RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/440467 / JE RK 25-1770
Datum uitspraak: 28 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (de GI),
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat mr. N. Wouters te Middelburg,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 2] .,
advocaat: mr. M.C.M.E. Schijvenaars te Vlissingen.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van 4 december 2025;
de brief van de GI van 12 mei 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 december 2023
[minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht gesteld tot 11 december 2024.
Bij beschikking van 22 november 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en
[minderjarige 1] verlengd met ingang van 11 december 2024 en tot 11 december 2025. Deze is daarna verlengd tot 11 juni 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Thans ter beoordeling ligt nog voor het resterende deel van het verzoek met ingang van 11 juni 2026 en tot 11 december 2026.
4. De standpunten
[minderjarige 2] heeft tijdens het kindgesprek (kort samengevat) verteld dat de vader haar iedere maand een berichtje stuurt. De vader doet dit op vaste momenten, waardoor [minderjarige 2] het idee krijgt dat hij daar een timer voor zet. Hij reageert dan soms op een manier waarop [minderjarige 2] dan vervolgens geen antwoord meer kan of weet te geven. Het gaat nu goed genoeg met [minderjarige 2] . Ze doet dingen die ze leuk vindt en zit nu lekkerder in haar vel. Toen [minderjarige 2] nog bij de vader op bezoek ging, moest ze veel buiten spelen terwijl ze dat niet leuk vond en ze mocht ook maar tien minuten op haar telefoon. [minderjarige 2] heeft geen ruimte om te bellen met de vader. Daar heeft ze ook geen behoefte aan. Haar vader heeft genoeg kansen gehad.
[minderjarige 1] heeft tijdens het kindgesprek (kort samengevat) verteld dat hij het goed wonen vindt samen met zijn zus en moeder. Hij reageert niet op alle berichtjes van zijn vader, omdat zijn vader een keer tegen hem heeft geschreeuwd en hem met zijn been tegen een muur aan heeft gegooid. Hij wil zijn vader ook niet meer zien, want hij moest toen hij nog bij de vader kwam naar buiten in de regen. Ook was zijn vader altijd boos op hem, maar ook op [minderjarige 2] .
De GI heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat zij de scenario’s open naar voren heeft gebracht, te weten doorgaan met de ondertoezichtstelling dan wel het beëindigen daarvan. De GI ziet meerwaarde in de betrokkenheid van het [hulpverlening] , maar de moeder geeft aan geen hulpvraag te hebben. Als de ondertoezichtstelling wegvalt, kent de voortgang van de inzet door het [hulpverlening] wel risico’s. De minderjarigen zijn stellig en willen geen contact met de vader. De onderliggende problematiek houdt deze situatie in stand. Ten aanzien van de systeemtherapie zal de intake alleen plaatsvinden met de ouders. De minderjarigen zijn hulpverleningsmoe en voorkomen moet worden dat zij later de stap naar hulp niet meer durven te zetten. Daarom wil de GI hier geen druk op leggen. De intake zal met de ouders individueel plaatsvinden en geprobeerd zal worden om een hulpvraag te formuleren en vervolgens daarin verbinding te zoeken. De moeder geeft echter aan geen hulpvraag te hebben en heeft daarnaast verteld dat zij niet per se zou meewerken als er geen ondertoezichtstelling zou zijn. De situatie tussen de ouders speelt al 13 jaar en er is gedurende die periode al veel geprobeerd om de situatie te doorbreken. De GI krijgt dit nu ook niet doorbroken en de vraag is wat de hulpverlening hierin nog kan bereiken. Tegelijkertijd ziet GI ook risico’s voor de langere termijn; wat betekent dat dan voor het contact tussen de vader en de minderjarigen?
Namens de moeder is tijdens de zitting naar voren gebracht dat de ondertoezichtstelling afgesloten kan worden. De moeder heeft geen hulpvraag aan de GI of het [hulpverlening] . De ondertoezichtstelling werkt niet productief. De afgelopen zes maanden is er weinig gebeurd en is er weinig contact geweest met de GI, waardoor er relatieve rust in de situatie is gekomen. Systemische aanpak zal ook zien op [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Hier is geen behoefte aan. De moeder wil daarom dat de ondertoezichtstelling wordt afgesloten met een borgingsplan. De advocaat wil vervolgens met de advocaat van de vader afspraken maken en deze op papier zetten. Als de minderjarigen aangeven contact te willen, dan weten zij hoe ze de vader kunnen bereiken of welke hulpverlening hiervoor ingezet moet worden. Dat kan via de gemeente. Het gaat nu goed met de minderjarigen. De moeder is bang dat dit anders wordt als er weer hulpverlening wordt ingezet, nu in de vorm van het [hulpverlening] . Het komende half jaar zal er niks veranderen. De ondertoezichtstelling zou derhalve afgewezen moeten worden.
De moeder heeft verklaard dat [minderjarige 2] een half jaar geleden nog een emotioneel meisje was, maar zij is nu een vrolijke meid en doet haar ding. Ze doet het echt goed. De moeder zegt altijd tegen de minderjarigen dat zij het gewoon mogen aangeven als zij de vader willen spreken, maar dan worden ze soms zelfs boos op de moeder. De moeder weet niet waarom de minderjarigen alleen maar willen appen. Wist ze het maar, dan kon ze er ook iets mee.
Namens de vader is tijdens de zitting verklaard dat de vader erg teleurgesteld is in het verloop van het afgelopen half jaar. Ook met de GI erbij is er heel weinig contact geweest met de minderjarigen. De vader wil alles aangrijpen, waaronder de systeemtherapie. De vraag is wel wat zij kunnen doen als de moeder geen hulpvraag heeft. Het is belangrijk dat de systeemtherapie – waar ook de grootouders moederszijde bij worden betrokken – een kans wordt gegund. Mogelijk kan er op het gebied van contactherstel toch iets worden bereikt. De vader heeft onvoldoende vertrouwen in het goed doorlopen van de systeemtherapie op basis van vrijwilligheid.
De vader betreurt de gang van zaken van het afgelopen half jaar. Hij hoorde overigens van de juf van [minderjarige 1] dat hij op zijn verjaardag in de klas zijn telefoon bij zich hield, omdat hij een berichtje verwachtte van de vader. De vader voelt zich machteloos staan. Als de hulp nu wegvalt en het patroon blijft hetzelfde, dan ziet hij de minderjarigen niet meer.
De Raad heeft tijdens de zitting het volgende verklaard. De moeder heeft geen hulpvraag aan het [hulpverlening] . Dat lijkt wel onderdeel van de zorg te zijn; bij de moeder loopt het thuis redelijk en dan is het een logisch gevolg dat de moeder geen hulpvraag heeft. Dat de moeder geen hulpvraag heeft terwijl de minderjarigen geen contact hebben met de vader, vindt de Raad juist een forse zorg. Uit de vorige beschikking blijkt dat het RET moest gaan onderzoeken welke mogelijkheden er nog zijn. Er zijn nog wel degelijk mogelijkheden, zo valt ook te lezen in het stuk van het RET. Het RET adviseert onder meer om het [hulpverlening] in te zetten. Dat is voornamelijk voor de ouders en niet voor de minderjarigen. Het lijkt passend om dit traject binnen het gedwongen kader in te zetten. Als de moeder geen hulpvraag kan formuleren, dan kan de GI dat voor haar doen. De Raad begrijpt ook dat de minderjarigen hulpverleningsmoe zijn. Daar wil de Raad niet aan voorbij gaan, maar de hulpverlening – de systeemtherapie – zal nu voornamelijk gericht zijn op de ouders. De Raad ziet nog een ontwikkelingsbedreiging bij de minderjarigen. Het [hulpverlening] kan helpen om de onderliggende laag in kaart te brengen en deze vervolgens te doorbreken. Mogelijk leidt het niet tot contactherstel, maar nu het RET advies heeft uitgebracht wordt er weinig aanleiding gezien om nu tot het afsluiten van de ondertoezichtstelling te beslissen.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. De kinderrechter verwijst allereerst naar haar beschikking van 4 december 2025. In die beslissing constateerde de kinderrechter dat de situatie ten opzichte van het jaar daarvoor, was gekanteld en daardoor opnieuw ernstige zorgen waren ontstaan over de ontstane situatie en de ontwikkeling van de minderjarigen (te weten: geen omgang tussen de vader en de minderjarigen). De GI leek op dat moment handelingsverlegen en heeft de zaak toen voorgelegd aan het Regionaal Expertise Team (hierna: het RET), voor advies over wat in de huidige situatie nog haalbaar is en in dat verband nog ingezet kon worden om de situatie te doorbreken. Het verzoek is toen aangehouden, omdat de kinderrechter het in het belang van de minderjarigen noodzakelijk vond dat goed werd onderzocht welke mogelijkheden er waren om het contactherstel met de vader alsnog tot stand te brengen en hetgeen daarvoor nodig zou zijn. Indien daarvoor op dat moment geen mogelijkheden werden gezien, vond de kinderrechter het belangrijk dat er dan gezocht werd naar een mogelijkheid waarbij de minderjarigen en de vader zaken naar elkaar kunnen uitspreken, nu er een stuk erkenning vanuit de kinderen voor hun gevoelens jegens de vader wordt gemist. Het RET heeft advies uitgebracht en dit advies is tijdens de zitting van heden besproken. Het RET adviseert het volgende: aanmelding bij het [hulpverlening] voor systeemtherapie, waarbij ook de grootouders moederszijde worden betrokken, de vader te ondersteunen in zijn rol als vader en een doorverwijzing voor [minderjarige 2] naar Mentaal Beter en hulp voor [minderjarige 1] om zich beter te leren uiten. Het RET heeft daarbij de hypothese dat de moeder overvraagd wordt. Het lukt de moeder om de zorg praktisch vorm te geven, waarbij het netwerk haar ondersteunt in de overige taken. Daarnaast hebben zij de indruk dat de moeizame relatie tussen de ouders ten tijde van hun relatie waarin ook huiselijk geweld heeft plaatsgevonden, maken dat de ouders van de moeder een sterke (negatieve) mening hebben over de vader en zij de ontwikkeling die de vader heeft doorgemaakt niet (willen) zien. Vader bezit volgens het RET in de basis meer mogelijkheden, maar heeft ook meer problematiek, hij is meer explosief in aanleg. Gezien wordt dat de vader hierin wel is gegroeid. Gelet op de huidige situatie en de omgeving waarbinnen de ouders zich bevinden, constateert het RET dat het op dit moment niet haalbaar lijkt om toe te werken naar contact met de vader. Hiervoor is volgens het RET namelijk nodig dat met de moeder, en met de opa en de oma moederszijde ingestoken wordt op inzicht. De opa en de oma zijn belangrijk voor de kinderen, maar zijn mogelijk ook een belangrijke factor van het in stand houden van de patronen. Geadviseerd wordt om systeemtherapie vanuit het [hulpverlening] in te zetten, zodat aandacht kan komen voor het verdriet en de patronen die de opa en de oma mee in stand houden met als uiteindelijk doel dat zij weer opa en oma worden, een steunend netwerk zijn en moeder weer in haar moederrol te krijgen. Het RET adviseert daarnaast om voor de vader ondersteuning in te zetten voor zijn verdriet en onmacht over de afstand tot zijn kinderen. Nu IPT al is afgerond, kan gezocht worden naar een andere mogelijkheid. [minderjarige 2] lijkt hulpverleningsmoe en een leerlingbegeleider houdt op school momenteel vinger aan de pols. Mentaal Beter kan hierin een overdracht door middel van psycho-educatie verzorgen, om toch een vorm van betrokkenheid te kunnen behouden. [minderjarige 1] heeft tot slot volgens het RET aangegeven dat hij zijn hoofd wil legen en het RET vindt dan ook dat [minderjarige 1] een plek verdient waar hij zijn verhaal kwijt kan. [de school] , de school van [minderjarige 1] , kan hier mogelijk een rol in spelen.
De GI heeft naar aanleiding van dit advies ten aanzien van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling vervolgens twee scenario’s geschetst. Enerzijds verwacht de GI dat het verlengen van de ondertoezichtstelling de ruimte biedt om de ingezette lijn voor te zetten en de geadviseerde systeeminterventie van start te laten gaan en anderzijds overweegt de GI dat beëindiging van de ondertoezichtstelling mogelijk meer rust brengt in met name het huishouden van de moeder. Hierdoor bestaat volgens de GI echter wel een groter risico op stilstand of het uitblijven van de benodigde systeemverandering.
Gelet op de (aanvullende) stukken, de behandeling ter zitting en het gesprek met de minderjarigen komt ook de kinderrechter tot de conclusie dat de minderjarigen hulpverleningsmoe zijn. Daarbij komt dat de ondertoezichtstelling inmiddels al voor langere tijd loopt en de problematische situatie tussen de ouders inmiddels al ruim 13 jaar duurt. [minderjarige 1] weet niet beter. Gedurende deze periode zijn al vele vormen van hulpverlening ingezet met (onder andere) als doel om de patronen te doorbreken en de situatie voor de minderjarigen te verbeteren. Nog steeds heeft de kinderrechter de indruk dat in deze situatie sprake is van ogenschijnlijke rust; een situatie die aan de oppervlakte rustig lijkt, terwijl er in werkelijkheid nog sprake is van spanningen en verdriet. Dit komt onder meer tijdens het kindgesprek met [minderjarige 2] naar voren. [minderjarige 2] vertelde tegen de kinderrechter dat het nu goed genoeg gaat, omdat ze dingen doet die zij leuk vindt. Vervolgens wordt [minderjarige 2] verdrietig. Op de vraag van de kinderrechter of zij behoefte heeft aan contact met de vader antwoordt [minderjarige 2] dat zij daar nu geen behoefte aan heeft en dat zij het fijner vindt nu ze geen contact meer heeft. [minderjarige 2] wordt dan opnieuw verdrietig. Ook toen [minderjarige 2] vertelde dat zij nu lekkerder in haar vel zit, was bij haar opnieuw verdriet zichtbaar. De moeder ziet juist een vrolijke meid die het heel goed doet en die juist een half jaar geleden nog erg emotioneel was. [minderjarige 1] heeft aangegeven behoefte te hebben aan een hoofd dat leger aanvoelt en daarnaast heeft hij in het gesprek met het RET verteld dat hij best vaak verdrietig en boos is en soms ook een beetje angstig. Zowel de GI, Mentaal Beter en de GI zien bij de minderjarigen dat zij in een loyaliteitsconflict zitten tussen de ouders, waarbij zij steeds iets meer richting de moeder schuiven, hetgeen leidt tot een situatie waarbij zij het contact met de vader steeds meer afhouden. De moeder ziet hierin haar aandeel niet en de grootouders moederszijde – die erg belangrijk zijn voor de moeder en de minderjarigen – lijken dit patroon in stand te houden.
De kinderrechter realiseert zich tegelijkertijd, zoals reeds benoemd, dat de minderjarigen, maar ook de moeder, inmiddels hulpverleningsmoe zijn. Echter gunt de kinderrechter het de minderjarigen dat alles wordt geprobeerd om te zorgen dat de hardnekkig aanwezige patronen worden doorbroken, zodat de minderjarigen uit het loyaliteitsconflict kunnen komen en van daaruit meer ruimte zullen ervaren voor onbelast contact met beide ouders en de grootouders moederszijde. Daarom vindt de kinderrechter het noodzakelijk dat de ouders dit laatste stuk hulp, zoals geadviseerd door het RET en in lijn met het advies van de Raad, nog uitlopen. Dat zal naar verwachting niet lukken in het vrijwillig kader. Om die reden zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling van de minderjarigen verlengen. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij de geadviseerde lijnen uitzet en de ouders zo nodig ondersteunt bij het formuleren van een hulpvraag. Mogelijk kan daarna worden geborgd en afgesloten. In het geval de aankomende tijd uitwijst dat de opvatting van de minderjarigen ten opzichte van de vader niet verandert, wil de kinderrechter de GI nog meegeven dat gekeken kan worden naar de mogelijkheden of de vader (daarin begeleid door de GI) een brief kan schrijven aan de minderjarigen. Daarin kan hij dan woorden tot hen richten waar de minderjarigen, op het moment dat zij daar aan toe zijn of ruimte hebben om de vader meer toe te laten in hun leven, in de toekomst kennis van kunnen nemen. Deze brief kan dan bijvoorbeeld bij de GI worden bewaard of, in overleg met de ouders, ook bij de moeder.
Nu de hierboven genoemde stappen nog gezet moeten worden om tot een zorgvuldige afronding van het proces te kunnen komen, zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek toewijzen, hetgeen betekent dat de ondertoezichtstelling van de minderjarigen wordt verlengd met ingang van 11 juni 2026 en tot 11 december 2026.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 11 juni 2026 en tot 11 december 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van Casant als griffier, en op schrift gesteld op 11 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.