Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-187075-25 en 02-051337-25
Parketnummer tul: 15-008395-22
Vonnis van de meervoudige kamer van 3 februari 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1976 te [geboorteplaats] (Turkije),
gedetineerd in de penitentiaire inrichting in [plaats] ,
raadsvrouw mr. E.J. Teeuwen, advocaat te Amsterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. K. Weijers en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer en zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
parketnummer 02-187075-25
samen met een ander met geweld een Rolex van [slachtoffer 1] heeft gestolen;
parketnummer 02-051337-25
[slachtoffer 2] heeft bedreigd.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander [slachtoffer 1] heeft beroofd en [slachtoffer 2] heeft bedreigd.
Voor het bewijs van de diefstal met geweld heeft de officier van justitie gewezen op het aantreffen van DNA van verdachte op twee verschillende plekken op de mouw van de jas van [slachtoffer 1] . De jas is kort na de melding van de overval in beslag genomen. Het gaat daarbij om twee DNA-profielen die zijn aangetroffen op de plaats waar [slachtoffer 1] is vastgepakt. Het betreft weliswaar DNA-mengprofielen, maar het aangetroffen DNA-hoofdprofiel op beide bemonstering is van verdachte. Verdachte heeft daar geen aannemelijke verklaring voor en heeft ook geen alibi. Daarnaast zijn er op een bij verdachte in beslag genomen telefoon foto’s aangetroffen van horloges die lijken op het gestolen horloge. Ook daar heeft verdachte geen verklaring voor.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de diefstal met geweld nu daarvoor onvoldoende bewijs aanwezig is. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat het van verdachte aangetroffen DNA slechts een mengprofiel betreft en heeft daarbij gewezen op de mogelijkheid van tertiaire overdracht van DNA. Verdachte heeft verklaard dat hij vaak kledingstukken laat slingeren op opvangplaatsen en dat de dader mogelijk zijn handschoenen heeft meegenomen en heeft gebruikt bij de overval. Het feit dat verdachte geen concreet alibi heeft voor de avond van de overval kan hem volgens de raadsvrouw niet worden tegengeworpen, nu verdachte pas maanden later is aangehouden en gehoord door de politie. Daarnaast zijn er geen andere bewijsmiddelen in het dossier die duiden op directe betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde. Daarentegen zijn er wel ontlastende aspecten. Zo voldoet verdachte niet aan het door aangever en getuige opgegeven signalement van de daders (zij zouden immers heel jong zijn en verdachte is dat niet) en heeft er geen herkenning plaatsgevonden van verdachte op basis van de beschikbare camerabeelden van de overval.
Ook komen de verschillende IMEI-nummers die eerder aan verdachte zijn gekoppeld niet voor in de opgevraagde mastgegevens rondom de plaats delict. Verdachte heeft aangegeven dat hij zijn afwezigheid op de plaats delict kan onderbouwen met de historische verkeersgegevens van zijn telefoon. Die telefoons zijn in bezit van de politie, maar de gegevens blijken niet voorhanden te zijn. Over de foto’s van Rolex horloges die op de telefoon van verdachte zijn aangetroffen heeft de raadsvrouw opgemerkt dat dit niet hetzelfde type horloge als het gestolen horloge betreft en dat de metadata van de foto’s niet bekend zijn.
Voor de aan verdachte ten laste gelegde bedreiging heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
parketnummer 02-187075-25
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat [slachtoffer 1] in de avond van 13 november 2024 door twee personen is beroofd van zijn Rolex horloge in de parkeergarage onder het appartementencomplex waar [slachtoffer 1] woont. Deze parkeergarage is alleen toegankelijk voor bewoners. Een van de verdachten heeft zich op onbekend gebleven wijze toegang verschaft tot de parkeergarage, en heeft de andere verdachte vervolgens binnengelaten. Nadat [slachtoffer 1] die avond de auto had geparkeerd en uit de auto was gestapt met zijn vrouw [benadeelde] , werd hij van achteren vastgegrepen en op de grond gegooid en er is aan het horloge om zijn linker pols getrokken. Daarbij werd zijn horloge ontvreemd en heeft hij letsel opgelopen. Op de jas van [slachtoffer 1] is zowel op de pols van de linkermouw als op de onderarm van de linkermouw een DNA-mengprofiel aangetroffen. Het DNA-hoofdprofiel van beide DNA-mengprofielen betreft het DNA van verdachte (met een bewijskracht van minder dan 1 op 1 miljard). Het mengprofiel bevat tevens het DNA van [slachtoffer 1] .
Op de onder verdachte in beslag genomen telefoon zijn daarnaast foto’s van Rolex horloges aangetroffen.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of verdachte een van de twee daders is geweest.
De rechtbank overweegt dat de jas van [slachtoffer 1] zeer kort na het feit in beslag is genomen. Het DNA is dus aangetroffen op een voorwerp dat ten tijde van het feit is vastgepakt door de daders en kort daarna is veiliggesteld en dat bovendien eigendom is van [slachtoffer 1] . Nu [slachtoffer 1] en verdachte geen bekenden van elkaar zijn, acht de rechtbank het onaannemelijk dat het DNA van verdachte op een ander moment dan tijdens de overval op de jas terechtgekomen is. De verdediging heeft gewezen op de mogelijkheid van tertiaire overdracht via rondslingerende kledingstukken van verdachte die door de dader(s) zouden zijn gebruikt. Dit is echter niet verder onderbouwd. Daarnaast is op de bij de bewijsmiddelen aangehaalde foto van het feit te zien dat [slachtoffer 1] door een van de daders met blote handen is vastgepakt aan zijn linker onderarm en linker pols. Van belang is voorts dat het aangetroffen DNA van verdachte weliswaar onderdeel van een DNA-mengprofiel is, maar dat voor beide bemonsteringen geldt dat het DNA van verdachte het hoofdprofiel daarvan betreft. Het DNA-profiel van [slachtoffer 1] zelf was in beide bemonsteringen minder prominent aanwezig dan het DNA van verdachte.
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank zeer onaannemelijk dat het DNA van verdachte via (tertiaire) overdracht op de jas van het slachtoffer zou zijn beland, en stelt zij vast dat het DNA van verdachte op de jas van [slachtoffer 1] terecht is gekomen doordat verdachte de jas ten tijde van de overval bij de linker mouw heeft vastgepakt.
Over het verweer van verdachte dat hij geen gelijkenissen vertoont met de personen op de camerabeelden en niet voldoet aan het door aangever en getuige opgegeven signalement overweegt de rechtbank dat de camerabeelden niet uitsluiten dat verdachte een van de daders is geweest, nu de daders (gezichts)bedekkende kleding droegen en op de camerabeelden de gezichten van de daders amper te zien zijn. Bovendien sluit de rechtbank niet uit dat aangever en getuige zich hebben vergist in de leeftijd van de daders nu zij zich in een stressvolle situatie bevonden, zelf op zeer hoge leeftijd zijn en de daders vanwege hun gezichtsbedekkende kleding sowieso moeilijk te zien waren.
Gelet op bovenstaande conclusie over het DNA van verdachte op de jas van aangever, het feit dat verdachte hier geen aannemelijke verklaring voor heeft en het gegeven dat op de telefoon van verdachte foto’s van Rolex horloges zijn aangetroffen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een van de daders is geweest die de ten laste gelegde diefstal met geweld heeft gepleegd.
parketnummer 02-051337-25
Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [slachtoffer 2] met een misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
parketnummer 02-187075-25 op 13 november 2024 te Breda tezamen en in vereniging met een ander, een horloge (merk Rolex, type Sea Dweller) dat aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door-die [slachtoffer 1] van achteren vast te grijpen en-die [slachtoffer 1] op de grond te gooien en-aan het horloge om de pols van die [slachtoffer 1] te trekken;
parketnummer 02-051337-25 omstreeks 17 februari 2025 te Oosterhout [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen:- “Als ik jouw gewoon jouw nek opensnijd. Ik gooi je ergens in een akker en een jaar later haal ik je eruit” en- “Als je niet belt komen paar van die top 600 mensen binnen bij jou gappie. Dan ga je zien wie wordt gebukt” en- “Zijn vijf mensen nu. Of je praat heel snel terug op ja. ...ntv... gaan komen met blaffer, met honderd mensen, kom. Ik sta hier. Uit Damsko gekomen speciaal voor jou. Ik heb paar van die gappies bij me. Die gaan jou laten zien wat uit- opgeplukt worden, plukken. Ik ga jou plukken”.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 20 maanden met aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft niets aangevoerd ten aanzien van de straf in het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring van beide feiten komt.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft, samen met een ander, [slachtoffer 1] met geweld beroofd van zijn Rolex horloge. De echtgenote van [slachtoffer 1] was daarbij aanwezig. Hoewel het lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] uiteindelijk relatief beperkt is gebleven, acht de rechtbank het toegepaste geweld niet gering. Het iemand op de grond duwen en vervolgens het horloge van de pols trekken, vormt een forse fysieke inbreuk. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat [slachtoffer 1] een man op leeftijd is (81 jaar oud ten tijde van de overval) en het herstel van deze letsels daardoor ongetwijfeld langer heeft geduurd.
De beroving vond plaats in een onder de woning van [slachtoffer 1] gelegen parkeergarage die uitsluitend toegankelijk is voor bewoners. Het feit is daarmee begaan op een plaats waar het slachtoffer en zijn echtgenote zich bij uitstek veilig zouden moeten kunnen voelen. Door juist daar geweld toe te passen, heeft verdachte in ernstige mate afbreuk gedaan aan het veiligheidsgevoel van [slachtoffer 1] , zijn echtgenote en andere bewoners.
Daarnaast was er sprake van planmatig en doelgericht handelen. Verdachte en zijn mededader hebben de parkeergarage vooraf verkend, wisten kennelijk dat [slachtoffer 1] in het bezit was van het Rolex horloge en hebben hem voorafgaand aan het feit opgewacht. Deze voorbereiding en het afstemmen van het handelen op de komst van [slachtoffer 1] getuigen van een weloverwogen keuze om het strafbare feit te plegen.
Bij de beoordeling van de ernst van het feit weegt de rechtbank ook mee dat er sprake is van kwetsbare slachtoffers. Het slachtoffer betreft een oudere man die, in het bijzijn van zijn echtgenote, met geweld is geconfronteerd en van een zeer waardevol horloge is beroofd. Dat de echtgenote hiervan getuige is geweest, vergroot de impact van het feit, nu ook zij is blootgesteld aan de dreiging en angst die met het geweld gepaard gingen. Dergelijke feiten kunnen bij slachtoffers langdurige gevoelens van onveiligheid en machteloosheid veroorzaken, te meer nu het feit zich heeft afgespeeld in de afgesloten parkeergarage bij hun woning. Dat is ook het geval bij [slachtoffer 1] en zijn echtgenote. Ze zijn bang in hun eigen woning en garage, bang in het donker, schrikken van plotselinge geluiden, hebben geen vertrouwen meer in de mensen om hen heen en kunnen niet meer genieten van het gewoon dragen van een mooi sieraad of horloge. Het feit dat [slachtoffer 1] bewust is uitgekozen en gevolgd, maakt hem extra angstig.
De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij uitsluitend uit was op financieel gewin en daarbij willens en wetens de lichamelijke en emotionele gevolgen voor [slachtoffer 1] en diens echtgenote op de koop toe heeft genomen. De ernst van het feit, de planmatige uitvoering daarvan en de kwetsbaarheid van de slachtoffers maken dat slechts een straf van aanzienlijke zwaarte passend en geboden is.
Daarnaast heeft verdachte zich meerdere malen schuldig gemaakt aan bedreiging van [slachtoffer 2] . Door deze bedreigingen heeft verdachte een angstige situatie gecreëerd voor [slachtoffer 2] .
Bij de bepaling van de hoogte van de straf neemt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee dat hij eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten.
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van verdachte. De rechtbank zal dan ook aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 20 maanden, met aftrek van voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. De vorderingen van de benadeelde partijen
Op grond van het e-mailbericht van mr. Dilven van 16 januari 2026 is de rechtbank van oordeel dat zowel namens [slachtoffer 1] als zijn echtgenote [benadeelde] een vordering tot schadevergoeding is ingediend voor het feit met parketnummer 02-187075-25.
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 3.000,00 aan immateriële schade.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd en dus geweldshandelingen richting [slachtoffer 1] heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [slachtoffer 1] en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde vergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 1.500,00, gelet op de onderbouwing en de hoogte van schadevergoedingen die in min of meer vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De rechtbank houdt hierbij rekening met de Rotterdamse schaal. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezen verklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezen verklaarde feit. De rechtbank zal [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat deze nader onderzoek vergt dat een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door de mededader is betaald en andersom.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 13 november 2024.
De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
De benadeelde partij [benadeelde] vordert eveneens een schadevergoeding van € 3.000,00 aan smartengeld dan wel als shockschade. De vordering tot smartengeld wordt afgewezen, nu een wettelijke grondslag daarvoor ontbreekt. In de tenlastelegging is geen geweldshandeling richting [benadeelde] opgenomen. Omdat [benadeelde] getuige van het feit is geweest, zou zij in aanmerking kunnen komen voor schadevergoeding op grond van aantasting in de persoon op andere wijze in de vorm van shockschade. Voor een vergoeding op die grond moet er sprake zijn van geestelijk letsel bij benadeelde naar aanleiding van een hevige emotionele schok die is teweeggebracht door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Voor de toewijzing van schadevergoeding ter zake van dat geestelijk letsel is vereist dat het bestaan van dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is deze gestelde schade niet onderbouwd. De beoordeling van deze vordering vergt nader onderzoek dat een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank zal [benadeelde] daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
8. De vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 8 april 2022 ten uitvoer zal worden gelegd.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f, 57, 63, 285 en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
parketnummer 02-187075-25: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
parketnummer 02-051337-25: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gerichten
bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partijen t.a.v. parketnummer 02-187075-25
[slachtoffer 1]
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 1.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 november 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele toegewezen bedrag;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , € 1.500,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 november 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 15 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
[benadeelde]
- verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr V.M. Schotanus, voorzitter, en P.A.M. Wijffels en mr. L.W.A. Gruijthuijsen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.J.M. van de Vrede, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 3 februari 2026.
Mr. Gruijthuijsen is niet in de gelegenheid het vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
parketnummer 02-187075-25 hij op of omstreeks 13 november 2024 te Bredatezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een een horloge (merk Rolex, type Sea Dweller), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door-die [slachtoffer 1] van achteren vast te grijpen/pakken en/of-die [slachtoffer 1] op/tegen de grond te gooien en/of-aan het horloge om de pols van die [slachtoffer 1] te trekken;
parketnummer 02-051337-25 hij op of omstreeks 17 februari 2025 te Oosterhout, althans in Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,door meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen:- “Als ik jouw gewoon jouw nek opensnijd. Ik gooi je ergens in een akker en een jaar later haal ik je eruit” en/of- “Als je niet belt komen paar van die top 600 mensen binnen bij jou gappie. Dan ga je zien wie wordt gebukt” en/of- “Zijn vijf mensen nu. Of je praat heel snel terug op ja. ...ntv... gaan komen met blaffer, met honderd mensen, kom. Ik sta hier. Uit Damsko gekomen speciaal voor jou. Ik heb paar van die gappies bij me. Die gaan jou laten zien wat uit- opgeplukt worden, plukken. Ik ga jou plukken”,althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.