Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-058911-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 5 februari 2026
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 2006 in [geboorteplaats 1] ,
verblijvende op het adres [adres] ,
raadsman mr. Z. Yeral, advocaat te Roosendaal.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. Y.E.Y. Vermeulen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaak tegen medeverdachte [de medeverdachte] (hierna: de medeverdachte) met parketnummer 02-058913-25.
Overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) heeft de politierechter de zaak naar deze kamer verwezen.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 Sv. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op
18 april 2024 in Tilburg openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), met zwaar, of in elk geval enig, lichamelijk letsel tot gevolg.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde openlijke geweldpleging, met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. Het is verdachte die volgens de officier van justitie het zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] heeft toegebracht, door tegen de knie van [slachtoffer] te schoppen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging voert voor wat betreft het bewijs uitsluitend aan dat verdachte [slachtoffer] niet heeft geschopt. Verdachte bekent dat hij [slachtoffer] heeft geslagen.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feiten en omstandigheden
Op 18 april 2024 omstreeks 16.00 uur fietst [slachtoffer] in Tilburg over de brug van de Kraaivenstraat richting de Doctor Deelenlaan. Hij passeert vervolgens verdachte, de medeverdachte en de toenmalig vriendin van verdachte, die naast elkaar over het fietspad lopen. Nadat [slachtoffer] is gepasseerd, gooit verdachte een aansteker in de richting van [slachtoffer] . [slachtoffer] merkt dit, stapt van zijn fiets af en belt op enig moment de politie. Terwijl [slachtoffer] de politie belt, willen verdachte en de medeverdachte weglopen. [slachtoffer] probeert dit te voorkomen en maakt hierbij fysiek contact met de medeverdachte, door deze met zijn handen en elleboog tegen te houden, te duwen en tegen hem aan te lopen. Vervolgens slaat verdachte [slachtoffer] in het gezicht en delen zowel verdachte als de medeverdachte daarna meerdere klappen uit aan [slachtoffer] . [slachtoffer] valt op de grond.
Uit de verklaringen van [slachtoffer] en een voorbijganger, getuige [getuige] , welke verklaring de rechtbank als betrouwbaar aanmerkt, volgt dat verdachte en de medeverdachte [slachtoffer] schoppen als hij op de grond ligt. [slachtoffer] ziet dat de persoon die hem als eerste slaat met het rechter been uithaalt en hem met kracht tegen zijn knie schopt. Nu het verdachte was die [slachtoffer] als eerste sloeg, gaat de rechtbank ervan uit dat het verdachte is die de schop tegen de knie geeft.
[slachtoffer] loopt lichamelijk letsel op, onder meer kneuzingen in het gezicht, twee gebroken tanden, een scheef neustussenschot en letsel aan de voorste kruisband van de linker knie. Dit letsel past bij de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige] over het slaan en schoppen door verdachten.
Openlijke geweldpleging
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Hij heeft immers een wezenlijke en significante bijdrage geleverd aan het geweld dat hij op de openbare weg samen met de medeverdachte tegen [slachtoffer] heeft gepleegd. Deze bijdrage bestaat uit het slaan en schoppen van [slachtoffer] .
Zwaar lichamelijk letsel
Het letsel aan de linker knie van [slachtoffer] is naar het oordeel van de rechtbank als zwaar lichamelijk letsel aan te merken, gelet op de aard van dat letsel, de gebleken noodzaak om operatief in te grijpen middels een voorste kruisbandreconstructie en de nog altijd bestaande onduidelijkheid over uitzicht op (volledig) herstel.
De rechtbank is van oordeel dat dit letsel het gevolg is van de schop van verdachte tegen de knie van [slachtoffer] . Dit letsel past namelijk bij de verklaring van [slachtoffer] over wat hij na deze schop van verdachte voelde: “Ik voelde mijn knie draaien en ik voelde meteen een scherpe pijn.” De rechtbank acht het niet aannemelijk geworden dat sprake is van een andere oorzaak voor het ontstaan van dit letsel dan de schop van verdachte. Daar zijn geen aanwijzingen voor aanwezig in het dossier.
Conclusie
De rechtbank acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging, met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 18 april 2024 te Tilburg, op de Dr. Deelenlaan, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , welk in vereniging gepleegd geweld bestond uit het slaan en schoppen tegen die persoon, terwijl het door verdachte gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte zich noodzakelijk heeft moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] . Ter onderbouwing van deze stelling wordt naar voren gebracht dat verdachte en de medeverdachte de confrontatie niet bewust hebben opgezocht, maar dat het gooien van de aansteker een reactie was op het door [slachtoffer] (aan)raken van de billen van de toenmalig vriendin van verdachte. Vervolgens reageert [slachtoffer] in de ogen van de verdediging heftig op het gooien van die aansteker en probeert hij verdachte en de medeverdachte tegen te houden als zij willen weglopen, waarbij hij langere tijd achter hen aanloopt en fysiek wordt richting de medeverdachte. Omdat het verdachte en de medeverdachte niet lukte om weg te komen, was verdachte genoodzaakt om zich met geweld te verdedigen tegen [slachtoffer] . Dit is op een proportionele wijze gebeurd. De maakt volgens de verdediging dat sprake is van een noodweersituatie en dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat er voor verdachte andere keuzes waren dan het toepassen van geweld, waardoor er niet van een noodweersituatie kan worden sproken.
Het oordeel van de rechtbank
Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees of angst voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd, zodanig bedreigend zijn voor verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
De rechtbank heeft onder 4.3 vastgesteld dat verdachte en de medeverdachte willen weglopen van [slachtoffer] , maar dat [slachtoffer] dit probeert te voorkomen en hierbij op verschillende manieren fysiek contact maakt met de medeverdachte. Daargelaten of dit handelen van [slachtoffer] als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding valt aan te merken, hadden verdachte en de medeverdachte naar het oordeel van de rechtbank de mogelijkheid om weg te lopen of rennen van [slachtoffer] en kon dit in redelijkheid ook van hen worden gevergd. Verdachten waren eerder wel al doorgelopen, maar toen [slachtoffer] hen achterna liep en hij fysiek contact maakte met de medeverdachte, hadden zowel verdachte als de medeverdachte de gelegenheid om zich aan de situatie te onttrekken en weg te lopen of te rennen. Er was ter plaatse wel een hek, maar er was voldoende ruimte voor zowel verdachte als de medeverdachte om bij [slachtoffer] weg te komen. Ook was het fysieke contact van [slachtoffer] niet zodanig dat dit maakte dat weglopen of -rennen geen reëel alternatief was. Er bestond vanwege deze mogelijkheid om zich aan de situatie te onttrekken geen noodzaak tot verdediging, waardoor er geen sprake is van noodweer. Het beroep daarop slaagt niet.
Omdat verdachte niet heeft gehandeld uit noodweer, aangezien er geen noodzaak tot verdediging bestond, wordt niet toegekomen aan het beroep op noodweerexces.
Er zijn andere geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van drie maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Daarnaast vordert de officier van justitie de oplegging van een taakstraf van 180 uren, bij niet voltooiing te vervangen door 90 dagen hechtenis.
Tot slot vordert de officier van justitie de oplegging van een maatregel op grond van artikel 38v Sr, inhoudende een contactverbod met betrekking tot [slachtoffer] , voor een periode van twee jaar, waarbij per overtreding twee weken hechtenis kan worden opgelegd, met een maximum van zes maanden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Volgens de verdediging kan het taakstrafverbod gepasseerd worden.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging, met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. Met dit gewelddadig handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . De impact daarvan is voor [slachtoffer] en zijn naasten groot, zo blijkt uit informatie over het opgelopen lichamelijk letsel en zijn slachtofferverklaring. Het gewelddadig handelen vond bovendien plaats op de openbare weg en is ook waargenomen door omstanders, waarmee het voorstelbaar is dat dit heeft geleid tot gevoelens van onveiligheid bij deze omstanders. Verdachte heeft bij dit alles kennelijk niet stilgestaan of dit op de koop toegenomen.
De rechtbank weegt in het kader van de strafmaat de aanleiding van de geweldpleging mee. Van belang daarbij is dat [slachtoffer] verdachte en de medeverdachte vanwege van een relatief geringe aanleiding – namelijk het gooien van een aansteker – gedurende een langere tijd en afstand is gevolgd op het moment dat zij wilden weglopen. Ook heeft [slachtoffer] de medeverdachte geprobeerd fysiek tegen te houden. Verdachte en de medeverdachte hebben op dat moment niet zelf de verdere confrontatie gezocht. Dit spreekt in hun voordeel. De uiteindelijke reactie van verdachte en de medeverdachte valt echter op geen enkele manier goed te praten. Ze zijn de confrontatie niet meer uit de weg gegaan, maar [slachtoffer] gaan slaan en hebben [slachtoffer] zelfs nog geschopt, terwijl hij op de grond lag.
De persoon van de verdachte
Uit het strafblad van verdachte van 11 december 2025 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict. Er is dus geen sprake van recidive.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van reclasseringsadvies van 14 oktober 2025. Hieruit volgt dat de reclassering het recidiverisico bij verdachte inschat als gemiddeld tot hoog. De reclassering heeft verdachte ondanks verschillende pogingen niet gesproken, maar concludeert op basis van de beschikbare informatie dat er zorgen zijn op verschillende leefgebieden. De reclassering vindt het noodzakelijk om bij verdachte in te zetten op gedragsverandering en stabiliteit van de leefgebieden, om hem te begeleiden naar een zelfstandig en delictvrij bestaan. Daarom adviseert de reclassering om verdachte bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijks straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, dagbesteding, meewerken aan middelencontrole en ambulante begeleiding.
Ter zitting heeft verdachte spijt betuigd en enig inzicht getoond in de onjuistheid van zijn handelen. Hij is bereid om zich te houden aan de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Momenteel verblijft hij bij [zorgorganisatie] in Tilburg, waar hij ook hulp en ambulante begeleiding ontvangt. Volgens zijn begeleider gaat dit goed, worden er doelen gesteld, is er zicht op betaald werk en zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf funest zijn. Als verdachte langer dan zes weken afwezig is, bijvoorbeeld als gevolg van een detentieperiode, raakt hij zijn kamer bij [zorgorganisatie] kwijt, aldus de begeleider.
De op te leggen straf
Gelet op de aard en de ernst van het feit in samenhang met de hiervoor genoemde omstandigheden, ziet de rechtbank, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding om een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Wel acht de rechtbank het passend om een taakstraf op te leggen in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Vanwege het veroorzaakte zwaar lichamelijk letsel is het taakstrafverbod uit artikel 22b Sr van toepassing en kan niet worden volstaan met een taakstraf en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, maar zal er ook een onvoorwaardelijk deel moeten worden opgelegd.
Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf en taakstraf heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor straftoemeting. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop sinds het bewezenverklaarde feit, de jonge leeftijd van verdachte ten tijde van dat feit, zijn houding ter zitting en zijn persoonlijke omstandigheden, waaruit volgt dat hij met hulp en begeleiding vanuit [zorgorganisatie] zijn leven op orde aan het krijgen is.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is een taakstraf voor de duur van 180 uren, bij niet voltooiing te vervangen door 90 dagen hechtenis. Dit in combinatie met een gevangenisstraf van 61 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met oplegging van de bijzondere voorwaarden: meldplicht bij reclassering, dagbesteding, meewerken aan middelencontrole en een contactverbod.
Het voorwaardelijk strafdeel en de bijbehorende bijzondere voorwaarden hebben tot doel om verdachte ervan te weerhouden zich wederom schuldig te maken aan een strafbaar feit en om hem verder te helpen een stabiel en delictvrij bestaan op te bouwen.
Anders dan de reclassering adviseert, wordt ambulante begeleiding niet als bijzondere voorwaarde opgelegd. Dergelijke begeleiding ontvangt verdachte op dit moment al via [zorgorganisatie] . Mocht de reclassering ambulante begeleiding vanuit een andere organisatie op enig moment noodzakelijk achten, dan kan worden verzocht om wijziging van de bijzondere voorwaarden.
Eveneens anders dan de reclassering adviseert, wordt er wel een verbod om contact op te nemen met [slachtoffer] als bijzondere voorwaarde opgelegd, omdat [slachtoffer] hier waarde aan hecht. Naar het oordeel van de rechtbank biedt dit een voldoende stok achter de deur, temeer nu verdachte na het bewezenverklaarde feit geen contact heeft gezocht met [slachtoffer] . De door de officier van justitie gevorderde maatregel op grond van artikel 38v Sr acht de rechtbank dan ook niet noodzakelijk.
7. De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 29.700,56, bestaande uit € 17.200,56 aan materiële schade en € 12.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast verzoekt de benadeelde partij om vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten, nu hij zich laat bijstaan door mr. D. Marcus, advocaat te Goirle.
De verdediging zet vraagtekens bij het causaal verband tussen het bewezenverklaarde feit en het door de benadeelde partij gestelde knieletsel, omdat de benadeelde partij in 2022 ook al knieklachten had en een fanatiek sporter is. Volgens de verdediging moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Aansprakelijkheid verdachte
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd zoals weergegeven onder 4.4 en stelt vast dat verdachte de openlijke geweldpleging samen met de medeverdachte heeft begaan. Dit betekent dat verdachte en de medeverdachte onrechtmatig hebben gehandeld tegenover de benadeelde partij. Beiden zijn naar burgerlijk recht – op grond van artikel 6:166 van het Burgerlijk Wetboek (BW) – hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele schade van de benadeelde partij, voor zover deze rechtstreeks het gevolg is van de openlijke geweldpleging.
Knieletsel
Anders dan de verdediging acht de rechtbank het voldoende onderbouwd dat het knieletsel van de benadeelde partij is veroorzaakt door de openlijke geweldpleging. De benadeelde partij meldde direct pijn aan zijn knie na de openlijke geweldpleging.
Materiële schade
De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 140,- voor beschadigde kleding en € 25,- voor telefoon-, kopieer- en portokosten. De rechtbank acht beide schadeposten geheel toewijsbaar. Deze schadeposten zijn een rechtstreeks gevolg van de openlijke geweldpleging en door de verdediging niet concreet betwist.
Daarnaast vordert de benadeelde partij een vergoeding van € 367,83 voor reiskosten, gebaseerd op € 0,28 per kilometer. De gestelde reiskosten voor het doen van aangifte en het vervoer naar de rechtbank van in totaal € 21,03 zijn niet rechtstreeks het gevolg van de openlijke geweldpleging en zijn evenmin kosten die zijn gemaakt ‘ter vaststelling van aansprakelijkheid of schade’. Deze reiskosten kunnen daarom niet als schade ten laste van verdachte worden gebracht. De rechtbank wijst de vordering voor dit deel af. Het overige deel van het gevorderde bedrag, zijnde € 346,80, bestaande uit reiskosten voor het bezoeken van artsen en behandelaars, wijst de rechtbank toe. Deze reiskosten zijn voldoende aannemelijk gemaakt en houden rechtstreeks verband met het bevorderen van het herstel van lichamelijk letsel dat door de openlijke geweldpleging bij de benadeelde partij is veroorzaakt.
De benadeelde partij vordert verder een vergoeding van € 3.855,29 voor medische kosten die niet door de ziektekostenverzekeraar zijn vergoed. De benadeelde partij heeft ervoor gekozen om tijdens zijn verblijf in Tunesië in mei 2024 een arts te zoeken, een MRI-onderzoek te laten uitvoeren en een kniebrace aan te schaffen. Dit zijn kosten die onder de dekking van de ziektekostenverzekering zouden vallen als de benadeelde partij deze in Nederland had gemaakt. Door deze kosten te maken in Tunesië heeft de benadeelde partij niet voldaan aan zijn schadebeperkingsplicht. De vordering wordt daarom afgewezen voor zover dit de in Tunesië gemaakte ziekenhuiskosten betreft à € 170,74. Daarnaast bevat de vordering als schadepost hogere jaarkosten voor de ziektekostenverzekering in 2025 en 2026. Het gaat daarbij om bedragen van € 851,19 en € 929,36. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor dat deel van de vordering niet-ontvankelijk, omdat onvoldoende is onderbouwd in hoeverre die verhoging het gevolg is van de openlijke geweldpleging. De overige gemaakte medische kosten die niet door de ziektekostenverzekeraar zijn vergoed, zijn door de benadeelde onderbouwd. Deze kosten zijn gemaakt in verband met het lichamelijk letsel dat door de openlijke geweldpleging bij de benadeelde partij is veroorzaakt en zijn dus een rechtstreeks gevolg van dat feit. De rechtbank acht de vordering voor een bedrag van € 1.904,- toewijsbaar.
Tot slot vordert de benadeelde partij een vergoeding van € 12.812,44, omdat zijn partner van 31 maart 2025 tot en met 31 juli 2025 onbetaald verlof heeft moeten opnemen om voor hun pasgeboren zoon te zorgen. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk, omdat onvoldoende is onderbouwd in hoeverre dit onbetaald verlof rechtstreeks verband houdt met de openlijke geweldpleging.
De rechtbank vermeerdert het totaal toe te wijzen materiële schadebedrag van € 2.415,80 met de wettelijke rente vanaf 1 december 2025 tot aan de dag der voldoening. Voor de aanvangsdatum van de wettelijke rente wordt aangesloten bij de datum waarop de nu aan de orde zijnde vordering is ingediend. De reden hiervoor is dat de gevorderde materiële schade is opgebouwd uit verschillende schadeposten die in de tijd door- en opliepen. Het voor de wettelijke rente aansluiten bij de concrete datum of data van ontstaan van deze schade, zoals gevorderd, is daarom niet handzaam.
Immateriële schade
De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 12.500,- voor door hem opgelopen lichamelijk letsel.
Uit de onderbouwing van het lichamelijk letsel blijkt onder meer dat er twee tanden zijn gebroken, dat er een operatie aan het neustussenschot is verricht en dat er een voorste kruisbandreconstructie aan de linker knie heeft plaatsgevonden. Nu, ruim anderhalf jaar na de openlijke geweldpleging, heeft de benadeelde partij als gevolg van het lichamelijk letsel nog altijd te kampen met verschillende medische klachten en daaruit voortkomende beperkingen, zo blijkt uit de slachtofferverklaring van de benadeelde partij en de overgelegde medische informatie.
Gelet op de Rotterdamse schaal, de ernst van het lichamelijk letsel en de omstandigheid dat volledig herstel nog niet aan de orde is, acht de rechtbank het gevorderde bedrag aan immateriële schade billijk en dus geheel toewijsbaar.
De rechtbank vermeerdert het toe te wijzen immateriële schadebedrag van € 12.500,- met de wettelijke rente vanaf 18 april 2024, de datum waarop de openlijke geweldpleging plaatsvond, tot aan de dag der voldoening.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel op tot betaling van het totaal toegekende schadebedrag en de wettelijke rente. Dit betekent dat het Centraal Justitieel Incasso Bureau de inning verzorgt en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
Hoofdelijk
De rechtbank wijst de vordering – vermeerderd met de wettelijke rente – en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toe. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het toegekende schadebedrag door de medeverdachte is betaald en andersom.
Proceskosten
Ten aanzien van de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten overweegt de rechtbank dat een redelijke uitleg van artikel 532 Sv meebrengt dat bij de begroting van de daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. De rechtbank zoekt aansluiting bij het in Nederlandse civiele procedures voor proceskosten gebruikelijke liquidatietarief voor kantonzaken. Daarbij gaat de rechtbank uit van een salaris van € 406,- per punt, passend bij een vordering in de categorie € 10.000,- tot en met € 20.000,-. Voor de door advocaat mr. Marcus verrichte werkzaamheden worden twee punten gehanteerd, namelijk één voor het indienen van de vordering en één voor het bijwonen van de zitting. Op basis hiervan stelt de rechtbank de hoogte van de te vergoeden proceskosten vast op € 812,-.
De rechtbank stelt vast dat de zaak tegen verdachte en de zaak tegen de medeverdachte gelijktijdig zijn behandeld en dat namens de benadeelde partij slechts één vordering is opgesteld die in beide zaken is ingediend. Het indienen van de vordering en het bijwonen van de zitting zijn handelingen van mr. Marcus die dus feitelijk één keer zijn verricht. De rechtbank wijst daarom ook de vordering omtrent de proceskosten hoofdelijk toe.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 61 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* meldplicht bij reclasseringverdachte meldt zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres Ringbaan West 275 in Tilburg. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;* dagbestedingverdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;* meewerken aan middelencontroleindien de reclassering het nodig acht werkt verdachte mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;* contactverbod
verdachte zal gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1983 in [geboorteplaats 2] ( [geboorteland] . De politie ziet toe op de handhaving van dit contactverbod;
- de van rechtswege geldende voorwaarden daarbij zijn:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 14.915,80, waarvan € 2.415,80 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2025 tot aan de dag der voldoening, en € 12.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 april 2024 tot aan de dag der voldoening;
- wijst de vordering af voor een bedrag van € 191,77;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij voor rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 812,-;
- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 14.915,80 te betalen, waarvan € 2.415,80, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2025 tot aan de dag der voldoening, en € 12.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 april 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 109 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.J. Kok, voorzitter, en mr. D.S.G. Froger-Zeeuwen en mr. R.H.M. Pooyé, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Lemmens, griffier,
en is uitgesproken ter de openbare zitting op 5 februari 2026.
Mr. Froger-Zeeuwen is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 18 april 2024 te Tilburg,
op of aan de openbare weg, te weten de Dr. Deelenlaan, in elk geval
openlijk
in vereniging
geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] ,
welk in vereniging gepleegd geweld bestond uit het stompen, slaan
en/of schoppen tegen die persoon,
terwijl het door verdachte gepleegde geweld zwaar, in elk geval enig
lichamelijk letsel ten gevolge had;
(Art. 141 lid 1 en 2 van het Wetboek van Strafrecht)