ECLI:NL:RBZWB:2026:6398

ECLI:NL:RBZWB:2026:6398

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 01-07-2026
Datum publicatie 14-07-2026
Zaaknummer C/02/447028 / KG ZA 26-191
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

geschillen met betrekking tot beëindiging samenwerking tussen aandeelhouders/bestuurders

Uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer: C/02/447028 / KG ZA 26-191

Vonnis in kort geding van 1 juli 2026

in de zaak van

1. HFT B.V.,

te Tilburg,

hierna te noemen HFT, 2. [eisende partij],

te [woonplaats 1] ,

hierna te noemen [eisende partij] ,

eisers,

advocaat: mr. F.W. Linders,

tegen

1. DDCGROUP B.V.,

te Tilburg,

hierna te noemen DCCgroup,2. [gedaagde partij 2],

te [woonplaats 2] ,

hierna te noemen [gedaagde partij 2] , 3. [gedaagde partij 3] B.V.,

te Goirle,

hierna te noemen [gedaagde partij 3] , 4. [gedaagde partij 4],

te [woonplaats 3] ,

hierna te noemen [gedaagde partij 4] , 5. DDC BI B.V.,

te Tilburg,

hierna te noemen DCC BI

gedaagden,

advocaten: mr. M.J.W. van Ingen en mr. I.F.M. Lakwijk.

1. De zaak in het kort

Aandeelhouders hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten met betrekking tot het uittreden van eisers als aandeelhouder/bestuurder van de vennootschap. Eisers stellen zich op het standpunt dat door toedoen van gedaagden de uittreding nog niet heeft plaatsgevonden en dat zij ondertussen ook geen werkzaamheden meer kunnen verrichten, waardoor zij geen inkomsten meer kunnen genereren. Zij vorderen daarom schorsing van het overeengekomen concurrentie- en relatiebeding en het vertrouwelijkheidsbeding. Daarnaast zijn zij van mening dat gedaagden hebben gehandeld in strijd met de tussen partijen gesloten samenwerkingsovereenkomst en vaststellingsovereenkomst door al over het vertrek van eisers te communiceren voordat de uittreding heeft plaatsgevonden. Daardoor hebben zij boetes verbeurd, waarop zij een voorschot vorderen. Ten slotte hebben zij bij eisvermeerdering ook gevorderd de administratie van de vennootschap te verstrekken op straffe van een dwangsom. Gedaagden hebben de vorderingen betwist. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen. Die beslissing wordt hierna toegelicht.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

– de dagvaarding met producties 1 t/m 28,

– de wijziging van eis,

– de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 21,

– de mondelinge behandeling van 17 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,

– de pleitnota van eisers,

– de pleitnota van gedaagden.

3. De feiten

[eisende partij] , [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 4] zijn via hun persoonlijke holdings, HFT, DCCgroup, en [gedaagde partij 3] , ieder voor 33⅓% aandeelhouder in en indirect bestuurder van DCC BI.

De bedrijfsactiviteiten van DDC BI bestaan uit advisering, verkoop en implementatie van software (met name op het gebied van business intelligence) en corporate performance management. DDC BI heeft drie werknemers in loondienst en daarnaast [eisende partij] , [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 4] als meewerkend directeur/groot aandeelhouder.

Partijen hebben ten behoeve van de samenwerking op 7 januari 2010 een “Samenwerkings- en Aandeelhoudersovereenkomst” (hierna: SWO) getekend

Hierin zijn zij in artikel 10 een concurrentie- en relatiebeding overeengekomen en in artikel 11 een vertrouwelijkheidsbeding.

In artikel 11 lid 3 van de SWO staat (waarbij SBU staat voor DDC BI, BP voor HFT en [gedaagde partij 3] en NP voor [eisende partij] , [gedaagde partij 4] en [gedaagde partij 2] ):

“DDC, BP en NP verplichten zich, ook nadat deze overeenkomst zal zijn beëindigd, jegens elkaar en jegens SBU vertrouwelijkheid te betrachten omtrent de inhoud van deze overeenkomst en omtrent alle informatie/

met uitzondering van informatie waarvan uit een algemeen toegankelijke bron kennis kan warden genomen, over de ander partij of SBU of over de activiteiten of producten van SBU, met inbegrip van informatie over

leveranciers, afnemers of andere relaties van de betrokken partijen. DDC, BP en NP verplichten zich om de bedoelde vertrouwelijke informatie op geen enkele wijze te gebruiken, over te dragen of openbaar te maken,

behoudens voor zover dat noodzakelijk zou zijn voor de nakoming van deze overeenkomst,

In geval van schending van deze bepaling verbeurt de betreffende partij een dadelijk en ineens opvorderbare boete ten bedrage van € 25.000 (zegge: vijfentwjntigduizend euro) per overtreding.”.

Daarnaast zijn zij overeengekomen dat DDCgroup de administratie voert voor DDC BI.

Tussen [eisende partij] enerzijds en [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 4] anderzijds is een conflict ontstaan over de wijze waarop door DDCgroup de administratie wordt gevoerd.

Vervolgens is tussen partijen een procedure gevoerd bij de Ondernemingskamer te Amsterdam. Tijdens de mondelinge behandeling van 18 september 2025 hebben partijen ter beëindiging van hun geschillen een vaststellingsovereenkomst (VSO) gesloten, strekkende tot uitkoop van HFT tegen een door een deskundige te bepalen prijs. Artikel 5.6 van de VSO luidt als volgt:

5 Afstemming communicatie

Partijen verbinden zich ertoe zich in het openbaar, waaronder mede begrepen uitlatingen op

sociale media, in de pers of tegenover derden, niet negatief, kleinerend of anderszins schadelijk

uit te laten over elkaar, elkaars bestuurders, aandeelhouders of de Vennootschap.

Partijen mogen vanaf de vaststelling van de prijs vrijelijk communiceren over het vertrek

van HFT.”

De uitkoop van HFT heeft nog niet plaatsgevonden omdat tussen partijen een geschil is gerezen met betrekking tot de door de Ondernemingskamer aangewezen deskundige. Inmiddels is door de Ondernemingskamer een nieuwe deskundige aangewezen, die door partijen is geaccepteerd. Deze is nog bezig met de opdracht tot het vaststellen van de koopprijs van de aandelen van HFT.

In februari is de naam van [eisende partij] van de website van DDC BI verwijderd. Nadat de naam van [eisende partij] was teruggeplaatst is deze begin maart 2026 definitief verwijderd.

Op 6 maart 2026 heeft [gedaagde partij 2] de volgende email aan [eisende partij] gestuurd.

Zoals jou bekend ga jij de organisatie verlaten.

In het belang van de continuïteit van de organisatie en haar klanten is er daarom door DDCgroup van

afgezien jou in te zetten voor nieuwe projecten en gezocht naar een moment waarop het staken van

werkzaamheden en eventuele overdracht daarvan plaats kan vinden.

Het enige project waar je nog werkzaamheden verrichtte was bij [bedrijf] en dat is inmiddels

nagenoeg gereed. [bedrijf] vraagt daar ook om de inzet van andere disciplines in het kader van

haar overeenkomst met DDCgroup. Daarom zullen werkzaamheden en de afronding van de laatste

werkzaamheden worden overgenomen door het bestaande DDC team van [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3]

aangevuld waar nodig door [persoon 4] . Ik verzoek je de [bedrijf] projectdocumenten en andere

relevante data over te dragen aan het projectteam en alle in jouw bezit zijnde gegevens, documenten

en overige data van alle DDCgroup klanten te verwijderen van jouw gegevensdragers”.

Met ingang van 9 maart 2026 is aan [eisende partij] de toegang ontzegd tot de systemen van [bedrijf] . Diezelfde dag heeft [gedaagde partij 2] aan 23 medewerkers van/betrokkenen bij DDC de navolgende email gestuurd:

“Zoals jullie weten hebben we in september vorig jaar bij de ondernemingskamer overeenstemming bereikt met [eisende partij] over zijn vertrek bij DDC.

Een valuator zal de waarde van zijn aandelen bepalen om de overdracht daarvan te kunnen regelen. Dit duurt overigens helaas langer dan gehoopt en aangenomen.

Intussen werkte [eisende partij] alleen nog, beperkt, voor [bedrijf] . Dat is nu op een moment dat geschikt is voor overdracht. Vandaar dat we hebben besloten om de werkzaamheden van [eisende partij] , uiteraard in overleg met [bedrijf] , te beëindigen.

Het DDC projectteam bestaat uit [persoon 2] , [persoon 1] en [persoon 3] en die nemen de dienstverlening voor deze relatie verder op. Waar nodig en mogelijk zal [persoon 4] ondersteunen. [bedrijf] is hierbij volledig betrokken en akkoord met deze aanpak.”

Bij brief van zijn advocaat van 13 maart 2026 hebben eisers aan de advocaat van gedaagden bericht dat de handelwijze van gedaagden in strijd is met de SWO en artikel 5 VSO. Gedaagden zijn gesommeerd om schriftelijk te bevestigen:

1. dat de acties richting [bedrijf] vanaf 18 maart 2026 ongedaan zijn gemaakt en bewerkstelligd is dat eisers de werkzaamheden daar weer kunnen voortzetten totdat alle lopende projecten en eventueel nieuwe projecten waar zij bij betrokken zijn/worden zijn afgerond,

2. dat de inzet van eisers bij andere klanten/projecten vanaf 18 maart 2026 is hersteld,

3. dat uiterlijk 17 maart 2026 per mail naar [bedrijf] en alle DDC’ers en ieder ander die zij hebben ingelicht over het beëindigen van de werkzaamheden bij [bedrijf] wordt gecommuniceerd dat [eisende partij] zijn werkzaamheden zal hervatten,

4. dat de naam van [eisende partij] per 18 maart 2026 weer op de website van DDC is geplaatst en dat dit zal worden gecontinueerd tot het moment van de aandelenoverdracht,

5. dat HFT weer toegang heeft tot en inzage in Qlik,

6. dat HFT schadeloos wordt gesteld voor de gederfde 80% vergoeding.

Hierop is (door de advocaat van) gedaagden afwijzend gereageerd.

4. Het geschil

Eisers vorderen bij dagvaarding als voorlopige voorziening,

1. met onmiddellijke ingang de verplichtingen van HFT en [eisende partij] opgenomen in artikel 10 SWO (concurrentiebeding en relatiebeding), artikel 11.3 SWO (vertrouwelijkheidsbeding) artikel 5.2 VSO (afstemming communicatie) te schorsen totdat de aandelenoverdracht van de aandelen van HFT in DDC BI aan [gedaagde partij 3] en DDCgroup conform de VSO is gerealiseerd,

2. ieder van gedaagden 1 t/m 4 hoofdelijk te veroordelen, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om binnen 2 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan HFT een voorschot op de boete te voldoen van € 300.000,00 als ook een voorschot op de schadevergoeding voor zover dat toe te wijzen bedrag de toe te wijzen boete overstijgt een en ander vermeerderd met de wettelijke handelsrente hierover vanaf de dag dat gedaagden daarmee in gebreke zijn tot de dag van algehele voldoening,

3. gedaagden 1 t/m 4 ieder hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding waaronder begrepen de nakosten.

Eisers hebben hun eis als volgt vermeerderd:

4. DDCgroup te veroordelen om aan een door de rechtbank aan te wijzen

onafhankelijke registeraccountant inzage te verstrekken in alle volgens deze registeraccountant te bepalen administraties, en deze registeraccountant in de gelegenheid te stellen daarvan een kopie te maken inclusiefs dumps van de (onderliggende) data, waaronder in ieder geval begrepen de complete administratie in Unit4 zoals omschreven onder a t/m e van de eiswijziging, welke administratie op de door de registeraccountant te bepalen wijze kan worden geverifieerd teneinde daarmee:

a. over alle administratie van DDC BI te beschikken waartoe HFT als bestuurder van DDC BI dient te kunnen beschikken uit hoofde van al haar verplichtingen in- en extern hoe ook inclusief de integrale beoordelingen van de (concept)jaarrekeningen van DDC BI vanaf 2017 tot en met het boekjaar waarin HFT B.V. nog geheel of gedeeltelijk aandeelhouder is van DDC BI en

b. de door HFT gevorderde schadevergoeding, waartoe in dit kort geding een voorschot is gevorderd, financieel geheel te kunnen berekenen;

welke informatie de registeraccountant integraal aan HFT ter beschikking mag stellen.

5. DDCgroup te veroordelen tot betaling van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 50.000,00 indien zij niet tijdig geheel aan de onder 3 bepaalde veroordeling voldoet, te vermeerderen met een dwangsom van € 2.000,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat DDCgroup na het verstrijken van voornoemde termijn in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen.

Gedaagden hebben verweer gevoerd. Op dat verweer en de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

Vordering 1: ontslag uit contractuele verplichtingen

De vordering van eisers strekt tot schorsing van de overeengekomen concurrentie-, relatie- en vertrouwensbedingen.

Eisers stellen dat zij door toedoen van gedaagden brodeloos worden gemaakt zolang de aandelenoverdracht niet heeft plaatsgevonden. Zij hebben geen inkomsten meer omdat zij door gedaagden niet meer in de gelegenheid worden gesteld om werkzaamheden voor DDC BI te verrichten, terwijl zij gebonden zijn het overeengekomen concurrentie- en relatiebeding.

Gedaagden hebben in deze procedure verklaard dat zij er geen probleem mee hebben als [eisende partij] zelfstandig (onder de vlag van HFT) de markt op gaat en zij geven daarvoor toestemming. Dit betekent dat het eisers toegestaan is om eigen opdrachten te verwerven buiten DDC BI om en daarvoor klanten/relaties van DDC BI te benaderen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat dit betekent dat gedaagden eisers niet meer houden aan de concurrentie- en relatiebedingen.

Voor wat betreft het vertrouwelijkheidsbeding hebben gedaagden verklaard dat zij er geen bezwaar tegen hebben dat eisers hun ophanden zijnde uittreding bekend maken, zolang zij zich daarbij niet negatief uitlaten over DDC BI en (ex-collega’s) zoals bedoeld onder 5.1 VSO, wat ook een verplichting is die uit de wet voortvloeit.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat eisers, zoals zij ook zelf tijdens de mondelinge behandeling hebben erkend, geen belang meer hebben bij de gevraagde voorziening, zodat deze wordt afgewezen.

Vordering 2: betaling

Eisers baseren hun vordering op artikel 11.3 SWO. De overtreding van deze bepaling is volgens eisers gelegen in het bekend maken van het aanstaande vertrek van [eisende partij] /HFT bij DDC BI voordat de aandelenoverdracht heeft plaatsgevonden, als bedoeld in artikel 5.2. VSO. Dit blijkt volgens eisers uit:

− het verwijderen van de naam van [eisende partij] van de website van DDC BI,

− de e-mails van 6 en 9 maart 2026.

Volgens eisers hebben gedaagden daardoor een boete verbeurd van € 1.300.000,00. Zij vorderen een voorschot hierop.

Volgens gedaagden is met de gestelde bekendmaking artikel 11.3 SWO niet overtreden en daarmee de boete niet verbeurd, omdat het informatie is uit algemeen toegankelijke bronnen. Zij wijzen er in dit verband op dat de VSO tijdens een openbare zitting – waarbij medewerkers en aandeelhouders van DDC aanwezig waren – tot stand is gekomen en dat er tussen partijen naar aanleiding van de VSO eerder een kort gedingprocedure is gevoerd waarvan het vonnis is gepubliceerd.

Eisers stellen dat deze uitzondering (algemeen toegankelijke bronnen), verwoord in artikel 11.3 SWO, wordt beperkt door de in artikel 5.2. VSO neergelegde afspraak. Zolang partijen niet uit elkaar zijn zou het vertrek van [eisende partij] /HFT niet “aan de grote klok” worden gehangen. Daarop hebben gedaagden aangevoerd dat artikel 5.2. specifiek ziet op communicatie met betrekking tot het vertrek van [eisende partij] /HFT en dat dit geen vertrouwelijke bedrijfsinformatie betreft als bedoeld in artikel 11.3 SWO.

De voorzieningenrechter stelt vast dat in de VSO geen boete is gezet op overtreding van artikel 5.2. De vraag is of de boeteclausule van artikel 11.3. SWO ook geldt voor het communiceren van de informatie met betrekking tot het vertrek van [eisende partij] /HFT. De voorzieningenrechter is van oordeel dat eisers onvoldoende aanknopingspunten hebben gegeven ter onderbouwing van hun stelling dat partijen hebben bedoeld om de boeteclausule van 11.3. SWO ook te laten gelden voor artikel 5.2. VSO.

De vordering tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding voor het niet tewerkstellen van [eisende partij] /HFT strandt ook op het ontbreken van een spoedeisend belang.

Eisers hebben op geen enkele wijze onderbouwd dat zij in een moeilijke financiële positie verkeren. Ook overigens leent een dergelijke vordering zich niet voor een kort geding, gelet op de daaraan ten grondslag liggende discussie tussen partijen over het recht op tewerkstelling van [eisende partij] /HFT.

Dit alles leidt ertoe dat de vordering wordt afgewezen.

Vordering 3: informatievordering/verstrekken informatie

Gedaagden hebben bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering, omdat deze naar hun mening in strijd is met de goede procesorde. Eisers hebben namelijk niet op voorhand duidelijk gemaakt op grond waarvan deze vordering wordt ingesteld, zodat zij zich daartegen niet behoorlijk hebben kunnen verweren.

Eisers hebben tijdens de mondelinge behandeling een toelichting gegeven op deze eisvermeerdering, maar deze is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet erg helder. In eerste instantie werd als grondslag voor de vordering genoemd het feit dat HFT/ [eisende partij] de administratie nodig heeft om vragen te kunnen stellen aan de deskundige in het kader van het vaststellen van de koopprijs van de aandelen van HFT. Daarna is als grondslag genoemd dat HFT als bestuurder de administratie nodig heeft in verband met mogelijke aansprakelijkstellingen op grond van artikel 2:9 en 2:248 BW. Vervolgens hebben zij nog aangevoerd dat HFT als bestuurder een bewaarplicht heeft.

Gelet op de onduidelijkheid van de grondslag van de vordering zijn gedaagden naar het oordeel van de voorzieningenrechter in hun verdediging geschaad doordat eisers de grondslag niet op voorhand aan gedaagden kenbaar hebben gemaakt. Dat leidt ertoe dat hun bezwaar tegen de eiswijziging gegrond wordt verklaard. De voorzieningenrechter zal deze dus buiten beschouwing laten.

Proceskosten

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor verhoogde proceskostenveroordeling zoals gedaagden hebben gevraagd. Eisers zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom (hoofdelijk) de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van gedaagden worden begroot op:

- griffierecht € 7.062,00

- salaris advocaat € 1.177,00

- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 8.428,00

6. De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de vorderingen af,

veroordeelt eisers hoofdelijk in de proceskosten van € 8.428,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,

verklaart voormelde kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand