ECLI:NL:RBZWB:2026:6238

ECLI:NL:RBZWB:2026:6238

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 08-05-2026
Datum publicatie 10-07-2026
Zaaknummer 26-010081
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Raadkamer
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

bezwaar tegen herroeping v.i. ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats Breda

parketnummer : 02-298941-20

v.i. nummer : 89-000143-88

raadkamernummer : 26-010081

datum : 08 mei 2026

beslissing van de raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 6:6:8 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] ,

woonplaats kiezend op het kantoor van mr. E. van de Rakt advocaat te Breda, (Postbus 4650, 4803 ER Breda),

hierna te noemen: veroordeelde.

Feiten

Veroordeelde is op 29 september 2023 door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank veroordeeld voor medeplichtigheid aan het verrichten van voorbereidingshandelingen ten behoeve van handel (in- en uitvoer) van cocaïne tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden met aftrek van het voorarrest. Deze veroordeling is op 3 december 2024 onherroepelijk geworden.

Bij beslissing van het Openbaar Ministerie van 7 februari 2025 is aan de veroordeelde voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) verleend. Vanaf 3 maart 2025 is de proeftijd van 365 dagen feitelijk gestart. Veroordeelde had bij aanvang van zijn v.i. een strafrestant van 189 dagen.

Bij beslissing van het Openbaar Ministerie van 18 april 2025 zijn de bijzondere voorwaarden bij de v.i. gewijzigd. Een kennisgeving van de gewijzigde v.i.-beslissing is op 23 mei 2025 aan de veroordeelde betekend.

Veroordeelde is op 25 februari 2026 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam veroordeeld voor een poging tot zware mishandeling en overtreding van de artikelen 8, eerste lid, en 5a van de Wegenverkeerswet 1994 tot een gevangenisstraf voor de duur van 200 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 14 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Alle feiten zijn gepleegd op 27 april 2025. Deze veroordeling is op 12 maart 2026 onherroepelijk geworden.

Het Openbaar Ministerie heeft op 24 maart 2026 beslist de v.i. van de veroordeelde gedeeltelijk te herroepen voor de duur van 60 dagen.

Procedure

Het bezwaar tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie op 07 april 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

De advocaat-generaal heeft op voorhand zijn standpunt op het bezwaar schriftelijk kenbaar gemaakt.

De rechtbank heeft op 08 mei 2026 het bezwaar in openbare raadkamer behandeld.

De rechtbank heeft de veroordeelde, zijn raadsvrouw mr. E. van de Rakt en de officier van justitie mr. C.P.G. Tax in raadkamer gehoord.

Bezwaar

De veroordeelde kan zich niet verenigen met de beslissing van het Openbaar Ministerie om de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde gedeeltelijk te herroepen. Daartoe is het kortweg volgende aangevoerd.

Vaststaat dat veroordeelde tijdens de v.i. onherroepelijk is veroordeeld door de rechtbank Rotterdam en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Echter niet kan worden vastgesteld dat veroordeelde de bijzondere voorwaarde meewerken aan reclasseringstoezicht heeft overtreden. Hoewel een herroeping van de v.i. op basis van overtreding van de algemene voorwaarden mogelijk is, dient te worden gekeken naar alle belangen die er spelen.

Een herroeping van 60 dagen is in casu onredelijk en niet proportioneel. Immers, het kader en de hulp die wordt geboden op grond van de v.i. wordt thans niet benut, noch wordt veroordeelde de kans geboden om deze te benutten. Daarnaast is de samenleving er ook bij gebaat dat een veroordeelde die uiteindelijk in vrijheid gesteld wordt succesvol re-integreert in de samenleving. Het re-integratieproces zal lastiger zijn voor veroordeelde indien hij eerst nog de gehele duur van de v.i. dient uit te zitten.

Veroordeelde stelt dat hij zijn best heeft meegedaan om met de reclassering in contact te komen. Daartoe heeft hij ook bewijs aangeleverd in de vorm van mailcorrespondentie met de reclassering.

De raadsvrouw van veroordeelde heeft het bovenstaande in raadkamer herhaald. Zij stelt zich op het standpunt dat het Openbaar Ministerie de betrokken belangen onvoldoende heeft meegewogen en niet in redelijkheid tot haar beslissing heeft kunnen komen. Primair wordt dan ook verzocht om het bewaar gegrond te verklaren. Subsidiair wordt verzocht om de v.i. te herroepen voor het aantal dagen dat veroordeelde reeds heeft uitgezeten.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke conclusie van de advocaat-generaal en zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard. Veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 februari 2026 veroordeeld voor strafbare feiten. Deze veroordeling is op 12 maart 2026 onherroepelijk geworden. De feiten ter zake van de veroordeling zijn gepleegd tijdens onderhavige lopende v.i.-proeftijd. Daarmee staat vast dat veroordeelde de algemene voorwaarden heeft overtreden. Voorts stelt het Openbaar Ministerie dat veroordeelde de bijzondere voorwaarde meewerken aan reclasseringstoezicht onvoldoende is nagekomen. De reclassering erkent dat er gedurende vier maanden geen actief toezicht is geweest, maar wijst tevens op de eigen verantwoordelijkheid van veroordeelde.

Het Openbaar Ministerie heeft besloten tot een partiële herroeping voor de duur van 60 dagen. Op deze wijze wordt veroordeelde de mogelijkheid geboden om verder te werken aan zijn re-integratie en kan er door de reclassering met veroordeelde worden gewerkt aan het op orde brengen van zijn leefgebieden en voorkomen van recidive.

Beoordeling

Het bezwaarschrift is tijdig conform artikel 6:6:8 lid 2 Sv binnen twee weken na de betekening van de kennisgeving ingediend bij de instantie (in eerste aanleg) die kennis heeft genomen van het strafbare feit waarvoor de sanctie is opgelegd waarop de beslissing ziet.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant is bevoegd voor de behandeling van het bezwaarschrift.

Het Openbaar Ministerie kan op basis van artikel 6:2:13a, onderdeel a, Sv beslissen tot herroeping van de v.i. indien er ernstige redenen zijn voor het vermoeden dat de veroordeelde de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

Op grond van artikel 6:6:9 lid 1 Sv dient de rechtbank te onderzoeken of het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen die op dat moment aan de orde waren in redelijkheid tot haar beslissing heeft kunnen komen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Het Openbaar Ministerie heeft haar beslissing tot herroeping van de v.i. mede gebaseerd op

het veroordelend vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 februari 2026, welke veroordeling op 12 maart 2026 onherroepelijk is geworden. De rechtbank stelt vast dat veroordeelde hiermee de algemene voorwaarde dat hij geen strafbare feiten zal plegen heeft overtreden. Gelet op de aard en omvang van de overtredingen is een herroeping van de v.i. dan ook in beginsel redelijk en proportioneel.

Het Openbaar Ministerie heeft haar beslissing tot herroeping van de v.i. voorts gebaseerd op overtreding van de bijzondere voorwaarde meewerken aan reclasseringstoezicht. Als er al kritische kanttekeningen geplaatst kunnen worden bij de gestelde overtreding van de bijzondere voorwaarde, dit niet wegneemt dat veroordeelde zich tijdens de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ernstige strafbare feiten.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Openbaar Ministerie in redelijkheid tot haar beslissing kunnen komen. Zeker nu zij niet heeft gekozen voor de volledige herroeping van de v.i. voor de duur van 189 dagen, maar voor een gedeeltelijke herroeping voor de duur van 60 dagen. Een gedeeltelijke herroeping biedt de mogelijkheid om veroordeelde bij het restant van de v.i. nog met voorwaarden en begeleiding een tweede kans te geven om orde op zaken te stellen voorafgaand aan zijn terugkeer in de maatschappij. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde kan dit in zijn geval recidivebeperkend werken. De rechtbank zal het bezwaarschrift dan ook ongegrond te verklaren.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze beslissing is genomen door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.J.H. de Brouwer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand