RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer / rekestnummer: 12125922 \ AZ VERZ 26-10
Beschikking van 21 juli 2026
in de zaak van
[werknemer] ,
te [plaats 1] (België),
verzoekende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. M. IJzelenberg,
tegen
[werkgever] B.V.,
te [plaats 2] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. S.B. Piekaar-Bouthoorn.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift
- de mondelinge behandeling van 23 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Na het sluiten van de mondelinge behandeling is beschikking bepaald op vandaag.
2. De feiten
[werknemer] , geboren [datum] 1986, is per 1 augustus 2025 in dienst getreden van [werkgever] in de functie van Teamleader met een loon van € 5.458,34 bruto per maand inclusief 13e maand en 8% vakantietoeslag.
[werknemer] was via een uitzend-/detacheringsbureau eerder werkzaam voor [werkgever] vanaf 5 augustus 2024 tot en met 31 juli 2025.
[werkgever] is actief als logistiek dienstverlener.
Bij brief van 23 januari 2026 heeft [werkgever] [werknemer] om uitleg gevraagd over het volgende. [werkgever] is benaderd door een hotel te [plaats 3] , met het verzoek om contactgegevens door te geven zodat zij facturen kan verzenden naar [werkgever] in verband met het verblijf van [werknemer] in het hotel. [werkgever] is hiermee niet bekend. Daarnaast lijkt het volgens [werkgever] erop dat in dat geval [werknemer] onterecht een hogere reiskostenvergoeding heeft ontvangen. [werknemer] heeft hier niet op gereageerd.
[werknemer] heeft zich op 28 januari 2026 ziek gemeld.
Bij brief van 28 januari 2026 is [werknemer] op staande voet ontslagen. [werkgever] heeft daarin onder andere aangevoerd dat gebleken is dat [werknemer] sinds november 2025 in een hotel verbleef te [plaats 3] . Dat hotel heeft contact opgenomen met [werkgever] , omdat [werknemer] heeft medegedeeld dat [werkgever] de verblijfskosten zou betalen. Deze afspraak is nimmer gemaakt. Daarnaast ontvangt [werknemer] reiskosten terwijl [werknemer] ergens anders verblijft dan zijn opgegeven woonadres. [werknemer] maakt daardoor minder reiskosten. [werknemer] heeft deze wijziging niet medegedeeld aan [werkgever] . Als derde reden heeft [werkgever] aangevoerd dat [werknemer] een aanzienlijke som geld heeft geleend van een collega. Deze collega is een ondergeschikte van [werknemer] . Deze gedragingen hebben, ook ieder voor zich, volgens [werkgever] een vertrouwensbreuk veroorzaakt die een ontslag op staande voet rechtvaardigen.
3. Het verzoek en het verweer
[werknemer] verzoekt, na vermindering van haar verzoek op de mondelinge behandeling, de kantonrechter om [werkgever] te veroordelen tot betaling van
€ 32.830,26 bruto wegens billijke vergoeding, te vermeerderen met rente en onder verschaffing van een bruto-netto specificatie,
€ 2.703,51 bruto wegens transitievergoeding, te vermeerderen met rente en onder verschaffing van een bruto-netto specificatie,
€ 5.458,34 bruto wegens onregelmatige opzegging, te vermeerderen met rente en onder verschaffing van een bruto-netto specificatie.
Daarnaast verzoekt [werknemer] [werkgever] te veroordelen in de proceskosten.
Volgens [werknemer] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig verleend. [werknemer] is in financiële problemen geraakt waardoor hij zijn appartement in [plaats 1] niet langer kon betalen. [werknemer] is vervolgens tijdelijk in een hotel gaan wonen. [werknemer] betwist dat hij aan het hotel heeft medegedeeld dat de facturen door [werkgever] zouden worden betaald. [werknemer] heeft aan het hotel medegedeeld dat [werkgever] de verblijfskosten aan [werknemer] zou vergoeden. [werknemer] heeft deze onjuiste informatie gedeeld zodat hij meer tijd had om de hotelkosten te betalen. [werknemer] wilde [werkgever] hiermee niet in een kwaad daglicht plaatsen. [werknemer] heeft er verder niet bij stilgestaan dat hij tijdelijk dichter bij het werk verbleef en mogelijk geen recht zou hebben op de reiskostenvergoeding. [werknemer] heeft inderdaad geld geleend van een collega die tevens een vriend is van [werknemer] . Het voorgaande levert echter geen dringende reden op voor een ontslag op staande voet. Ook is het ontslag niet onverwijld verleend, gelet op de eerdere brief van [werkgever] van 23 januari 2026. [werknemer] maakt aanspraak op een billijke vergoeding gelijk aan gemist loon tot de overeengekomen einddatum van de arbeidsovereenkomst zijnde 31 juli 2026. Inclusief vakantietoeslag en een vergoeding wegens een lagere transitievergoeding, bedraagt deze vergoeding € 32.830,26 bruto. Aangezien de arbeidsovereenkomst tot en met 28 januari 2026 heeft geduurd, maakt [werknemer] aanspraak op de transitievergoeding gerekend tot die datum, zijnde € 2.703,51 bruto. Ook maakt [werknemer] aanspraak op de gefixeerde schadevergoeding van een maand en die bedraagt € 5.458,34 bruto.
[werkgever] voert verweer en voert aan dat [werknemer] zonder toestemming de goede naam en positie van [werkgever] heeft gebruikt om het hotel daarmee voor de gek te houden. [werknemer] heeft geheel onterecht aan het hotel medegedeeld dat zijn werkgever de facturen van zijn verblijfkosten zal voldoen. [werknemer] heeft daarmee de goede naam van [werkgever] aangetast. Ook heeft [werknemer] lange tijd informatie over zijn woonadres achtergehouden en daardoor een te hoog bedrag aan reiskostenvergoeding ontvangen. Het verschil bedraagt ruim 40 kilometer enkele reis. Deze handelswijze is onacceptabel. Daarnaast heeft [werkgever] [werknemer] meerdere keren hulp aangeboden met betrekking tot zijn financiële situatie. Dit heeft [werknemer] telkens afgewezen. Vervolgens is gebleken dat [werknemer] een aanzienlijk geldbedrag heeft geleend van een ondergeschikte collega. In zijn leidinggevende functie heeft [werknemer] een voorbeeldrol en zijn hiërarchische positie tot zijn team mag hij niet gebruiken dan wel misbruiken voor eigen gewin.
4. De beoordeling
Het gaat in deze zaak om de vraag of aan [werknemer] een rechtsgeldig ontslag op staande voet is verleend. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is. Hierna wordt uitgelegd hoe tot dit oordeel is gekomen.
De kantonrechter volgt [werkgever] niet in haar stelling dat [werknemer] met zijn handelen de goede naam van [werkgever] heeft geschaad en [werkgever] daarmee heeft benadeeld. Niet is gebleken dat [werkgever] door het handelen van [werknemer] nadeel zal ondervinden. Na het contact van het hotel met [werkgever] is het het hotel duidelijk geworden dat [werknemer] haar had voorgelogen en dat [werknemer] verantwoordelijk is voor betaling van de hotelkosten. Het hotel geeft in dit verband zelf ook aan dat zij geen opdracht heeft gehad van [werkgever] , maar van [werknemer] . Het hotel heeft verder geen stappen ondernomen tegen [werkgever] . Het handelen van [werknemer] is niet netjes geweest richting het hotel, maar levert geen dringende reden voor een ontslag op staande voet op.
[werknemer] heeft meerdere maanden een te hoge reiskostenvergoeding ontvangen, omdat hij dichter bij het werk verbleef. De reiskostenvergoeding bedroeg maandelijks € 330,00 netto. [werknemer] heeft [werkgever] hierover niet geïnformeerd. Ook als [werknemer] dit was vergeten door te geven aan [werkgever] , pleit hem dat nog niet vrij. [werknemer] verbleef namelijk vanaf november 2025 op een ander adres. Dat [werknemer] in de veronderstelling was dat dit tijdelijk was kan de kantonrechter volgen. Het verblijf in het hotel heeft meer dan een maand geduurd. [werknemer] had beter moeten weten en [werkgever] hiervan op de hoogte moeten brengen. Het handelen van [werknemer] is verwijtbaar maar levert geen dringende reden voor ontslag op. [werkgever] had voor een minder vergaande sanctie kunnen kiezen, zoals een officiële waarschuwing.
[werknemer] heeft geld geleend van een collega. Op de mondelinge behandeling heeft [werkgever] aangevoerd dat [werknemer] het geld nog steeds niet heeft terugbetaald. Het handelen van [werknemer] is verwijtbaar. [werknemer] heeft namelijk een leidinggevende functie en door geld te lenen van een ondergeschikte zet hij die arbeidsverhouding onder druk. [werknemer] had een voorbeeldfunctie en hij had beter moeten weten. Dit levert echter geen dringende reden op voor een ontslag op staande voet. [werkgever] had voor een minder vergaande sanctie kunnen kiezen, zoals een officiële waarschuwing, een verbetertraject dan wel een verzoek kunnen indienen bij de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst te laten ontbinden.
Samengevat had [werkgever] voor een minder vergaande maatregel dienen te kiezen in plaats van een ontslag op staande voet. Die maatregel was gelet op de omstandigheden te vergaand. Het ontslag op staande voet is om die reden niet rechtsgeldig verleend.
Billijke vergoeding
Het verzoek van [werknemer] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
De kantonrechter zal een billijke vergoeding toekennen van € 10.916,68 bruto gelijk aan twee maanden loon. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen. Gelet op het handelen van [werknemer] is de arbeidsverhouding met [werkgever] verstoord geraakt. Dit is [werknemer] te verwijten. Indien [werkgever] ervoor had gekozen om een verzoek in te dienen bij de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, had de arbeidsovereenkomst nog ongeveer drie maanden voortgeduurd. De kantonrechter ziet verder aanleiding om de gefixeerde schadevergoeding hierop in mindering te brengen en komt daardoor uit op een vergoeding gelijk aan twee maandlonen.
[werkgever] zal dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 10.916,68 bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
Ook de gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn, te weten € 5.458,34 bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 28 januari 2026.
Transitievergoeding
Het verzoek om [werkgever] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens toegewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Een dringende reden valt niet zonder meer samen met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werknemer. Maar bij gebreke van een dringende reden en gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is er geen grond om te oordelen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [werknemer] . Dat betekent dat de transitievergoeding verschuldigd is. [werkgever] wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding, die € 2.848,80 bruto bedraagt. Deze vergoeding is berekend over de periode 5 augustus 2024 tot en met 28 februari 2026, omdat bij regelmatige opzegging de arbeidsovereenkomst tot en met 28 februari 2026 had geduurd.
Proceskosten
De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] , omdat [werkgever] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [werkgever] . De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 1.274,00 (€ 265,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een billijke vergoeding te betalen van € 10.916,68 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 5.458,34 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 28 januari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een transitievergoeding te betalen van € 2.848,80 bruto,
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.274,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Dam en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.