[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 20 december 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.436 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 23.846. Gelijktijdig met de vaststelling van deze aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 292 rente in rekening gebracht.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft vervolgens bij verminderingsbeschikking het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd naar € 18.691. De belastingrentebeschikking is verminderd naar
€ 207.
De enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft het beroep behandeld ter zitting in Breda op 7 augustus 2025. Hieraan heeft belanghebbende digitaal deelgenomen. Namens de inspecteur zijn mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] verschenen.
Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak met toepassing van artikel 8:10, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), verwezen naar de meervoudige kamer.
De meervoudige kamer van de rechtbank heeft het beroep op 12 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft belanghebbende digitaal deelgenomen. Namens de inspecteur zijn mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] verschenen.
Van het verhandelde ter zitting bij de enkelvoudige en meervoudige kamer zijn proces-verbalen opgemaakt. Afschriften daarvan worden gelijktijdig met de uitspraak aan partijen toegezonden.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag en de belastingrentebeschikking, zoals deze luiden na de uitspraak bezwaar, niet naar te hoge bedragen zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de aanslag en de belastingrentebeschikking niet naar te hoge bedragen vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
Feiten
3. Belanghebbende heeft op 18 maart 2022 aangifte IB/PVV 2021 gedaan naar een verzamelinkomen van € 38.220. Het verzamelinkomen is als volgt opgebouwd:
Op 7 juni 2023 heeft belanghebbende gereageerd op het informatieverzoek van de inspecteur met betrekking tot de opgevoerde specifieke zorgkosten en giften. Belanghebbende heeft (onder meer) aangegeven dat hij € 376 aan kosten heeft gemaakt voor genees- en heelkundige hulp, die volgens hem in aanmerking komen voor aftrek. Ter onderbouwing heeft hij twee documenten van CZ en een document met daarop algemene informatie over de symptomen van chronische nierschade overgelegd.
Op 21 mei 2024 heeft belanghebbende per e-mailbericht (onder meer) bankafschriften, een afbeelding van het onderhoudsboek van een Renault en een dieetbevestiging overgelegd.
De inspecteur heeft de aanslag met dagtekening 6 september 2024 in afwijking van de aangifte opgelegd (zie 1.1). Daarbij heeft hij de aftrekbare specifieke zorgkosten gecorrigeerd naar een bedrag van € 1.366 en de aftrekbare giften tot nihil.
Belanghebbende heeft bij e-mailberichten van 1 oktober 2024 en 16 oktober 2024 –voor zover relevant – de volgende documenten overgelegd:
een rekentool van de ANWB (autokosten);
een factuur van [B.V.] voor APK en onderhoud van € 279;
een polisblad van een autoverzekering (€ 616,07);
een rekening motorrijtuigenbelasting van € 148 (periode 5 april 2021 t/m 4 juli 2021);
een document met informatie van de ANWB (gemiddelde literprijs 95 E10 in 2021)
een kwitantie van de [apotheek] voor foliumzuur (€ 5,62).
Bij brief van 14 november 2024 heeft de inspecteur een vooraankondiging van de uitspraak op bezwaar gestuurd. In de vooraankondiging is belanghebbende in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord.
Belanghebbende heeft naar aanleiding van een telefoongesprek met de inspecteur een bankafschrift met bijbehorende transactiebon met betrekking tot benzinekosten
van € 59,52 overgelegd.
De inspecteur heeft het bezwaar (deels) toegewezen. Daarbij heeft hij een bedrag van € 1.618 aan specifieke zorgkosten en € 1.493 aan giften in aftrek toegestaan. Er heeft voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar geen hoorgesprek plaatsgevonden. Ook heeft belanghebbende geen inzage in het dossier gehad.
De aftrek specifieke zorgkosten zijn in de aangifte, de aanslag en de uitspraak op bezwaar als volgt opgebouwd:
Aangifte
Aanslag
UOB
Kosten medicijnen
€ 74
nihil
nihil
Uitgaven voor vervoer ivm ziekte of invaliditeit
€ 4.588
€ 1.196
€ 1.488
Dieetkosten
€ 650
€ 650
€ 650
Extra uitgaven voor kleding en beddengoed
€ 750
€ 300
€ 300
Genees- en heelkundige hulp
€ 376
€ 64
€ 64
Uitgaven specifieke zorgkosten voor toepassing verhoging
€ 6.438
€ 2.210
€ 2.502
Verhoging specifieke zorgkosten
nihil
nihil
nihil
Totaal uitgaven specifieke zorgkosten
€ 6.438
€ 2.210
€ 2.502
Drempel uitgaven specifieke zorgkosten
€ 884
€ 884
€ 884
Totaal aftrekbaar bedrag specifieke zorgkosten
€ 5.554
€ 1.366
€ 1.618
De inspecteur heeft op 18 december 2024 telefonisch contact gehad met belanghebbende. Naar aanleiding daarvan heeft de inspecteur belanghebbende per
e-mailbericht van 20 december 2024 uitgenodigd voor een hoorgesprek. Op 13 januari 2025 heeft er een hoorgesprek plaatsgevonden.
Overwegingen
Vooraf: is sprake van een schending van het hoor- en inzagerecht?
4. Een bestuursorgaan dient een belanghebbende in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord, voordat op het bezwaar wordt beslist. Onderdeel daarvan is het inzagerecht. Belanghebbende betoogt dat sprake is van een schending van het hoor- en inzagerecht.
De inspecteur betwist dat in de bezwaarfase het hoorrecht is geschonden. Daartoe stelt de inspecteur dat hij belanghebbende bij brief van 14 november 2024 in de gelegenheid heeft gesteld om een afspraak te maken voor een hoorgesprek (zie 3.5). Belanghebbende heeft daarop niet gereageerd.
Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende ten onrechte niet gehoord. De enkele omstandigheid dat belanghebbende niet heeft gereageerd op de in 3.5 bedoelde brief, biedt onvoldoende basis om van het horen af te zien. De inspecteur had bij twijfel over de vraag of een hoorgesprek gewenst was, daarover (opnieuw) contact moeten opnemen met belanghebbende. Nu de inspecteur dat heeft nagelaten, oordeelt de rechtbank dat het hoorrecht is geschonden. De mogelijkheid om het dossier in te zien in de bezwaarfase is in het wettelijk systeem gekoppeld aan het horen. Ook is daarom sprake van een schending van het inzagerecht.
Naar het oordeel van de rechtbank kan de schending niet met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat onduidelijkheid bestond over de feiten. Dat de inspecteur belanghebbende na het doen van uitspraak op bezwaar alsnog heeft gehoord, maakt dit niet anders. Aangezien dit hoorgesprek heeft plaatsgevonden na de uitspraak op bezwaar, is geen sprake van horen in de zin van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb.
Partijen hebben verzocht om voortzetting van de procedure bij de rechtbank. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding om de zaak terug te wijzen naar de inspecteur.
Aftrek giften
De inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag, zoals die luidt na de uitspraak op bezwaar, een deel van de giften in aftrek toegestaan. Belanghebbende heeft daartegen geen beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank heeft geen aanwijzingen waaruit volgt dat het vastgestelde bedrag niet correct is. De rechtbank neemt daarom als uitgangspunt dat dit juist is vastgesteld.
Aftrek specifieke zorgkosten
De inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag, zoals die luidt na de uitspraak op bezwaar, € 2.502 aan uitgaven voor specifieke zorgkosten geaccepteerd. Rekening houdend met de drempel voor specifieke zorgkosten van € 884, resteert een bedrag van
€ 1.618.
Uitgaven voor specifieke zorgkosten kunnen als persoonsgebonden aftrekpost in mindering worden gebracht op het inkomen uit werk en woning.De bewijslast rust op belanghebbende. Dit betekent dat belanghebbende aannemelijk moet maken dat hij de uitgaven heeft gedaan in het jaar waarover de aftrek wordt geclaimd, dat de uitgaven op hem drukken en dat de uitgaven voldoen aan de in de wet opgenomen voorwaarden voor aftrek. De rechtbank zal hierna beoordelen of en in hoeverre belanghebbende recht heeft op aftrek van de door hem opgevoerde zorgkosten.
Medicijnen
De uitgaven voor farmaceutische hulpmiddelen (medicijnen) zijn alleen aftrekbaar als die zijn verstrekt op voorschrift van een arts. Belanghebbende voert aan dat de inspecteur ten onrechte € 74 aan kosten voor medicijnen niet in aftrek heeft toegestaan.
Belanghebbende heeft geen stukken overgelegd waaruit volgt dat hij specifieke zorgkosten voor medicijnen heeft gemaakt die voor aftrek in aanmerking komen. De verwijzing naar een kwitantie van de [apotheek] waarop een bedrag van € 5,72 staat vermeld, een medicijnensticker gedagtekend 25 april 2023 en de stelling dat de medicatie is voorgeschreven door een ‘ [specialist medisch centrum] ’ acht de rechtbank daartoe onvoldoende. De inspecteur heeft de aftrek voor specifieke zorgkosten bij deze stand van zaken daarom terecht niet toegestaan.
(Extra) Vervoer
De kosten verbonden aan het gebruik van de auto komen slechts als buitengewone lasten in aanmerking, indien en voor zover die uitgaven – na aftrek van het reiskostenforfait voor het woon-werkverkeer en na aftrek van uitgaven die naar hun aard buitengewone lasten zijn, zoals voor bezoek aan medici – niet behoren tot het normale bestedingspatroon van personen die niet ziek of invalide zijn doch overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft, in een gelijke positie verkeren als belanghebbende.
Kilometerprijs
Belanghebbende heeft ter onderbouwing van zijn extra vervoerskosten in het jaar 2021 de volgende berekening gemaakt. Het door belanghebbende in 2021 gereden aantal kilometers betreft 5.200. Voor de berekening van de kilometerprijs is belanghebbende uitgegaan van de gegevens van de website van de ANWB , waaruit volgt dat de kosten per kilometer voor de auto € 0,87 bedragen. De kosten voor vervoer in 2021 bedragen op basis hiervan € 4.524.
De inspecteur betwist dat de aftrek te laag is vastgesteld. Hij heeft de autokosten van de maatman vastgesteld op basis van de tabel van het NIBUD. De genoemde tabel laat bij een eenpersoonshuishouden met een netto besteedbaar inkomen per maand van € 2.750 zien dat de gemiddelde besteding voor vervoer € 342 per maand is. Per jaar zijn de autokosten van de maatman volgens de inspecteur daarmee € 4.104.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende met hetgeen hij heeft overgelegd, niet aan zijn bewijslast heeft voldaan. De rechtbank stelt vast dat de inspecteur bij het opleggen van de aanslag rekening heeft gehouden met een aftrekbaar bedrag aan (extra) vervoerskosten van € 1.488. Wat ook zij van de manier waarop belanghebbende de gestelde kosten berekend heeft, de rechtbank constateert dat deze gestelde kosten de maatman slechts voor een bedrag van € 420 overstijgen. De gestelde kosten kunnen reeds daarom niet leiden tot de conclusie dat de aanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd, nu de inspecteur al rekening heeft gehouden met een hoger aftrekbaar bedrag. Dit betekent dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht heeft op een hoger bedrag aan aftrek in verband met de uitgaven voor vervoerskosten.
Vertrouwensbeginsel
Belanghebbende heeft ter zitting aangevoerd dat de inspecteur een aantal aanslagen van voorgaande jaren conform de aangiften heeft opgelegd. Belanghebbende stelt dat de inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat de inspecteur in 2017 het eventueel door hem gewekte vertrouwen heeft opgezegd.
Naar het oordeel van de rechtbank is het vertrouwensbeginsel niet geschonden omdat – zo belanghebbende stelt – de inspecteur jarenlang de door hem ingediende aangiften heeft gevolgd en plots is afgeweken. Voor in rechte te beschermen gewekt vertrouwen als in dit kader bedoeld, is meer vereist dan de enkele omstandigheid dat de inspecteur gedurende een aantal jaren bij het regelen van de aanslag op een bepaald punt de aangifte heeft gevolgd. Degelijke bijkomstigheden zijn niet gesteld of aannemelijk geworden en daarom slaagt deze beroepsgrond niet.
Moet de belastingrentebeschikking worden gematigd of vernietigd vanwege schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur of artikel 6 EVRM ?
Belanghebbende voert aan dat de in rekening gebrachte belastingrente dient te worden gematigd vanwege de lange behandelduur met betrekking tot het opleggen van de aanslag. Verder is belanghebbende van mening dat – onder verwijzing naar een uitspraak van rechtbank Noord-Nederland van 7 november 2024 – het vaststellen van belastingrente in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
De rechtbank overweegt dat de inspecteur een wettelijke termijn heeft van drie jaar voor het opleggen van de aanslag. Daar heeft de inspecteur zich in dit geval aan gehouden. De aanslag is dus tijdig opgelegd. Dat belanghebbende de behandelduur als lang heeft ervaren, betekent niet dat daardoor geen of minder belastingrente is verschuldigd.
Wat betreft het beroep op het evenredigheidsbeginsel overweegt de rechtbank als volgt. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 slaagt dit beroep niet.
Belanghebbende voert tot slot aan dat de handelingen in het kader van de belastingrentebeschikking van de inspecteur in strijd zijn met artikel 6 EVRM. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om tot schending van artikel 6 EVRM te concluderen.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de belastingrentebeschikking.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is alleen gegrond omdat het hoorrecht is geschonden. De aanslag en de belastingrentebeschikking zijn niet te hoog vastgesteld en blijven in stand. De rechtbank laat daarom de uitspraak op bezwaar ook in stand.
Omdat de inspecteur het hoorrecht heeft geschonden, moet hij het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, voorzitter, en
mr. drs. S.J. Willems-Ruesink en mr. A.H.W. Steijn, leden, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, op 2 februari 2026.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.