RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-239142-24
vonnis van de meervoudige kamer van 3 februari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1999 in [geboorteplaats] , Nederlandse Antillen
wonende in [woonadres]
raadsman mr. M.F.P. de Clercq, advocaat in Roosendaal
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. Poirters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 1 juni 2024 openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] .
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] .
Voorts overweegt de rechtbank dat wat er heeft plaatsgevonden moet worden beschouwd
als één geweldsincident, waaraan meerdere personen, onder wie verdachte, een significatie bijdrage hebben geleverd en waarvoor ieder van hen voor het geheel verantwoordelijk is te houden. Het gaat immers om elkaar opvolgende en uit dezelfde aanleiding voortvloeiende gebeurtenissen tussen personen uit dezelfde twee groepen, welke gebeurtenissen hebben plaatsgevonden in een kort aaneengesloten tijdsbestek en op korte afstand van elkaar.
Verdachte maakte deel uit van de groep van waaruit door verschillende personen geweldshandelingen zijn gepleegd richting [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , waarbij de rechtbank op grond van de aangiftes en de camerabeelden vaststelt dat slachtoffer 1 [slachtoffer 1] is en slachtoffer 2 [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] heeft namelijk in zijn aangifte verklaard dat hij zijn broer eerst naar de grond heeft zien gaan voordat hij zelf buiten bewustzijn werd geslagen. Op de camerabeelden is te zien dat slachtoffer 2 als tweede op de grond terecht komt. Slachtoffer 2 wordt vervolgens door [medeverdachte 1] tegen het hoofd getrapt/geschopt en heeft volgens getuigen daarna bloed op zijn hoofd/gezicht. Uit het dossier volgt dat [slachtoffer 2] na het geweld een bloedende kin had.
Hoewel verdachte alleen [slachtoffer 1] een duw heeft gegeven, hetgeen hij heeft bekend, ziet de rechtbank hierin een aanstichtende rol voor het geweldsincident, nu het naar het oordeel van de rechtbank een forse, aanvallende duw was, waardoor het geweld is ontvlamd. Bovendien bleef verdachte gedurende de door de anderen gepleegde geweldshandelingen op korte afstand bij de groep staan. Derhalve heeft verdachte opzet gehad op het in vereniging plegen van openlijk geweld en daaraan een significante en wezenlijke bijdrage geleverd.
Hoewel de persoon met de bodywarmer op de beelden, van wie de identiteit onbekend is gebleven, niet tot de vriendengroep van verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] behoorde, maakte hij die bewuste nacht wel degelijk onderdeel uit van de groep van waaruit het geweld richting de slachtoffers werd gepleegd, zodat verdachte ook verantwoordelijk kan worden gehouden voor de geweldshandelingen die deze persoon heeft gepleegd.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 1 juni 2024 te Breda, openlijk, te weten, aan de Torenstraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen meer personen, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] :- (met kracht) te slaan en/of stompen en/of te duwen tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam, en/of- (met kracht) te schoppen en/of te trappen tegen het gezicht en/of het hoofd.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 dagen, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 26 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, en daarnaast een taakstraf van 160 uur, te vervangen door 80 dagen hechtenis indien de taakstraf niet naar behoren wordt verricht.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit bij de aan verdachte op te leggen straf rekening te houden met het beperkte aandeel van verdachte in het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zijn bekennende houding en het tijdsverloop. Daarom bepleit de verdediging te volstaan met een (voorwaardelijke) taakstraf dan wel geldboete, eventueel in combinatie met een (korte) voorwaardelijke straf.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft samen met anderen tijdens het uitgaan in de binnenstad van Breda openlijk geweld gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , waardoor beide slachtoffers buiten bewustzijn zijn geraakt en letsel hebben opgelopen. Verdachte heeft een aanstichtende rol in het geweldsincident gehad. Hij heeft [slachtoffer 1] een forse en aanvallende duw gegeven, waardoor het geweld is ontvlamd. Daarna is door verschillende mensen nog geweld uitgeoefend tegen de slachtoffers, waarbij [slachtoffer 2] ook tegen zijn hoofd is geschopt terwijl hij bewusteloos op de grond lag.
Door aldus te handelen hebben verdachte en zijn mededaders, waaronder medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , letsel bij de slachtoffers veroorzaakt en een onaanvaardbare inbreuk
op hun lichamelijke integriteit gemaakt. Het geweld heeft de slachtoffers diep geraakt en zij hebben in een schriftelijke slachtofferverklaring onder woorden gebracht wat het met hen heeft gedaan. Daar komt bij dat het incident heeft plaatsgevonden na een uitgaansavond op straat in de binnenstad van Breda, waar omstanders ongevraagd getuige van zijn geweest. Dergelijk gedrag veroorzaakt ook bij hen gevoelens van angst en onveiligheid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 2 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder een strafbeschikking heeft gekregen voor een geweldsfeit, waarbij aan hem een taakstraf is opgelegd. Gelet hierop is sprake van recidive en dat zal in strafverzwarende zin worden meegewogen.
Daarnaast is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing. Ook daar zal de rechtbank rekening mee houden.
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank voorts acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin is vermeld welke straffen doorgaans worden opgelegd voor openlijk geweldpleging. Indien
de openlijke geweldpleging lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad, zoals hier aan de orde, wordt een taakstraf van 150 uur als uitgangspunt genomen.
Alles afwegende zal de rechtbank, in afwijking van de strafeis, aan verdachte een lagere straf opleggen. Er is bij verdachte weliswaar sprake van recidive, maar de rechtbank houdt ook rekening met de beperkere rol van verdachte in het geweldsincident ten opzichte van de medeverdachten. Ook heeft de rechtbank meegewogen dat het feit al langer geleden heeft plaatsgevonden.
Nu verdachte eerder een taakstraf opgelegd heeft gekregen als gevolg waarvan het taakstraf- verbod van toepassing is en niet kan worden volstaan met alleen een taakstraf, zal daarnaast aan verdachte een gevangenisstraf van vier dagen, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht, worden opgelegd.
Daarnaast legt de rechtbank aan verdachte op een taakstraf van 140 uur, te vervangen door 70 dagen, indien deze taakstraf niet naar behoren wordt verricht.
Anders dan de verdediging heeft bepleit ziet de rechtbank geen reden voor het opleggen van een voorwaardelijke deel, nu verdachte ook niet heeft meegewerkt aan het opstellen van een reclasseringsadvies.
7. De benadeelde partij
[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 4.285,16, waarvan € 285,16 aan materiële schade en € 4.000,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [slachtoffer 2] een schadevergoeding van € 4.320,82, waarvan € 320,82 aan materiële schade en € 4.000,00 aan immateriële schade.
De verdediging heeft verweer gevoerd en zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen jegens verdachte wegens het ontbreken van een causaal verband tussen de gevorderde schade en het handelen van verdachte. De door [slachtoffer 2] gevorderde schade is het directe gevolg van de handelingen van een onbekend gebleven derde en niet kan worden vastgesteld dat de door [slachtoffer 1] gevorderde schade is veroorzaakt door de duw van verdachte. De schade kan daarom niet worden toegerekend aan verdachte.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partijen en dat hij verplicht is de schade te vergoeden, indien en voor zover de gevorderde schade voldoende is onderbouwd en er een causaal verband bestaat tussen de gevorderde schade en het bewezenverklaarde handelen van verdachte.
Vooropgesteld wordt dat bij een veroordeling voor openlijke geweldpleging in vereniging artikel 6:166 van het Burgerlijk Wetboek de civielrechtelijke grondslag vormt voor de vorderingen van de benadeelde partijen, ook indien de verdachte het letsel niet zelf heeft toegebracht. Ieder groepslid kan op grond daarvan worden aangesproken voor de volledige schade. Voldoende is dat de verdachte heeft deelgenomen aan de groep van waaruit de geweldshandelingen werden gepleegd en het groepsgeweld een reëel risico op schade met zich heeft gebracht. Verdachte behoorde tot deze groep en heeft ook een bijdrage geleverd aan het groepsoptreden, wat een reëel risico op schade met zich bracht. Daar komt bij dat hiervoor reeds is overwogen dat ook de onbekend gebleven derde (de persoon met de bodywarmer) behoorde tot deze groep, waarbij de rechtbank, anders dan de verdediging, overigens al heeft vastgesteld dat hij [slachtoffer 1] heeft geslagen en niet [slachtoffer 2] .
Het verweer van de verdediging wordt daarom verworpen.
Materiële schade
De door de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gevorderde materiële schade van respectievelijk € 285,16 en € 320,82 is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en er is sprake van een causaal verband tussen deze schade en het bewezenverklaarde feit. De gevorderde bedragen worden daarom toegewezen.
Immateriële schade
Immateriële schade is een vergoeding voor het leed dat ontstaat door lichamelijk letsel en/of psychisch letsel, veroorzaakt door een ander. Vast staat dat de benadeelde partijen lichamelijk letsel hebben opgelopen door het bewezenverklaarde feit. Reeds om die reden hebben de benadeelde partijen recht op vergoeding van immateriële schade. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending door verdachte met zich brengen dat de nadelige psychische gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen, dat er ook sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel. Door de benadeelde partijen is naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende onderbouwd welke nadelige psychische gevolgen het incident voor hen hebben gehad. Gelet daarop acht de rechtbank een vergoeding van € 2.500,00 voor iedere benadeelde partij billijk.
Voor het overige acht de rechtbank de omvang van de gevorderde immateriële schade op dit moment onvoldoende onderbouwd. Daarvoor is nader onderzoek noodzakelijk en dat levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partijen worden daarom niet-ontvankelijk verklaard voor dit deel van hun vordering. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wettelijke rente
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf 1 juni 2024.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal eveneens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van de toegekende schadebedragen. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
Hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander of anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 140 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 70 dagen;
Benadeelde partijen
[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partijen:
* [slachtoffer 1] van € 2.785,16, waarvan € 285,16 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 juni 2024 tot aan de dag der voldoening;
* [slachtoffer 2] van € 2.820,82, waarvan € 320,82 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 juni 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partijen tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partijen in het overige deel van hun vordering niet-ontvankelijk
en bepaalt dat de vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
Schadevergoedingsmaatregel
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de slachtoffers
* [slachtoffer 1], € 2.785,16 te betalen, waarvan € 285,16 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 juni 2024 tot aan de dag der voldoening;
* bepaalt dat bij niet betaling 27 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
* [slachtoffer 2], € 2.820,82 te betalen, waarvan € 320,82 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 juni 2024 tot aan de dag der voldoening;
* bepaalt dat bij niet betaling 28 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor de gehele bedragen;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partijen vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Combee, voorzitter, mr. E.G.F. Vliegenberg en
mr. R.H.M. Pooyé, rechters, in tegenwoordigheid van M.C.C. Joosen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 februari 2026.
Bijlage I
De tenlastelegging
hij, op of omstreeks 1 juni 2024 te Breda, openlijk, te weten, aan de Torenstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] :- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) te slaan en/of stompen en/of te duwen tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam, en/of- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) te schoppen en/of te trappen tegen het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam. (Artikel art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht)