2. Het verzoek
De vrouw verzoekt vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor haar van € 2.154,76 per maand, althans een bedrag in goede justitie te bepalen.
3. De beoordeling
De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij gedurende de echtscheidingsprocedure behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat hij de financiële draagkracht heeft die te voldoen.
De man voert gemotiveerd verweer.
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Behoefte van de vrouw
Ter zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de huwelijksgerelateerde behoefte € 3.858,= netto per maand bedraagt.
Ter bepaling van de aanvullende behoefte van de vrouw dient op dat bedrag haar eigen netto inkomen in mindering te worden gebracht. Tussen partijen staat vast dat de vrouw € 1.200,= bruto per maand verdient, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. Rekening houdend met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting, becijfert de rechtbank het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw op een bedrag van € 1.268,= per maand. De behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage bedraagt gelet op het voorgaande € 2.590,= netto per maand, oftewel € 4.845,= bruto per maand.
Draagkracht van de man
Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat voor de becijfering van de draagkracht van de man uit moet worden gegaan van een inkomen van € 105.991,= bruto per jaar, zoals volgt uit zijn jaaropgaaf van 2025 (productie 3 van de man). Rekening houdend met de van toepassing zijnde heffingskorting (gelet op de hoogte van zijn inkomen enkel arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting, becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op € 5.446,= per maand.
De man stelt zich op het standpunt dat verder rekening moet worden gehouden met aflossing van schulden ter hoogte van in totaal € 805,= per maand. Dit betreft de helft van: de aflossing op de autoleaseschuld van € 989,= per maand;de aflossing op de belastingtoeslagenschuld van € 120,= per maand; de aflossing van een lening bij een vriend van € 500,= per maand. De man heeft geen spaargeld waarmee hij deze schulden ineens kan aflossen.Verder moet volgens de man rekening worden gehouden met een bedrag van € 595,= per maand aan kosten die hij voor de jongste zoon van partijen betaalt (zorgverzekering, autoverzekering, wegenbelasting en incidentele kosten).
De vrouw stelt zich op het standpunt dat geen rekening moet worden gehouden met de door de man opgevoerde aflossingen op schulden. De kosten voor de leaseauto zijn onnodig en daarmee verwijtbaar en moeten worden voldaan uit de vrije ruimte van de man. De belastingtoeslagenschuld is eveneens vermijdbaar en verwijtbaar, want met het inkomen van de man/uit zijn spaargeld had hij deze eerder af kunnen betalen. Tot slot betwist zij het bestaan van de door de man gestelde schuld aan een vriend. Met kosten voor de jongste zoon van partijen moet evenmin rekening worden gehouden. Hij is inmiddels 22 jaar en partijen zijn niet meer onderhoudsplichtig voor hem. Hij kan de betreffende kosten zelf voldoen.
De rechtbank overweegt dat in het kader van deze procedure, waar het gaat om het treffen van ordemaatregelen, geen ruimte is voor uitgebreid onderzoek naar bijvoorbeeld de verwijtbaarheid en vermijdbaarheid van gestelde schulden. Dit debat kan in de bodemprocedure gevoerd worden. In deze procedure wordt in beginsel zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige feitelijke situatie. Uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat hij maandelijks de door hem gestelde aflossingen doet op een schuld aan autolease en aan de Belastingdienst (productie 6 van de man). Dit wordt door de vrouw ook niet betwist. De rechtbank kan op grond van de door de vrouw gegeven toelichting en de betwisting door de man niet eenvoudig vaststellen dat terzake sprake is van verwijtbaarheid en/of vermijdbaarheid, zodat aan dat standpunt voorbij wordt gegaan. De man heeft ten aanzien van de aflossing op de door hem gestelde lening van een vriend toegelicht dat hij deze is aangegaan om een periode van twee jaar, waarin hij geen dienstverband had, te voorzien in de kosten van levensonderhoud van het gezin van partijen en hij heeft een ondertekend ‘loanstatement’ in het geding gebracht. De vrouw heeft haar betwisting van deze schuld en de aflossing daarvan, gelet op die toelichting, onvoldoende nader toegelicht en onderbouwd. Gelet op het voorgaande houdt de rechtbank dan ook rekening met het door de man opgevoerde totaalbedrag van € 805,00 per maand aan aflossing schulden.
De rechtbank zal geen rekening houden met de door de man gestelde kosten voor de jongste zoon van partijen. Deze zoon is namelijk 22 jaar oud en partijen zijn dus niet meer onderhoudsplichtig voor hem, terwijl evenmin is gebleken dat hij deze kosten zelf niet kan voldoen, een en ander zoals ook door de vrouw is aangevoerd.
Op grond van voormelde financiële omstandigheden en rekening houdend met alle fiscale gevolgen acht de rechtbank bij de man de draagkracht aanwezig om € 1.577,00 bruto per maand te voldoen ten behoeve van de vrouw. Bij deze berekening is rekening gehouden met het fiscale voordeel van betaling van partneralimentatie. De man kan de door hem betaalde partneralimentatie fiscaal aftrekken, terwijl de vrouw over de door haar ontvangen partneralimentatie inkomstenbelasting moet voldoen. Om die reden wordt het door de man genoten fiscale voordeel “opgeteld” bij de draagkracht van de man voor partneralimentatie (de “methode Buijs”) en komt dat voordeel dus geheel ten goede aan de vrouw.
Ingangsdatum
De rechtbank zal de verplichting tot betaling van de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw laten ingaan op de datum van deze beschikking.
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal het verzoek van de vrouw worden toegewezen aldus dat met ingang van de datum van deze beschikking een bijdrage wordt vastgelegd die de man aan haar moet voldoen ter hoogte van € 1.577,00 per maand. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
Aanhechten van berekeningen
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt van de aanvullende behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man. Exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.
4. De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor het levensonderhoud van de vrouw
met ingang van de datum van deze beschikking wordt vastgesteld op € 1.577,00 (duizend vijfhonderdzevenenzeventig euro) per maand, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, en, in tegenwoordigheid van mr. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026.