RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-075787-24 en 02-290735-22 (tul)
vonnis van de meervoudige kamer van 5 februari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] (Ghana)
verblijvende [adres] ,
thans gedetineerd in PI [locatie] ,
raadsvrouw mr. B. van der Werf, advocaat te Breda.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 januari 2026, waarbij de officier van justitie, mr. I.M. Peters, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte behulpzaam is geweest bij de diefstal met geweld in vereniging van de auto van [benadeelde] .
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte medeplichtig is geweest aan de gewapende overval.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is met de officier van justitie van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het tenlastegelegde feit.
Het oordeel van de rechtbank
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De rechtbank dient te beoordelen of verdachte als medeplichtige van de gewapende overval kan worden aangemerkt.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 2 december 2014 (ECLI:NL:2014:3474) overwogen dat in het geval van medeplegen sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Bij de vorming van het oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Voor een bewezenverklaring van medeplegen is voorts vereist dat de verdachte niet alleen opzet had op de samenwerking met een medepleger, maar ook opzet had op het gronddelict.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier niet is vast te stellen dat verdachte opzet heeft gehad op het gronddelict. Dit betekent dat verdachte van het ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken.
5. De benadeelde partij
De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 2.009,13 voor
het ten laste gelegde feit, bestaande uit € 1.509,13 materiële schade en € 500,-—
immateriële schade. Tevens wordt de wettelijke rente gevorderd en wordt verzocht de
schadevergoedingsmaatregel toe te passen.
Verdachte zal worden vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.
De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
6. De vordering tot tenuitvoerlegging
Nu verdachte wordt vrijgesproken, dient de vordering tot tenuitvoerlegging te worden afgewezen.
7. De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde feit;
Vordering tenuitvoerlegging
- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af;
Benadeelde partij
- verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering;
- veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde] in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, mr. W. Toekoen en mr. K. Verschueren, rechters, in tegenwoordigheid van R. Rozendaal, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 februari 2026.