[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
De minister van Infrastructuur en Waterstaat, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op het informatieverzoek van
9 maart 2025 op grond van de Wet open overheid (Woo) met betrekking tot het handhavingsverzoek van 18 december 2024. Het informatieverzoek ziet op de periode van 16 januari 2025 tot 9 maart 2025.
De minister heeft bij besluit van 28 augustus 2025 alsnog beslist op het informatieverzoek. Met toepassing van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen mede betrekking op het besluit van 28 augustus 2025.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Awb maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Niet in geschil is dat de beslistermijn voor het informatieverzoek was verstreken voordat eiser op 14 augustus 2025 beroep heeft ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen op het informatieverzoek voldoet aan de vereisten uit artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Dit brengt mee dat eiser rechtsgeldig beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank stelt vast dat de minister na het instellen van het beroep alsnog op 28 augustus 2025 een besluit heeft genomen.
Nu de minister alsnog beslist heeft op de aanvraag van eiser, ziet het belang van eiser in dit beroep nog enkel op de beoordeling van de door hem in het beroepschrift en in de brief van 30 oktober 2025 verzochte dwangsom van 100,- per dag (€ 8.700,- over de periode van 6 juni 2025 tot en met 1 september 2025) vanwege het te laat beslissen door de minister.
Eiser heeft de rechtbank verzocht om de verschuldigde dwangsom vast te stellen. Uit artikel 8.2 van de Woo volgt dat de dwangsomregeling van artikel 4:17 van de Awb niet van toepassing is op besluiten op grond van de Woo. De rechtbank kan daarom geen dwangsom vaststellen en de minister is geen dwangsom aan eiser verschuldigd. Het beroep van eiser is daarom ongegrond.
Bij brief van 28 oktober 2025 heeft de rechtbank aan eiser gevraagd of hij het al dan niet eens is met de alsnog genomen beslissing van de minister.
Eiser heeft bij brief van 30 oktober 2025 en 10 november 2025 laten weten dat hij de zaak wil handhaven.
De rechtbank begrijpt dat eiser het niet eens is met het besluit van 28 augustus 2025. Aangezien de inhoudelijke standpunten van partijen nog onvoldoende tussen de minister en eiser zijn uitgesproken, ziet de rechtbank aanleiding het beroep voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit van 28 augustus 2025 te verwijzen naar de minister ter behandeling als bezwaar.
Dit betekent dat de rechtbank het beroepschrift als bezwaarschrift zal doorzenden aan de minister onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender. Nu dit beroep reeds in het bezit is van de minister zal de rechtbank het beroepschrift niet opnieuw toezenden en volstaan met deze mededeling.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is kennelijk ongegrond. Omdat het besluit genomen is na het instellen van het beroep moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 4 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.