ECLI:NL:RBZWB:2026:669

ECLI:NL:RBZWB:2026:669

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 05-02-2026
Datum publicatie 05-02-2026
Zaaknummer 02-058913-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Veroordeling voor openlijke geweldpleging, met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. Oplegging 120 uren taakstraf in combinatie met 61 dagen gevangenisstraf, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met bijzondere voorwaarden. Daarnaast een veroordeling tot betaling van een schadevergoeding van € 14.915,80 aan het slachtoffer.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-058913-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 5 februari 2026

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 2006 in [geboorteplaats 1] ,

verblijvende op het adres [adres] ,

raadsman mr. B.G.M. Frencken, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. Y.E.Y. Vermeulen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] (hierna: de medeverdachte) met parketnummer 02-058911-25.

Overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) heeft de politierechter de zaak naar deze kamer verwezen.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 Sv. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op

18 april 2024 in [plaats] openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), met zwaar, of in elk geval enig, lichamelijk letsel tot gevolg.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde openlijke geweldpleging. Volgens de officier van justitie kan verdachte echter niet verantwoordelijk worden gehouden voor zwaar of enig lichamelijk letsel bij [slachtoffer] ten gevolge van die openlijke geweldpleging.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging voert voor wat betreft het bewijs aan dat verdachte [slachtoffer] niet heeft geschopt. Verdachte bekent dat hij [slachtoffer] heeft geslagen. Ook heeft de verdediging aangevoerd dat het zwaar lichamelijk letsel niet aan verdachte kan worden toegerekend.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feiten en omstandigheden

Op 18 april 2024 omstreeks 16.00 uur fietst [slachtoffer] in [plaats] over de brug van de Kraaivenstraat richting de Doctor Deelenlaan. Hij passeert vervolgens verdachte, de medeverdachte en de toenmalig vriendin van de medeverdachte, die naast elkaar over het fietspad lopen. Nadat [slachtoffer] is gepasseerd, gooit de medeverdachte een aansteker in de richting van [slachtoffer] . [slachtoffer] merkt dit, stapt van zijn fiets af en belt op enig moment de politie. Terwijl [slachtoffer] de politie belt, willen verdachte en de medeverdachte weglopen. [slachtoffer] probeert dit te voorkomen en maakt hierbij fysiek contact met verdachte, door verdachte met zijn handen en elleboog tegen te houden, te duwen en tegen hem aan te lopen. Vervolgens slaat de medeverdachte [slachtoffer] in het gezicht en delen zowel verdachte als de medeverdachte daarna meerdere klappen uit aan [slachtoffer] . [slachtoffer] valt op de grond.

Uit de verklaringen van [slachtoffer] en een voorbijganger, getuige [getuige] , welke verklaring de rechtbank als betrouwbaar aanmerkt, volgt dat verdachte en de medeverdachte [slachtoffer] schoppen als hij op de grond ligt. [slachtoffer] ziet dat de persoon die hem als eerste slaat met het rechter been uithaalt en hem met kracht tegen zijn knie schopt. Nu het de medeverdachte was die [slachtoffer] als eerste sloeg, gaat de rechtbank ervan uit dat het de medeverdachte is die de schop tegen de knie geeft.

[slachtoffer] loopt lichamelijk letsel op, onder meer kneuzingen in het gezicht, twee gebroken tanden, een scheef neustussenschot en letsel aan de voorste kruisband van de linker knie. Dit letsel past bij de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige] over het slaan en schoppen door verdachten.

Openlijke geweldpleging

De rechtbank acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging als bedoeld in artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Hij heeft immers een wezenlijke en significante bijdrage geleverd aan het geweld dat hij op de openbare weg samen met de medeverdachte tegen [slachtoffer] heeft gepleegd. Deze bijdrage bestaat uit het slaan en schoppen van [slachtoffer] .

Niet verantwoordelijk voor zwaar of enig lichamelijk letsel

Uit de bewijsmiddelen kan de rechtbank niet afleiden of de specifieke geweldshandelingen van verdachte hebben geleid tot lichamelijk letsel bij [slachtoffer] en evenmin welk concreet letsel aan verdachte zou zijn toe te schrijven. Met de officier van justitie en in lijn met vaste jurisprudentie is de rechtbank van oordeel dat verdachte daarom niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor het lichamelijk letsel dat [slachtoffer] als gevolg van de openlijke geweldpleging heeft opgelopen. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van stafverzwarende omstandigheden uit artikel 141, tweede lid, Sr.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 18 april 2024 te [plaats] , op de Dr. Deelenlaan, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , welk in vereniging gepleegd geweld bestond uit het slaan en schoppen tegen die persoon.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte zich noodzakelijk heeft moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] . Ter onderbouwing van deze stelling wordt naar voren gebracht dat verdachte en de medeverdachte de confrontatie niet bewust hebben opgezocht, maar dat het gooien van de aansteker een reactie was op het door [slachtoffer] (aan)raken van de toenmalig vriendin van de medeverdachte. Vervolgens probeert [slachtoffer] verdachte en de medeverdachte tegen te houden als zij willen weglopen, waarbij hij langere tijd achter hen aanloopt en het allereerste fysieke contact vanuit hem komt richting verdachte. Verdachte mocht zich volgens verdediging tegen dit fysiek handelen verweren. Hij heeft eerst geprobeerd om weg te lopen, maar [slachtoffer] kwam telkens weer achter hem aanlopen en maakte contact en duwde verdachte daarbij ook, onder andere met zijn elleboog. Verdachte voelde zich daar, mede gelet op zijn belast verleden met tegen hem gebruikt geweld en het feit dat hij kort daarvoor was aangevallen met een mes, niet prettig bij en voelde zich genoodzaakt om te reageren. De verdediging concludeert daarom dat sprake is van een situatie van noodweer of noodweerexces en dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat er voor verdachte andere keuzes waren dan het toepassen van geweld, waardoor er niet van een noodweersituatie kan worden sproken.

Het oordeel van de rechtbank

Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees of angst voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd, zodanig bedreigend zijn voor verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 Sr.

De rechtbank heeft onder 4.3 vastgesteld dat verdachte en de medeverdachte willen weglopen van [slachtoffer] , maar dat [slachtoffer] dit probeert te voorkomen en hierbij op verschillende manieren fysiek contact maakt met verdachte. Daargelaten of dit handelen van [slachtoffer] als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding valt aan te merken, hadden verdachte en de medeverdachte naar het oordeel van de rechtbank de mogelijkheid om weg te lopen of rennen van [slachtoffer] en kon dit in redelijkheid ook van hen worden gevergd. Verdachten waren eerder wel al doorgelopen, maar toen [slachtoffer] hen achterna liep en hij fysiek contact maakte met de medeverdachte, hadden zowel verdachte als de medeverdachte de gelegenheid om zich aan de situatie te onttrekken en weg te lopen of te rennen. Er was ter plaatse wel een hek, maar er was voldoende ruimte voor zowel verdachte als de medeverdachte om bij [slachtoffer] weg te komen. Ook was het fysieke contact van [slachtoffer] niet zodanig dat dit maakte dat weglopen of -rennen geen reëel alternatief was. Dat verdachte een belast verleden heeft en eerder was bedreigd met een mes, maakt niet dat van hem niet gevergd kon worden om uit de situatie weg te gaan. Er bestond vanwege deze mogelijkheid om zich aan de situatie te onttrekken geen noodzaak tot verdediging, waardoor er geen sprake is van noodweer. Het beroep daarop slaagt niet.

Omdat verdachte niet heeft gehandeld uit noodweer, aangezien er geen noodzaak tot verdediging bestond, wordt niet toegekomen aan het beroep op noodweerexces.

Er zijn andere geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, met een proeftijd van twee jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, met uitzondering van het contactverbod. Daarnaast vordert de officier van justitie de oplegging van een taakstraf van 160 uren, bij niet voltooiing te vervangen door 80 dagen hechtenis.

Tot slot vordert de officier van justitie de oplegging van een maatregel op grond van artikel 38v Sr, inhoudende een contactverbod met betrekking tot [slachtoffer] , voor een periode van twee jaar, waarbij per overtreding twee weken hechtenis kan worden opgelegd, met een maximum van zes maanden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank verdachte geen gevangenisstraf op te leggen, maar een deels voorwaardelijke taakstraf, zodat reclasseringsinterventies kunnen worden ingezet.

Het oordeel van de rechtbank

De aard en ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Met dit gewelddadig handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . De impact daarvan is voor [slachtoffer] en zijn naasten groot, zo blijkt uit informatie over het opgelopen lichamelijk letsel en zijn slachtofferverklaring. Het gewelddadig handelen vond bovendien plaats op de openbare weg en is ook waargenomen door omstanders, waarmee het voorstelbaar is dat dit heeft geleid tot gevoelens van onveiligheid bij deze omstanders. Verdachte heeft bij dit alles kennelijk niet stilgestaan of dit op de koop toegenomen.

De rechtbank weegt in het kader van de strafmaat de aanleiding van de geweldpleging mee. Van belang daarbij is dat [slachtoffer] verdachte en de medeverdachte vanwege van een relatief geringe aanleiding – namelijk het gooien van een aansteker – gedurende een langere tijd en afstand is gevolgd op het moment dat zij wilden weglopen. Ook heeft [slachtoffer] verdachte geprobeerd fysiek tegen te houden. Verdachte en de medeverdachte hebben op dat moment niet zelf de verdere confrontatie gezocht. Dit spreekt in hun voordeel. De uiteindelijke reactie van verdachte en de medeverdachte valt echter op geen enkele manier goed te praten. Ze zijn de confrontatie niet meer uit de weg gegaan, maar [slachtoffer] gaan slaan en hebben [slachtoffer] zelfs nog geschopt, terwijl hij al op de grond lag.

De persoon van de verdachte

Uit het strafblad van verdachte van 5 januari 2026 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict. Er is dus geen sprake van recidive.

Ook heeft de rechtbank kennis genomen van reclasseringsadvies van 27 november 2025. Hieruit volgt dat het recidiverisico niet door de reclassering kan worden ingeschat, omdat de reclassering verdachte ondanks verschillende pogingen niet heeft gesproken en er slechts beperkt informatie over hem beschikbaar is. De grootste risicofactoren zijn het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats, het gemis van een steunend netwerk en agressieproblematiek. Op de praktische leefgebieden heeft de reclassering geen zicht. Na de openlijke geweldpleging op 18 april 2024 is verdachte nog meerdere keren in beeld gekomen bij politie en justitie. Dit in combinatie met de onstabiele leefsituatie van verdachte maakt dat de reclassering adviseert om verdachte bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijks straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie agressiebeheersing, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang en een contactverbod.

Ter zitting heeft verdachte spijt betuigd en enig inzicht getoond in de onjuistheid van zijn handelen. Hij is bereid om zich te houden aan de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Momenteel verblijft verdachte in [plaats] bij [zorginstelling 1] . Hij heeft een mentor en ontvangt sinds september/oktober 2025 begeleiding vanuit [zorginstelling 2] , eveneens in [plaats] . Volgens zijn begeleider is verdachte een kind van ouders met psychische problemen (KOPP-kind), heeft hij een lastige jeugd gehad en tot zijn achttiende gewoond in woongroepen. Conform het opgestelde plan van aanpak zal er met verdachte gezocht worden naar huisvesting en dagbesteding en zal er een Wajong- of Wlz-uitkering worden aangevraagd.

De op te leggen straf

Gelet op de aard en de ernst van het feit ziet de rechtbank aanleiding om een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen in combinatie met een taakstraf. Bij de bepaling van de duur hiervan heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor straftoemeting. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop sinds het bewezenverklaarde feit, de jonge leeftijd van verdachte ten tijde van dat feit, zijn houding ter zitting en zijn persoonlijke omstandigheden, waaruit volgt dat hij met hulp en begeleiding vanuit [zorginstelling 2] zijn leven op orde aan het krijgen is.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is een taakstraf voor de duur van 120 uren, bij niet voltooiing te vervangen door 60 dagen hechtenis. Dit in combinatie met een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

Deze voorwaardelijke straf en de bijbehorende bijzondere voorwaarden hebben tot doel om verdachte ervan te weerhouden zich wederom schuldig te maken aan een strafbaar feit en om hem verder te helpen een stabiel en delictvrij bestaan op te bouwen.

Het contactverbod wordt als bijzondere voorwaarde opgelegd, omdat [slachtoffer] hier waarde aan hecht. Naar het oordeel van de rechtbank biedt dit een voldoende stok achter de deur, temeer nu verdachte na het bewezenverklaarde feit geen contact heeft gezocht met [slachtoffer] . De door de officier van justitie gevorderde maatregel op grond van artikel 38v Sr acht de rechtbank dan ook niet noodzakelijk.

7. De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 29.700,56, bestaande uit € 17.200,56 aan materiële schade en € 12.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast verzoekt de benadeelde partij om vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten, nu hij zich laat bijstaan door mr. D. Marcus, advocaat te Goirle.

Primair betwist de verdediging het causaal verband tussen de door de benadeelde partij gestelde schade en het bewezenverklaarde feit. Dit geldt specifiek met betrekking tot het gestelde knieletsel, omdat de benadeelde partij mogelijk al eerder letsel aan zijn knie had. Volgens de verdediging moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Als de rechtbank toch overgaat tot (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering dan stelt de verdediging subsidiair dat verdachte niet aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het knieletsel, aangezien hij niet voor dat letsel verantwoordelijk kan worden gehouden.

Aansprakelijkheid verdachte

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd zoals weergegeven onder 4.4 en stelt vast dat verdachte de openlijke geweldpleging samen met de medeverdachte heeft begaan. Dit betekent dat verdachte en de medeverdachte onrechtmatig hebben gehandeld tegenover de benadeelde partij. Beiden zijn naar burgerlijk recht – op grond van artikel 6:166 van het Burgerlijk Wetboek (BW) – hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele schade van de benadeelde partij, voor zover deze rechtstreeks het gevolg is van de openlijke geweldpleging.

De vrijspraak van verdachte van de strafverzwarende omstandigheden uit artikel 141, tweede lid, Sr staat hier niet aan in de weg (ECLI:NL:HR:2020:17226).

Knieletsel

Anders dan de verdediging acht de rechtbank het voldoende onderbouwd dat het knieletsel van de benadeelde partij is veroorzaakt door de openlijke geweldpleging. De benadeelde partij meldde direct pijn aan zijn knie na de openlijke geweldpleging.

Materiële schade

De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 140,- voor beschadigde kleding en € 25,- voor telefoon-, kopieer- en portokosten. De rechtbank acht beide schadeposten geheel toewijsbaar. Deze schadeposten zijn een rechtstreeks gevolg van de openlijke geweldpleging en door de verdediging niet concreet betwist.

Daarnaast vordert de benadeelde partij een vergoeding van € 367,83 voor reiskosten, gebaseerd op € 0,28 per kilometer. De gestelde reiskosten voor het doen van aangifte en het vervoer naar de rechtbank van in totaal € 21,03 zijn niet rechtstreeks het gevolg van de openlijke geweldpleging en zijn evenmin kosten die zijn gemaakt ‘ter vaststelling van aansprakelijkheid of schade’. Deze reiskosten kunnen daarom niet als schade ten laste van verdachte worden gebracht. De rechtbank wijst de vordering voor dit deel af. Het overige deel van het gevorderde bedrag, zijnde € 346,80, bestaande uit reiskosten voor het bezoeken van artsen en behandelaars, wijst de rechtbank toe. Deze reiskosten zijn voldoende aannemelijk gemaakt en houden rechtstreeks verband met het bevorderen van het herstel van lichamelijk letsel dat door de openlijke geweldpleging bij de benadeelde partij is veroorzaakt.

De benadeelde partij vordert verder een vergoeding van € 3.855,29 voor medische kosten die niet door de ziektekostenverzekeraar zijn vergoed. De benadeelde partij heeft ervoor gekozen om tijdens zijn verblijf in Tunesië in mei 2024 een arts te zoeken, een MRI-onderzoek te laten uitvoeren en een kniebrace aan te schaffen. Dit zijn kosten die onder de dekking van de ziektekostenverzekering zouden vallen als de benadeelde partij deze in Nederland had gemaakt. Door deze kosten te maken in Tunesië heeft de benadeelde partij niet voldaan aan zijn schadebeperkingsplicht. De vordering wordt daarom afgewezen voor zover dit de in Tunesië gemaakte ziekenhuiskosten betreft à € 170,74. Daarnaast bevat de vordering als schadepost hogere jaarkosten voor de ziektekostenverzekering in 2025 en 2026. Het gaat daarbij om bedragen van € 851,19 en € 929,36. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor dat deel van de vordering niet-ontvankelijk, omdat onvoldoende is onderbouwd in hoeverre die verhoging het gevolg is van de openlijke geweldpleging. De overige gemaakte medische kosten die niet door de ziektekostenverzekeraar zijn vergoed, zijn door de benadeelde onderbouwd. Deze kosten zijn gemaakt in verband met het lichamelijk letsel dat door de openlijke geweldpleging bij de benadeelde partij is veroorzaakt en zijn dus een rechtstreeks gevolg van dat feit. De rechtbank acht de vordering voor een bedrag van € 1.904,- toewijsbaar.

Tot slot vordert de benadeelde partij een vergoeding van € 12.812,44, omdat zijn partner van 31 maart 2025 tot en met 31 juli 2025 onbetaald verlof heeft moeten opnemen om voor hun pasgeboren zoon te zorgen. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk, omdat onvoldoende is onderbouwd in hoeverre dit onbetaald verlof rechtstreeks verband houdt met de openlijke geweldpleging.

De rechtbank vermeerdert het totaal toe te wijzen materiële schadebedrag van € 2.415,80 met de wettelijke rente vanaf 1 december 2025 tot aan de dag der voldoening. Voor de aanvangsdatum van de wettelijke rente wordt aangesloten bij de datum waarop de nu aan de orde zijnde vordering is ingediend. De reden hiervoor is dat de gevorderde materiële schade is opgebouwd uit verschillende schadeposten die in de tijd door- en opliepen. Het voor de wettelijke rente aansluiten bij de concrete datum of data van ontstaan van deze schade, zoals gevorderd, is daarom niet handzaam.

Immateriële schade

De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 12.500,- voor door hem opgelopen lichamelijk letsel.

Uit de onderbouwing van het lichamelijk letsel blijkt onder meer dat er twee tanden zijn gebroken, dat er een operatie aan het neustussenschot is verricht en dat er een voorste kruisbandreconstructie aan de linkerknie heeft plaatsgevonden. Nu ruim anderhalf jaar na de openlijke geweldpleging heeft de benadeelde partij als gevolg van het lichamelijk letsel nog altijd te kampen met verschillende medische klachten en daaruit voortkomende beperkingen, zo blijkt uit de slachtofferverklaring van de benadeelde partij en de overgelegde medische informatie.

Gelet op de Rotterdamse schaal, de ernst van het lichamelijk letsel en de omstandigheid dat volledig herstel nog niet aan de orde is, acht de rechtbank het gevorderde bedrag aan immateriële schade billijk en dus geheel toewijsbaar.

De rechtbank vermeerdert het toe te wijzen immateriële schadebedrag van € 12.500,- met de wettelijke rente vanaf 18 april 2024, de datum waarop de openlijke geweldpleging plaatsvond, tot aan de dag der voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel op tot betaling van het totaal toegekende schadebedrag en de wettelijke rente. Dit betekent dat het Centraal Justitieel Incasso Bureau de inning verzorgt en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

Hoofdelijk

De rechtbank wijst de vordering – vermeerderd met de wettelijke rente – en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toe. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het toegekende schadebedrag door de medeverdachte is betaald en andersom.

Proceskosten

Ten aanzien van de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten overweegt de rechtbank dat een redelijke uitleg van artikel 532 Sv meebrengt dat bij de begroting van de daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. De rechtbank zoekt aansluiting bij het in Nederlandse civiele procedures voor proceskosten gebruikelijke liquidatietarief voor kantonzaken. Daarbij gaat de rechtbank uit van een salaris van € 406,- per punt, passend bij een vordering in de categorie € 10.000,- tot en met

€ 20.000,-. Voor de door advocaat mr. Marcus verrichte werkzaamheden worden twee punten gehanteerd, namelijk één voor het indienen van de vordering en één voor het bijwonen van de zitting. Op basis hiervan stelt de rechtbank de hoogte van de te vergoeden proceskosten vast op € 812,-.

De rechtbank stelt vast dat de zaak tegen verdachte en de zaak tegen de medeverdachte gelijktijdig zijn behandeld en dat namens de benadeelde partij slechts één vordering is opgesteld die in beide zaken is ingediend. Het indienen van de vordering en het bijwonen van de zitting zijn handelingen van mr. Marcus die dus feitelijk één keer zijn verricht. De rechtbank wijst daarom ook de vordering omtrent de proceskosten hoofdelijk toe.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* meldplicht bij reclassering

verdachte meldt zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering

Nederland op het adres Ringbaan West 275 in Tilburg. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

* gedragsinterventie agressiebeheersing

verdachte neemt actief deel aan de gedragsinterventie i-Respect of een andere gedragsinterventie die gericht is op agressiebeheersing. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;

* ambulante behandeling

indien een gedragsinterventie niet passend en/of ontoereikend blijkt, laat verdachte zich behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

* begeleid wonen of maatschappelijke opvang

indien de reclassering dit noodzakelijk acht, verblijft verdachte bij Unitio of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

* contactverbod

verdachte zal gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1983 in [geboorteplaats 2] ( [geboorteland] ). De politie ziet toe op de handhaving van dit contactverbod;

- de van rechtswege geldende voorwaarden daarbij zijn:

* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 14.915,80, waarvan € 2.415,80 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2025 tot aan de dag der voldoening, en € 12.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 april 2024 tot aan de dag der voldoening;

- wijst de vordering af voor een bedrag van € 191,77;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij voor rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 812,-;

- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer] , € 14.915,80 te betalen, waarvan € 2.415,80, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2025 tot aan de dag der voldoening, en € 12.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 april 2024 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 109 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.J. Kok, voorzitter, en mr. D.S.G. Froger-Zeeuwen en mr. R.H.M. Pooyé, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier,

en is uitgesproken ter de openbare zitting op 5 februari 2026.

Mr. Froger-Zeeuwen is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 18 april 2024 te [plaats] ,

op of aan de openbare weg, te weten de Dr. Deelenlaan, in elk geval

openlijk

in vereniging

geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] ,

welk in vereniging gepleegd geweld bestond uit het stompen, slaan

en/of schoppen tegen die persoon,

terwijl het door verdachte gepleegde geweld zwaar, in elk geval enig

lichamelijk letsel ten gevolge had;

(Art. 141 lid 1 en 2 van het Wetboek van Strafrecht)

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.M.J. Kok

Griffier

  • mr. S.A. Lemmens

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?