RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van
30 januari 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats 1] , verzoekster,
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] , uit [woonplaats 2] ,
Samenvatting
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6623 BRP
(gemachtigde: mr. V.M.C. Verhaegen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland (het college), verweerder.
(gemachtigde: mr. C.G. Huijsmans).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de ambtshalve wijziging van het adres van verzoekster in de Basisregistratie Personen (BRP). Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat sprake is van onvoldoende spoedeisend belang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 17 november 2025 heeft het college het adres van verzoekster in de BRP ambtshalve gewijzigd van [adres 1] naar [adres 2] (het adres van de derde-partij). Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, de derde-partij, de gemachtigde van de derde-partij en [vertegenwoordiger 1] , [vertegenwoordiger 2] en [vertegenwoordiger 3] namens het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Verzoekster heeft aangevoerd dat zij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening, omdat zij vanaf 27 oktober 2025 niet langer huurtoeslag ontvangt. Hierdoor voorziet verzoekster problemen te krijgen in de voorziening van de kosten van haar levensonderhoud. Verzoekster heeft aangegeven dat haar spaargeld beperkt is en bewust wordt gereserveerd voor haar uitvaart. Verder heeft verzoekster aangevoerd dat het bestreden besluit een grote emotionele impact op haar heeft. Ter zitting heeft verzoekster toegelicht dat de onzekerheid aan haar knaagt en dat het daarom voor haar belangrijk is dat een onafhankelijker rechter naar de zaak kijkt.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster onvoldoende spoedeisend belang bij haar verzoek om een voorlopige voorziening. Ter zitting is besproken dat de hoorzitting naar aanleiding van het door haar ingediende bezwaarschrift op korte termijn zal plaatsvinden, namelijk op 16 maart 2026. Het college heeft ter zitting aangegeven dat ongeveer medio april 2026 een beslissing op het bezwaar zal volgen.
Uit de door verzoekster overgelegde stukken heeft de voorzieningenrechter onvoldoende kunnen concluderen dat zij de beslissing op bezwaar in april niet kan afwachten. Uit het overgelegde overzicht van inkomsten en uitgaven blijkt dat de uitgaven op dit moment lager zijn dan de inkomsten. De € 100,- die verzoekster per maand spaart voor haar uitvaart is daarbij betrokken. Verzoekster kan de periode tot aan de beslissing op bezwaar dan ook financieel overbruggen. Er is daarom niet gebleken dat het belang van verzoekster zwaarder moet wegen dan het belang van het college bij een juiste registratie van adresgegevens.
Verder overweegt de voorzieningenrechter dat deze procedure niet bedoeld is voor het verkrijgen van een definitief oordeel van een rechter. Indien een voorzieningenrechter een inhoudelijke beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening neemt, is dit vaak een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Het college kan een dergelijk voorlopig oordeel bij de beslissing over haar bezwaar naast zich neerleggen. Zo kunnen er in de bezwaarfase andere inzichten ontstaan die het college kan meewegen bij de volledige heroverweging van het eerder genomen besluit. Als verzoekster zich niet kan vinden in die uitkomst, kan zij zich opnieuw tot de rechtbank wenden.
Conclusie en gevolgen
4. Gelet op het vorenstaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Wilbrink, griffier, ter zitting op 30 januari 2026. De uitspraak wordt ook openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: