proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
27 januari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland (het college), verweerder,
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvragen om bijzondere bijstand voor de kosten van osteopathie (zaaknummer 25/1697), tandartskosten (zaaknummer 25/1698) en het eigenrisico van de ziektekostenverzekering (zaaknummer 25/1725).
Het college heeft deze aanvragen met de besluiten van 5 april 2024 afgewezen. Met de bestreden besluiten van 15 januari 2025 op de bezwaren van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften.
De rechtbank heeft de beroepen van eiser op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens het college zijn de gemachtigde, [vertegenwoordiger college 1] en [vertegenwoordiger college 2] .
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
Eiser heeft op 7 maart 2025 beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten van
15 januari 2025. Dit is buiten de beroepstermijn van 6 weken die tot en met 26 februari 2025 liep. Eiser heeft dat ook niet betwist. De vraag is of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is. Dat kan alleen als er voor overschrijding van de termijn bijzondere redenen zijn.
Eiser heeft gevraagd om begrip en coulance ten aanzien van de termijnen voor het indienen van beroep, omdat zijn fysieke toestand recentelijk aanzienlijk is verslechterd als gevolg van het langdurig achterhouden van noodzakelijke zorg en ondersteuning, waardoor hij niet in staat was om alle procedures binnen de reguliere termijnen volledig af te handelen.
Alhoewel de rechtbank niet wil afdoen aan de medische situatie van eiser zijn deze reden niet zodanig bijzonder dat de overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar is. Eiser heeft namelijk niet met medische stukken onderbouwd dat hij in de beroepstermijn niet in staat was om beroep in te stellen. Eiser heeft op zitting verklaard dat er in maart 2025 een spoedopname is geweest in verband met zijn darmproblematiek maar dat was dan pas na afloop van de beroepstermijn. In de beroepstermijn is eiser in staat geweest om op 10 februari 2025 aanwezig te zijn bij zittingen van de rechtbank, eenmaal met en eenmaal zonder gemachtigde. Ook heeft eiser op 20 februari 2025 een bezwaarschrift bij het college ingediend tegen een ander besluit over bijzonder bijstand én heeft hij daaraan voorafgaand veelvuldig per e-mail gecommuniceerd over die aanvraag. Eiser heeft weliswaar gesteld dat al deze handelingen hem veel energie hebben gekost, en dat wil de rechtbank ook niet bagatelliseren, maar niet dan wel onvoldoende is gebleken dat eiser niet in staat was om in de beroepstermijn beroep in te stellen. De overschrijding van de beroepstermijn is dan ook niet verschoonbaar.
Conclusie en gevolgen
De beroepen zijn niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaken dus niet inhoudelijk.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Beslissing
De rechtbank verklaart beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2026 door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.