RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-181259-24
vonnis van de meervoudige kamer van 3 februari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] , Dominicaanse Republiek
zonder vaste woon- of verblijfplaats, maar (tijdelijk) verblijvende op het [adres]
raadsvrouw mr. G. Kaya, advocaat in Roosendaal
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. Poirters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering gewijzigd en als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 1 juni 2024 heeft geprobeerd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven te beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel openlijk in vereniging geweld tegen hen heeft gepleegd.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag van [slachtoffer 2] . Vastgesteld kan worden dat verdachte [slachtoffer 2] met geschoeide voet en met kracht tegen zijn hoofd heeft geschopt, terwijl [slachtoffer 2] weerloos op de grond lag.
De officier van justitie vordert partieel vrijspraak van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag van [slachtoffer 1] , nu verdachte hem niet tegen het hoofd heeft geschopt.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag van zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] , nu geen sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op hun dood. Weliswaar kan worden vastgesteld dat verdachte twee keer heeft geschopt/getrapt, waarbij de verdediging er, in tegenstelling tot de officier van justitie, van uitgaat dat dit beide keren in de richting van het hoofd van [slachtoffer 1] is geweest. Hoewel op de beelden is te zien dat het hoofd na de schop naar achteren gaat, kan niet worden vastgesteld dat het hoofd is geraakt. Indien het hoofd wel is geraakt, dan kan niet worden vastgesteld hoe hard dit is gegaan. Als er wel een aanmerkelijke kans op de dood is geweest, dan heeft verdachte deze kans niet bewust aanvaard, nu hij enkel vanuit een impuls heeft gehandeld.
Ook bepleit de verdediging vrijspraak van het subsidiair ten laste gelegd feit, nu het letsel van [slachtoffer 1] niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Het letsel van [slachtoffer 2] kan evenmin als zodanig worden gekwalificeerd en kan ook niet worden toegeschreven aan het handelen van verdachte.
Ten aanzien van het meer subsidiaire feit refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Op grond van de aangiftes en de camerabeelden stelt de rechtbank in de eerste plaats vast dat [slachtoffer 1] is en [slachtoffer 2] .
Niet ter discussie staat dat verdachte twee keer een schoppende/trappende beweging heeft gemaakt toen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bewusteloos op de grond lagen. Anders dan waarvan de verdediging is uitgegaan, stelt de rechtbank op grond van de camerabeelden vast dat verdachte de eerste keer heeft geschopt/getrapt in de richting van [slachtoffer 2] . Uit de camerabeelden blijkt de eerste schop/trap van verdachte was gericht tegen de jongen die als tweede naar de grond is gegaan. Uit de aangifte van [slachtoffer 2] maakt de rechtbank op dat hij degene is die als tweede naar de grond ging. [slachtoffer 2] verklaart namelijk dat hij zijn broer eerst zag vallen.
Uit de camerabeelden blijkt ook dat verdachte [slachtoffer 2] bij de eerste schop/trap heeft geraakt en dat het met forse kracht gepaard is gegaan. Op de camerabeelden is namelijk te zien dat verdachte fors uithaalde en het lichaam van [slachtoffer 2] daarna een beweging maakte.
De rechtbank gaat er ook vanuit dat verdachte [slachtoffer 2] hierbij hard heeft geraakt tegen zijn hoofd. Twee onafhankelijke getuigen hebben verklaard dat zij hebben gezien dat het slachtoffer tegen het hoofd werd geschopt/getrapt en dat hij bloed op zijn hoofd had. Eén van hen heeft daarbij ook verklaard dat het slachtoffer zo hard tegen zijn hoofd werd geschopt, dat het leek alsof er tegen een voetbal werd getrapt, waarbij het bloed uit zijn mond spoot. Zij was zelfs bang dat het slachtoffer mogelijk dood zou gaan. De politie die ter plaatse was, heeft waargenomen dat [slachtoffer 2] bloed op zijn gezicht had. Het schoppen tegen het hoofd past ook bij het letsel van [slachtoffer 2] , waarbij onder andere sprake was van een pijnlijke kaak en los zittende tanden.
De rechtbank acht het niet aannemelijk dat zijn letsel en het bloed is veroorzaakt door de
slag van [medeverdachte 1] , omdat op de camerabeelden is te zien dat [slachtoffer 2] daarbij werd geraakt op de zij-/achterkant van zijn hoofd.
Primair poging tot doodslag – [slachtoffer 1]
Met de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag van [slachtoffer 1] . Verdachte heeft weliswaar een forse trappende/ schoppende beweging gemaakt in de richting van [slachtoffer 1] , terwijl hij bewegingloos
op de grond lag, maar uit de camerabeelden blijkt niet dat hij [slachtoffer 1] daarbij heeft geraakt. Verdachte wordt daarom partieel vrijgesproken van dit feit.
Primair poging tot doodslag – [slachtoffer 2]
Met de officier van justitie, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag van [slachtoffer 2] . Het hoofd is een uiterst kwetsbaar en vitaal onderdeel van het menselijk lichaam en het met geschoeide voet, met een forse uithaal, ongecontroleerd en met kracht schoppen tegen het hoofd, terwijl iemand bewusteloos op de grond ligt, brengt naar de algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op de dood met zich. Door aldus te handelen heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 2] als gevolg van dit geweld zou komen te overlijden. De rechtbank is van oordeel dat verdachte die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard, zodat sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood. Met name ook doordat [slachtoffer 2] al bewusteloos op de grond lag en dit ook voor verdachte duidelijk moet zijn geweest.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 1 juni 2024 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer 2] met kracht en met geschoeide voet tegen het hoofd heeft getrapt/geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Het standpunt van de verdediging
Indien de rechtbank tot een veroordeling van verdachte komt, bepleit de verdediging bij de strafoplegging rekening te houden met het advies van de reclassering, het blanco strafblad van verdachte en het tijdsverloop, en te volstaan met een taakstraf, eventueel met daarnaast een geheel voorwaardelijke straf met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van [slachtoffer 2] door [slachtoffer 2] , die al weerloos op de grond lag, met geschoeide voet en met kracht tegen het hoofd te schoppen, waardoor er een aanmerkelijke kans was dat [slachtoffer 2] zou overlijden. [slachtoffer 2] heeft als gevolg hiervan letsel opgelopen. Door aldus te handelen heeft verdachte een zeer ernstig geweldsdelict gepleegd en een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 2] . Verdachte mag van geluk spreken dat het letsel van [slachtoffer 2] , die die nacht nog naar het ziekenhuis is overgebracht, relatief is meegevallen. Het geweld heeft het slachtoffer diep geraakt en hij heeft in een schriftelijke slachtofferverklaring onder woorden gebracht wat het met hem heeft gedaan. Daar komt bij dat het incident heeft plaatsgevonden na een uitgaansavond op straat in de binnenstad van Breda, waar omstanders ongevraagd getuige van zijn geweest. Dergelijk gedrag veroorzaakt ook bij hen gevoelens van angst en onveiligheid.
De rechtbank neemt ook in aanmerking dat het handelen van verdachte geen op zichzelf staand incident was, maar onderdeel uitmaakte van een groter feitencomplex van uitgaans- geweld. In het kader van deze geweldsuitbarsting is door meerdere personen geweld toegepast tegen [slachtoffer 2] , waaronder door medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Dat verdachte binnen dit geweldsincident een zwaardere rol heeft gehad dan hen door tegen het hoofd van [slachtoffer 2] te schoppen terwijl die al weerloos op de grond lag, rekent de rechtbank hem zwaar aan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het blanco strafblad van verdachte van 2 december 2025.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 18 november 2025. De reclassering heeft beschreven dat verdachte ten tijde van het feit onder invloed was van alcohol en cannabis. De direct delictgerelateerde factoren liggen volgens de reclassering in het psychosociaal functioneren van verdachte, zijn sociaal netwerk en zijn middelengebruik. Verdachte lijkt te hebben gehandeld uit loyaliteit, impulsiviteit en een emotionele toestand. De reclassering ziet dit dan ook als risicofactoren. Niet kan worden uitgesloten dat hij bij conflicten onder invloed van een combinatie van alcohol en cannabis hetzelfde zal handelen, nu deze combinatie ervoor kan zorgen dat zijn impulsbeheersing wordt verminderd. Ook ziet de reclassering een risicofactor op het gebied van huisvesting. Verdachte heeft geen woning en slaapt op wisselende plekken. Hiertegenover staat dat verdachte heeft aangegeven veel spijt te hebben van zijn gedrag en gemotiveerd te zijn dit gedrag in de toekomst niet meer te vertonen. Verdachte staat open voor hulpverlening en gedragsverandering, mede door zijn dochtertje. Het recidiverisico wordt door de reclassering ingeschat als gemiddeld.
Bij een veroordeling heeft de reclassering geadviseerd om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een gedragsinterventie agressiebeheersing en het werken aan huisvesting.
Ook ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat hij veel spijt heeft van zijn gedrag. Verdachte heeft tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris verklaard dat hij in shock was op het moment dat hij de camerabeelden van het incident zag. Dit komt op de rechtbank oprecht over. De rechtbank neemt bij de straftoemeting ook in aanmerking dat het feit al langer geleden heeft plaatsgevonden en dat verdachte in het kader van zijn schorsingsvoorwaarden al anderhalf jaar in een reclasseringstoezicht loopt en in die tijd niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen. Bovendien heeft hij een blanco strafblad. De rechtbank vindt daarom niet dat verdachte moet terugkeren naar de gevangenis.
Alles afwegende zal de rechtbank, in afwijking van de strafeis, aan verdachte een forse taakstraf opleggen van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis, indien de taakstraf niet naar behoren wordt verricht. Nu vanwege de aard en de ernst van het feit, niet kan worden volstaan met alleen een taakstraf, zal de rechtbank daarnaast aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 184 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Gelet op de omstandigheid dat het recidiverisico door de reclassering wordt ingeschat als gemiddeld, acht de rechtbank het hierbij ook van belang dat aan verdachte de geadviseerde bijzondere voorwaarden worden opgelegd, te weten een meldplicht, een gedragsinterventie agressiebeheersing en het werken aan huisvesting. Verdachte heeft ook aangegeven hiervoor open te staan.
7. De benadeelde partijen
[slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 4.285,16, waarvan € 285,16 aan materiële schade en € 4.000,00 aan immateriële schade.
Nu verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de gevorderde schade zou zijn ontstaan, is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering.
[slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 4.320,82, waarvan
€ 320,82 aan materiële schade en € 4.000,00 aan immateriële schade.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat verdachte verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden, voor zover er voldoende causaal verband bestaat tussen de gevorderde schade
en het bewezenverklaarde handelen van verdachte.
Materiële schade
De gevorderde materiële schade van € 320,82 acht de rechtbank voldoende onderbouwd en er is sprake van een causaal verband tussen deze schade en het bewezenverklaarde feit. De verdediging heeft bovendien geen verweer gevoerd tegen deze schadepost. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 320,82 dan ook toewijzen.
Immateriële schade
Immateriële schade is een vergoeding voor het leed dat ontstaat door lichamelijk letsel en/of psychisch letsel, veroorzaakt door een ander. Vast staat dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen door het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Reeds om die reden heeft de benadeelde partij recht op vergoeding van immateriële schade. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending door verdachte met zich brengen dat de nadelige psychische gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat er ook sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel. Door de benadeelde partij is naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende onderbouwd welke nadelige psychische gevolgen het incident voor hem hebben gehad. Gelet daarop acht de rechtbank een vergoeding van € 2.500,00 billijk.
Voor het overige acht de rechtbank de omvang van de gevorderde immateriële schade op dit moment onvoldoende onderbouwd. Daarvoor is nader onderzoek noodzakelijk en dat levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard voor dit deel van zijn vordering. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wettelijke rente
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf 1 juni 2024.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal eveneens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van de toegekende schadebedragen. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
Hoofdelijkheid
Voor de beoordeling van een vordering van een benadeelde partij is naar het oordeel van de rechtbank niet doorslaggevend hoe de gedragingen van een verdachte en de andere personen die zijn veroordeeld voor geweld jegens [slachtoffer 2] strafrechtelijk zijn gekwalificeerd, maar of de schade in civielrechtelijke zin aan hen kan worden toegerekend. Daarbij is bepalend of sprake is van één samenhangend feitencomplex, waarin de verdachte en zijn mededaders ieder een bijdrage hebben geleverd aan het ontstaan van de schade. De rechtbank is van oordeel dat daarvan in deze zaak sprake is. Dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid van verdachte zwaarder is gekwalificeerd dan die van zijn mededaders staat niet eraan in de weg dat zij civielrechtelijk ieder voor het geheel van de schade van de benadeelde partij aansprakelijk zijn. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen indien het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair: poging tot doodslag;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 184 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het adres Marconistraat 2 te (3029 AK) Rotterdam en dat hij zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
* dat verdachte actief deelneemt aan de gedragsinterventie Alcohol & Geweld of een andere gedragsinterventie die gericht is op agressiebeheersing, waarbij de reclassering bepaalt welke training het precies wordt en verdachte zich houdt aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;
* dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van huisvesting;
- van rechtswege gelden daarbij de voorwaarden:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;
Benadeelde partijen
[slachtoffer 1]
- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
[slachtoffer 2]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van € 2.820,82, waarvan € 320,82 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 juni 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk
en bepaalt dat de vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
Schadevergoedingsmaatregel
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , € 2.820,82 te betalen, waarvan € 320,82 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 juni 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 28 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Combee, voorzitter, mr. E.G.F. Vliegenberg en
mr. R.H.M. Pooyé, rechters, in tegenwoordigheid van M.C.C. Joosen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 februari 2026.
Bijlage I
De tenlastelegging
hij op of omstreeks 1 juni 2024 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] met kracht en met geschoeide voet tegen het/de hoofd(en) heeft getrapt/geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 juni 2024 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] met kracht en met geschoeide voet tegen het/de hoofd(en) heeft getrapt/geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 juni 2024 te Breda, openlijk, te weten, aan de Torenstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] :
- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) te slaan en/of stompen en/of te duwen tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam, en/of
- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) te schoppen en/of te trappen tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam.
(art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht)