RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448070 / JE RK 26-812
Datum uitspraak: 18 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2019 te [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat mr. W.H.P. de Jongh te Roosendaal,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2],
advocaat mr. C.F.A. Cadot te Roosendaal.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 mei 2026;
de op 13 mei 2026 van de GI ontvangen aanbiedingsbrief met 2 bijlagen;
de op 3 juni 2026 ontvangen brief van mr. De Jongh;
de op 12 juni 2026 ontvangen brief van mr. Cadot met 3 bijlagen.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader bijgestaan door mr. Cadot;
- de moeder bijgestaan door mr. M.T.E. Kranenburg, waarnemend voor
mr. De Jongh;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
2. De feiten
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige]. Zij verblijft bij de moeder.
Bij beschikking van 23 juni 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 23 juni 2025 tot 23 juni 2026.
Bij deze rechtbank is tevens een bodemprocedure lopende over het hoofdverblijf en over de zorgregeling (zaaknummer C/02/433416 / FA RK 25-1522). Die zaak staat 13 oktober 2026 pro forma, in afwachting van bericht van de GI en de advocaten van ouders.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar, dit met een toetsingsmoment na een half jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI legt aan haar verzoek het volgende ten grondslag. Er is sprake van een langdurige en complexe echtscheidingsproblematiek. De communicatie tussen de ouders verloopt structureel moeizaam en wordt gekenmerkt door wantrouwen en conflicten, waardoor zij onvoldoende in staat zijn om gezamenlijk en in het belang van [minderjarige] op te treden. Binnen de ondertoezichtstelling is ingezet op het verminderen van het loyaliteitsconflict van [minderjarige] en het verbeteren van de samenwerking en communicatie tussen de ouders. Uit de evaluatie blijkt dat deze doelen onvoldoende zijn behaald. [minderjarige] wordt nog steeds belast met onderlinge spanningen tussen de ouders en volwassenproblematiek. Beide ouders zijn niet in staat om [minderjarige] de emotionele toestemming te geven voor contact met de andere ouder. Wel verblijft [minderjarige] conform een co-ouderschapsregeling bij beide ouders. Gerichte hulpverlening voor ouders kon nog niet volledig worden ingezet, omdat de psychodiagnostische onderzoeken (PDO’s) van beide ouders niet waren afgerond. Inmiddels is dat wel het geval, maar het rapport van de moeder is pas zeer recent gereed gekomen. De GI heeft dat rapport vandaag ontvangen, maar nog niet kunnen inzien. Op basis van de resultaten van die onderzoeken gaat de GI kijken welke extra hulpverlening mogelijk is.
Voor [minderjarige] acht de GI de inzet van speltherapie noodzakelijk. Zo’n therapie zal [minderjarige] leren helpen om om te gaan met de situatie tussen haar ouders en zal haar emotionele ondersteuning bieden. De speltherapie zal zeer binnenkort worden ingezet door [hulpverlening].
Concluderend acht de GI de ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] nog onverminderd aanwezig. De GI handhaaft haar verzoek voor een verlenging van de maatregel met een jaar, bij voorkeur met een toetsingsmoment na een half jaar.
Door en namens de moeder is, voor zover van belang, het volgende naar voren gebracht. De communicatie vanuit de moeder richting de vader is beperkt tot het hoogst noodzakelijke. Dit heeft zijn reden, omdat het de vader niet lukt om met respect tegen haar te communiceren. Het op de moeder betrekking hebbende PDO is onlangs gereedgekomen. Het rapport van dat onderzoek is vandaag gedeeld met de GI. Gezien de inhoud van dat rapport kan de moeder zich voorstellen dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd. Met name voor [minderjarige] acht de moeder dat ook van belang, omdat zij zich over haar zorgen maakt. Gelet op het gedrag dat [minderjarige] laat zien en haar uitlatingen acht de moeder het van belang dat zij een kinderpsycholoog als vertrouwenspersoon zal krijgen waar zij in gesprekken in vertrouwen alles kwijt kan wat zij kwijt wil. De zorgregeling, zijnde een co-ouderschapsregeling, wordt nagekomen.
Door en namens de vader is, zover van belang, het volgende naar voren gebracht. [minderjarige] heeft zich in het afgelopen jaar goed ontwikkeld. Haar sociale karakter wordt steeds meer zichtbaar. Dit neemt volgens de vader niet weg dat hij nog een voortdurende zorg ziet. Zo is in de oudercommunicatie nog geen enkele verbetering te zien. [minderjarige] krijgt daardoor de spanningen die daaruit voortkomen mee. De vader vindt de informatie die hij van de moeder krijgt te summier. Daarbij blijft hij voor de toekomst de vrees houden [minderjarige] (wederom) kwijt te raken en door de moeder opnieuw te worden beschuldigd van seksueel misbruik van [minderjarige]. Wat de ondertoezichtstelling betreft betreurt de vader dat de GI hem onterecht beticht van onvoldoende medewerking. Volgende week heeft de vader met de GI een bemiddelingsgesprek. De vader hoopt daarna op een positieve manier met de GI verder te kunnen. Uit zijn PDO is in elk geval voortgekomen dat hij geen stoornis heeft. Daarvoor wordt ook verwezen naar de brief, met bijlagen, die de advocaat aan de kinderrechter heeft gestuurd. Wel is uit het onderzoek naar voren gekomen dat de ouders zich in een vicieuze cirkel bevinden waar zijzelf niet uitkomen. Met het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling, met het liefst een toetsmoment na een half jaar, is de vader het daarom eens.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Hij overweegt hierbij dat uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt, dat de ouders nog steeds niet in staat zijn om voldoende samen te werken en goed met elkaar te communiceren over [minderjarige]. Zij wordt nog altijd belast met de onderlinge spanningen tussen de ouders en de volwassenproblematiek, waardoor zij in haar sociaalemotionele en identiteitsontwikkeling ernstig wordt bedreigd. Nu die ontwikkelingen, mede gelet op de langdurige en hevige ouderstrijd, onder druk staan, maakt de kinderrechter zich met de GI zorgen in hoeverre [minderjarige] zich in dat opzicht positief zal kunnen ontwikkelen en acht ook hij PMT voor haar aangewezen. Daarnaast is gebleken dat de GI op basis van de verrichte PDO’s gaat bekijken wat voor de ouders specifiek nog nodig is. De kinderrechter ondersteunt deze koers van de GI.
Omdat, mede gezien de heftigheid van de ouderstrijd, verwacht mag worden dat de ouders nog niet in staat zijn om voor de gerezen problematiek op eigen kracht in het vrijwillig kader verder te kunnen, wordt een maatregel binnen een gedwongen kader nog steeds noodzakelijk geacht. Een derde als regiehouder is dan ook nog steeds nodig. Nu voldaan wordt aan de wettelijke vereisten voor toewijzing van het verzoek, zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengen om de ingezette en in te gaan zetten hulpverlening te waarborgen. Daarmee zal nog flinke tijd zijn gemoeid. Gelet op het voorgaande acht kinderrechter onvoldoende aanleiding voor een tussentijds toetsmoment. Voor wat de GI te doen staat vergt de nodige tijd, zeker nu de rapportages betreffende beide PDO’s door de GI nog moeten worden bestudeerd om vervolgens een plan van aanpak te kunnen maken. Ook de implementatie van zo’n van plan van aanpak zal de nodige tijd vergen. Het verzoek zal daarom worden toegewezen voor de duur van een jaar. De kinderrechter spreekt hierbij de hoop uit dat de ouders hieraan hun medewerking zullen (blijven) geven en dat zij ten aanzien van de gerezen problematiek beiden ook naar hun eigen aandeel zullen blijven kijken en niet enkel naar wat de ander ‘fout’ zou doen. Dat zijn zij ten aanzien van hun dochter [minderjarige] verplicht. [minderjarige] verdient dat! Uiteindelijk ligt de verantwoordelijk, en daarmee ook de sleutel, om in het belang van [minderjarige], in het vrijwillig kader, verder te kunnen bij beide ouders.
De kinderrechter wil afsluiten met positieve punten die er ook wel zijn. Zo zijn de ouders nog steeds in staat zijn om uitvoering te geven aan de bestaande zorgregeling. [minderjarige] beleeft, ondanks de geuite zorgen, plezier aan het verblijf bij zowel de vader als de moeder. Ook voorzien de ouders elkaar van informatie over [minderjarige].
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals door de GI is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 23 juni 2026 tot 23 juni 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 26 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.