereid is om mee te werken aan gedragsinterventie cognitieve vaardigheden. Als de rechtbank enkel onder 02-183205-25 tot een bewezenverklaring komt, is strafoplegging gelet op het voorarrest van verdachte in zijn geheel niet passend. Verder wordt verzocht rekening te houden met het tijdsverloop, het voorarrest en de duur en het verloop van de schorsingsperiode onder 02-175584-24.
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met de medeverdachten schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een tweetal ontploffingen door cobra’s in combinatie met benzine aan te steken op een garageplein en bij een woon-zorgcomplex voor ouderen, met bij het woon-zorgcomplex schade aan de voorgevel en de gordijnen tot gevolg. De rechtbank neemt het verdachten in het bijzonder kwalijk dat zij na de eerste ontploffing op het garageplein nog een ontploffing met een zwaardere vuurwerkbom bij het woon-zorgcomplex teweeg hebben gebracht, terwijl verdachten het effect van de eerste ontploffing zagen en zelf ook hebben verklaard dat zij dit gevaarlijk vonden en dat het groter was dan zij hadden verwacht. Het veroorzaken van dergelijke ontploffingen veroorzaakt overlast, gevoelens van angst en onveiligheid en brengt onrust teweeg in de samenleving als geheel en bij de bewoners en omwonenden in het bijzonder. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetheling door een scooter voorhanden te hebben, terwijl hij wist dat de scooter een door een misdrijf verkregen goed betrof. Door op deze wijze te handelen heeft verdachte mede de vermogenscriminaliteit in stand gehouden. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Hieruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Artikel 63 Sr is van toepassing in verband met een op 15 april 2024 en op 17 juli 2025 opgelegde strafbeschikking en een op 16 september 2025 opgelegde geldboete door de kantonrechter voor overtredingen van andersoortige feiten.
De voorlopige hechtenis van verdachte onder 02-175584-24 is geschorst met ingang van 31 mei 2024, waarna de schorsingsvoorwaarden op 4 september 2024 zijn gewijzigd. Het feit onder 02-183205-25 heeft verdachte dus gepleegd terwijl hij in een schorsingstoezicht liep.
Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van de reclassering van 6 januari 2026. De reclassering heeft in de houding van verdachte en het sociaal netwerk problemen geconstateerd. Niet kan worden uitgesloten dat verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten mogelijk door vrienden is beïnvloed. Ook lijkt verdachte beperkt inzicht te hebben in de oorzaak-gevolgrelatie van zijn handelen, hetgeen volgens de reclassering meer met de houding van verdachte te maken heeft dan met zijn leeftijd. Gedurende het reclasseringstoezicht heeft verdachte een passieve houding aangenomen en lijkt hij geen volledige openheid te hebben gegeven. Volgens verdachte omdat hij niet is gewend om te praten. Het risico op recidive wordt als gemiddeld ingeschat. Doordat verdachte onder 02-183205-25 opnieuw in aanraking met de politie is gekomen, vindt de reclassering een gedragsinterventie passend. Hierbij merkt de reclassering wel op enige twijfel te hebben of verdachte hieraan zal meewerken en of hij er baat bij zal hebben. In geval van een veroordeling wordt het opleggen van (deels) voorwaardelijke straf geadviseerd met als bijzondere voorwaarden de meldplicht en gedragsinterventie cognitieve vaardigheden. Ondanks dat verdachte heeft aangegeven geen zin in een taakstraf te hebben, meent de reclassering dat verdachte in staat is om een taakstraf uit te voeren.
Verder adviseert de reclassering – na overleg met de Raad voor de Kinderbescherming – het volwassenenstrafrecht toe te passen. Hoewel verdachte gedragingen vertoont waaruit blijkt dat hij impulsief en beïnvloedbaar is, past dit volgens de reclassering bij zijn leeftijd. Ook lijkt hij zich op sociaal-emotioneel gebied anders te ontwikkelen (moeite met emoties), maar hieruit komen onvoldoende aanknopingspunten voor toepassing van het jeugdstrafrecht naar voren. Verdachte is verder in staat om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien.
Adolescentenstrafrecht?
Verdachte was ten tijde van het plegen van de onder 02-175584-24 bewezenverklaarde feiten 19 jaar en dus meerderjarig. Het uitgangspunt is dan de toepassing van het volwassenenstrafrecht. Op grond van artikel 77c Sr kan de rechtbank het jeugdstrafrecht (het adolescentenstrafrecht) toepassen voor verdachten tussen de 18 en 23 jaar, als de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader en/of in de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Uit de kamerstukken behorend bij de invoering van het adolescentenstrafrecht (TK 2012-2013, 33 498, nr 3, pagina 1) volgt dat het adolescentenstrafrecht dient te worden toegepast als dit gelet op de ontwikkelingsfase van de jongvolwassenen de meest effectieve manier is om het gedrag positief te beïnvloeden, om zo ook de adolescent te stimuleren een verantwoorde rol in de samenleving op zich te nemen.
Uit het rapport van de reclassering volgt dat de gedragingen en de keuzes van verdachte passend zijn bij zijn leeftijd en dat verdachte zelfstandig in zijn levensonderhoud voorziet. Mede gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het adolescentenstrafrecht, gelet op de ontwikkelingsfase van verdachte, niet de meest effectieve manier is om het gedrag van verdachte in positieve zin te beïnvloeden. Uit het dossier volgen verder onvoldoende concrete aanknopingspunten voor toepassing van het adolescentenstrafrecht. De rechtbank zal daarom aansluiten bij het advies van de reclassering en het volwassenstrafrecht toepassen. De rechtbank zal onder 02-175584-24 in strafmatigende zin wel rekening houden met de jonge leeftijd van verdachte, de impulsiviteit en groepsdynamiek ten tijde van de bewezenverklaarde feiten en het tijdsverloop.
Strafmaat
Gelet op hetgeen zoals hiervoor beschreven en de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd, acht de rechtbank passend en geboden dat aan verdachte een taakstraf van 200 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van voorarrest wordt opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat het opleggen van een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf niet passend is en daarom zal worden volstaan met het opleggen van een taakstraf. Nu verdachte een nieuw strafbaar feit heeft gepleegd terwijl hij onder 02-175584-24 in een schorsingstoezicht liep, acht de rechtbank een stok achter de deur in de vorm van een voorwaardelijk strafdeel van belang om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en daarmee het risico op recidive in te perken. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan verdachte de geadviseerde bijzondere voorwaarden met reclasseringstoezicht op te leggen. De reclassering twijfelt of verdachte inhoudelijk aan een gedragsinterventie zal meewerken en hier iets van zou leren. Verdachte heeft in het kader van het schorsingstoezicht een passieve houding laten zien richting de reclassering en is niet gemotiveerd voor verder toezicht en begeleiding. Onder die omstandigheden acht de rechtbank een gedragsinterventie en reclasseringstoezicht niet zinvol.
Voorlopige hechtenis
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
7. De benadeelde partij
parketnummer 02-175584-24, feit 1
De benadeelde partij [woningcorporatie] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.988,31 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die de benadeelde partij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu het feit niet kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt primair de vordering af te wijzen wegens de bepleite vrijspraak. Subsidiair verzoekt de verdediging de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, nu een rechtsgeldige machtiging ontbreekt.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat, nu een rechtsgeldige machtiging ontbreekt, niet kan worden vastgesteld dat de vordering tot schadevergoeding is ingediend door een daartoe bevoegde vertegenwoordiger. Namens de benadeelde partij is ter zitting niemand verschenen die de vordering nader zou kunnen toelichten. De rechtbank is van oordeel dat aanhouding van de behandeling van de zaak om de benadeelde partij gelegenheid te geven het gebrek in de vordering te herstellen, een onevenredige belasting van het strafgeding vormt, omdat in het onderhavige geval een voortvarende afdoening van de zaak dient te prevaleren. De benadeelde partij kan daarom niet in haar vordering worden ontvangen. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij [woningcorporatie] niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter indienen.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 63, 157 en 416 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van feit 2 onder 02-175584-24 en het primair ten laste gelegde feit onder 02-183205-25;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
parketnummer 02-175584-24
feit 1 primair: medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
feit 3 primair: medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
parketnummer 02-183205-25
subsidiair: opzetheling;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 (tweehonderd) uren, subsidiair 100 (honderd) dagen vervangende hechtenis, waarvan 40 (veertig) uren, subsidiair 20 (twintig) dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze taakstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf naar rato van 2 uur per dag;
Benadeelde partij
parketnummer 02-175584-24, feit 1
- verklaart de benadeelde partij [woningcorporatie] niet ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
Voorlopige hechtenis
parketnummer 02-175584-24
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Skalonjic, voorzitter, mr. N.C.W. Haesen en mr. N. van der Hoeven, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Vork, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 2 februari 2026.