2. De verzoeken
Aan de orde is nu nog het volgende verzoek van de man, samengevat:
te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het kader van de zorgverdeling één maal per veertien dagen in de oneven weken vanaf vrijdagavond tot zondagavond bij de man verblijven.
De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man. Zij verzoekt zelfstandig, voor zover nu nog aan de orde, samengevat:
te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen € 223,= per maand per kind aan de vrouw voldoet, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, primair met ingang van 1 maart 2025, subsidiair met ingang van 23 april 2025 en meer subsidiair met ingang van 11 juni 2025.
De man voert verweer tegen het zelfstandig verzoek van de vrouw over de kinderalimentatie.
3. De beoordeling
Zorgregeling
De rechtbank zal eerst het verzoek van de man over de zorgregeling beoordelen, omdat de beslissing daarover gevolgen kan hebben voor de beslissing op het verzoek van de vrouw over de kinderalimentatie.
Wettelijk kader
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op grond van het tweede lid van dit wetsartikel kan de rechtbank op verzoek van de ouders of één van hen een regeling vaststellen over een zorgregeling voor de kinderen.
Voordat dat de rechtbank hierover een beslissing neemt, zal zij nagaan of de ouders samen overeenstemming kunnen bereiken.
Standpunten
Namens en door de man is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
De man is gestopt met het hulpverleningsproject bij De Gezinsmanager omdat hij het niet eens is met de voorlopige zorgregeling in de beschikking van 28 mei 2025. Hij vindt die regeling te onrustig voor de kinderen en daarover is tussen partijen een conflict ontstaan. De man wil met de vrouw alleen nog communiceren per mail, omdat hij zich telefonisch lastig gevallen voelt door de vrouw. Vanaf augustus 2025 heeft de man geen contact meer met de kinderen, omdat de vrouw hem dit verbiedt. In februari 2026 heeft hij via zijn advocaat aan de vrouw voorgesteld dat de kinderen vanaf februari 2026 een weekend per veertien dagen bij hem verblijven, maar de vrouw is het daar niet mee eens. Omdat de kinderen de man al een tijdlang niet hebben gezien, vindt zij dat de omgang onder begeleiding moet worden opgestart. De man vindt omgangsbegeleiding niet nodig, omdat hij altijd een goede vader voor de kinderen is geweest. Verder voelt de man zich erg gecontroleerd door de vrouw en heeft hij het idee dat hij voor alles wat hij doet afhankelijk is van haar goedkeuring. Daarnaast speelt in het kader van de zorgregeling nog een rol dat de man vanaf 1 mei 2026 in [woonplaats 1] woont.
Namens en door de vrouw is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
Een co-ouderschapregeling heeft nog steeds de voorkeur van de vrouw, maar dat wil de man niet. De man heeft ook geen uitvoering gegeven aan de voorlopige zorgregeling in de beschikking van 28 mei 2025, omdat hij het daar niet mee eens is. Op enig moment heeft hij de kinderen zonder overleg veel te vroeg terug gebracht naar de vrouw, terwijl zij niet thuis was. De kinderen belden haar toen huilend en in paniek op. Daarna heeft de vrouw tegen de man gezegd dat hij de voorlopige zorgregeling zoals die is vastgesteld door de rechtbank moet naleven en dat hij de kinderen anders niet zal zien. De man heeft er toen voor gekozen de kinderen dan maar niet meer te zien. Verder heeft de man toen ieder contact met de vrouw geblokkeerd en ook geen contact meer opgenomen met de kinderen. De vrouw betwijfelt daarom of de man nu daadwerkelijk contact wil met de kinderen. Zij wil voorkomen dat de kinderen opnieuw door hem worden teleurgesteld. Desondanks staat de vrouw achter hervatting van het contact tussen de man en de kinderen, maar zij vindt het wel nodig dat duidelijke afspraken worden gemaakt over de zorgregeling, met begin- en eindtijden waar de man zich aan houdt. Ook vindt de vrouw het belangrijk dat de man tijdens de contactmomenten met de kinderen daadwerkelijk iets met hen onderneemt en dat hij de kinderen dan niet de hele dag op hun mobiele telefoon laat zitten.
De Raad heeft, samengevat, geadviseerd dat er zo snel mogelijk weer contact komt tussen de man en de kinderen en dat partijen teruggaan naar De Gezinsmanager voor hulpverlening. De Raad heeft aan de man kenbaar gemaakt dat het zeer onverstandig is dat hij de voorlopige zorgregeling van de beschikking van 28 mei 2025 niet nakomt en dat hij uit het hulpverleningstraject bij De Gezinsmanager is gestapt. Dat is niet in het belang van de kinderen. De Raad merkt op dat tijdens de zitting in de communicatie tussen partijen een patroon is waar te nemen, te weten een patroon van dwingen en terugtrekken. De vrouw wil iets van man, de man voelt zich daardoor aangevallen en gecontroleerd en trekt zich terug. De vrouw heeft vervolgens nog meer behoefte aan contact met of controle op de man en zo gaat het van kwaad tot erger. Deze gang van zaken tussen partijen is absoluut niet goed voor de kinderen. Zij hebben inmiddels al tien maanden geen contact met de man, terwijl het contact tussen de man en de kinderen voorheen goed was.
Beide partijen zijn schuldig aan het ontstaan van de huidige situatie, want beide partijen hebben geen verantwoordelijkheid genomen om een einde te maken aan deze impasse. Zij hadden het traject bij De Gezinsmanager moeten voortzetten en moeten werken aan de verbetering van de communicatie tussen hen als ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Partijen zijn niet voor niets uit elkaar gegaan, maar hebben wel twee minderjarige kinderen die van hen afhankelijk zijn. Wat er nu is gebeurd, is onacceptabel. Ook is het onacceptabel dat de man zich volledig heeft teruggetrokken uit de opvoeding van de kinderen en deze volledig aan de vrouw heeft overgelaten. Het is erg zwaar om alleen twee kinderen op te voeden. De man heeft de kinderen in de steek gelaten, terwijl zij een vader nodig hebben. Het is zoals gezegd van belang dat zo snel mogelijk wordt gestart met het contactherstel tussen de man en de kinderen en dat partijen zich weer aanmelden voor hulpverlening bij De Gezinsmanager. Zij zijn dat aan hun kinderen verplicht.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben tijdens het kindgesprek aan de kinderrechter verteld dat zij sinds augustus 2025 geen contact meer hebben met hun vader. Zij vinden dat aan de ene kant rustig, omdat er daardoor geen geruzie meer is tussen de ouders. Aan de andere kant willen zij hun vader graag zien, iets leuks met hem doen en ook vaker van hem iets horen. Om de week van vrijdag tot en met zondag naar hun vader gaan vinden zij te lang, vanwege het voetballen op zaterdag. Hun vader woont nu in [woonplaats 1] en dat is best ver vanaf [woonplaats 2] . [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn bang dat zij in die weekenden dan niet meer kunnen voetballen.
Beoordeling
Nadat partijen eerst hun standpunten uitvoerig hebben toegelicht, hebben zij tijdens een onderbreking van de zitting in aanwezigheid van de vertegenwoordiger van de Raad overleg gehad en overeenstemming bereikt over de zorgregeling. Partijen zijn het volgende overeengekomen.
Partijen hebben voor de hervatting van het contact tussen de man en de kinderen en het vervolg daarop de volgende regeling afgesproken:
Op zaterdag 16 mei 2026 haalt de man de kinderen om 14.00 uur op bij de vrouw, onderneemt hij iets met hen in [woonplaats 2] en brengt hij de kinderen om 16.00 terug bij de vrouw.
Op zaterdag 30 mei 2026 is er opnieuw contact tussen de man en kinderen in [woonplaats 2] . De man is vanaf 8.30 uur bij de voetbalwedstrijd van [minderjarige 2] en vervolgens vanaf 9.45 uur bij de voetbalwedstrijd van [minderjarige 1] . Na de wedstrijd van [minderjarige 1] brengt de man [minderjarige 2] omstreeks 11.15-11.30 uur terug bij de vrouw. [minderjarige 1] fietst zelf naar huis.
Op zaterdag 13 juni 2026 haalt de man de kinderen om 12.00 uur op bij de vrouw, onderneemt hij iets met hen in [woonplaats 2] en brengt hij hen om 16.00 terug bij de vrouw.
Op zaterdag 27 juni 2026 haalt de man de kinderen om 12.00 uur op bij de vrouw, gaat hij met hen naar zijn nieuwe woning in [woonplaats 1] en brengt hij hen die dag om 20.00 uur terug bij de vrouw. De kinderen eten die avond bij de man.
Op zaterdag 11 juli 2026 haalt de man de kinderen om 12.00 uur op bij de vrouw, gaat hij met hen naar zijn nieuwe woning in [woonplaats 1] en brengt hij hen die dag om 20.00 uur terug bij de vrouw. De kinderen eten die avond bij de man.
Op zaterdag 25 juli 2026 haalt de man de kinderen om 10.00 uur op bij de vrouw, overnachten de kinderen bij hem in [woonplaats 1] en brengt de man de kinderen op zondag 26 juli 2026 om 20.00 uur terug bij de vrouw. De kinderen eten die zondagavond bij de man.
Op zaterdag 29 augustus 2026 haalt de man de kinderen om 10.00 uur op bij de vrouw, overnachten de kinderen bij hem in [woonplaats 1] en brengt de man de kinderen op zondag 30 augustus 2026 om 19.00 uur terug bij de vrouw. De kinderen eten die zondagavond bij de man.
Met ingang van het weekend van 12 en 13 september 2026 verblijven de kinderen eenmaal per veertien dagen van zaterdag tot en met zondag bij de man. De aanvangstijd op de zaterdag is afhankelijk van het voetballen van de kinderen. De regeling in de contactweekenden is als volgt:
Als de kinderen op zaterdag niet voetballen, haalt de man de kinderen op zaterdag om 10.00 uur op bij de vrouw en brengt hij hen op de zondag om 19.00 uur terug bij de vrouw. De kinderen eten op zondagavond bij de man.
Als de kinderen op zaterdag voetballen, komt de man die dag naar de voetbalwedstrijden van de kinderen kijken en neemt hij hen na afloop van de wedstrijden mee naar zijn woning. Op de zondag brengt de man de kinderen om 19.00 uur terug bij de vrouw. De kinderen eten op zondagavond bij de man.
Partijen zullen in onderling overleg nader afspreken op welke manier de kinderen op de zaterdagen van de contactweekenden naar hun eigen voetbalwedstrijd gaan. Zodra het schema voor het voetbalseizoen 2026-2027 van de kinderen bekend is, stuurt de vrouw dit naar de man.
De man zal nog nagaan of de kinderen in de zomervakantie van 2026 bij hem kunnen verblijven op de maandag, dinsdag en/of woensdag in de weken dat de vrouw geen vakantie heeft en moet werken. Partijen zullen hier in onderling overleg nadere afspraken over maken.
Partijen verzoeken de rechtbank deze regeling op te nemen in deze beschikking.
Partijen zijn het er verder over eens dat als de kinderen bij de ene ouder zijn, zij incidenteel mogen bellen/appen met de andere ouder.
Partijen hebben op de zitting verder aangegeven dat zij nog afspraken willen maken over de zorgregeling tijdens de schoolvakanties en feestdagen, maar dat daar tijdens de onderbreking van de zitting geen tijd meer voor was. Met het oog op die nog te maken afspraken neemt de rechtbank in de beslissing van deze uitspraak op dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de man recht hebben op contact met elkaar tijdens een gedeelte van de schoolvakanties en feestdagen, tussen partijen in onderling overleg nader af te spreken.
Tot slot hebben partijen afgesproken dat zij zich weer gaan aanmelden voor hulpverlening ter verbetering van de ouderrelatie en oudercommunicatie. De vrouw zal zich bij Toegang [woonplaats 2] aanmelden voor dit traject, de man zal zich daar bij voegen.
Omdat partijen overeenstemming hebben bereikt over de zorgregeling en de rechtbank deze regeling, net als de Raad, in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acht, zal de rechtbank deze regeling vastleggen op de wijze zoals die hieronder in het dictum van deze beschikking is vermeld.
Kinderalimentatie
Grondslag verzoek vaststelling alimentatie
De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] behoefte hebben aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat hij de financiële draagkracht heeft die te voldoen. Zij verzoekt een bijdrage van € 223,= per kind per maand.
De man voert als verweer dat de door hem aan de vrouw te betalen maandelijkse bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet worden bepaald aan de hand van de actuele draagkracht van partijen. Dit bedrag kan hij niet betalen.
Ingangsdatum
De rechtbank zal om proceseconomische redenen eerst de ingangsdatum van de eventueel toe te wijzen kinderalimentatie beoordelen.
De vrouw stelt primair dat voor de ingangsdatum moet worden uitgegaan van 1 maart 2025, subsidiair 23 april 2025 (datum indiening zelfstandig verzoek) en meer subsidiair 11 juni 2025 (datum overdracht van de woning aan de vrouw). De man vindt dat moet worden gekozen voor de datum van deze beschikking.
Op grond van artikel 1:402 BW heeft de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van een alimentatieverplichting. Volgens vaste jurisprudentie geldt echter als uitgangspunt dat de rechter behoedzaam gebruik dient te maken van deze bevoegdheid tot wijziging van een bijdrage over een periode in het verleden, tenzij er omstandigheden zijn die aanleiding geven anders te beslissen. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.
De rechtbank acht het redelijk om in deze zaak als ingangsdatum 1 juni 2025 te hanteren. Op de zitting is als niet dan wel onvoldoende weersproken komen vast te staan dat de man de gezamenlijke woning op 15 mei 2025 definitief heeft verlaten en dat deze woning op 11 juni 2025 aan de vrouw is overgedragen. De man is toen gaan wonen in een stacaravan. De gezamenlijke rekening, waarvan de betalingen ten behoeve de gezamenlijke woning en de kosten van levensonderhoud van partijen en de kinderen werden voldaan, is omstreeks 15 mei 2025 opgeheven en het saldo is tussen partijen bij helfte verdeeld. Vanaf die tijd zijn de kosten van de kinderen voor rekening van de vrouw gekomen. Het is de rechtbank niet gebleken dat de man nadien nog heeft bijgedragen aan de kosten van de kinderen, met uitzondering van de voetbalcontributie voor één kind (betaling van € 230,= op 5 september 2025, productie 3 van de man). Daar staat tegenover dat de vrouw de contributie voor het andere kind heeft betaald en dat de vrouw haar zelfstandig verzoek tot betaling van kinderalimentatie toen al had ingediend. Gelet op dit samenstel van feiten en omstandigheden acht de rechtbank het redelijk om voor de ingangsdatum van de kinderalimentatie te kiezen voor een datum die is gelegen tussen 15 mei 2025 en 11 juni 2025, te weten 1 juni 2025.
Behoefte van de kinderen
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Tijdens de zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat voor de berekening van de behoefte van de kinderen zal worden uitgegaan van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen in 2024, berekend aan de hand van hun jaaropgaves over 2024. Namens beide partijen is een berekening overgelegd. Tussen beide berekeningen is sprake van een gering verschil wat betreft de hoogte van de kosten van de kinderen. Bij de bespreking hiervan op de zitting is van de zijde van de man opgemerkt dat dit verschil is ontstaan doordat zijn advocaat in de berekening ten aanzien van de vrouw een werknemerspremie niet heeft verwerkt en dat dit wel had gemoeten. Gelet hierop zal de rechtbank voor de bepaling van de hoogte van de behoefte van de kinderen de berekening volgen die namens de vrouw op de zitting is overgelegd. In die berekening is uitgegaan van de navolgende inkomensgegevens, die tussen partijen niet in geschil zijn: een jaarinkomen van de man in 2024 van € 32.126,= bruto (productie 5 van de man; fulltime werkzaam bij [bedrijf 1] B.V.) en een jaarinkomen van de vrouw in 2024 van € 30.108,= bruto (productie 5 van de vrouw; 24 uur per week werkzaam bij [bedrijf 2] B.V.). Dit leidt voor het jaar 2024 tot een netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man van
€ 2.372,= en een NBI van de vrouw van € 2.495,= per maand. Verder was in 2024 sprake van een kindgebonden budget van € 258,= per maand. Samengeteld was het NBGI van partijen in 2024 daarom € 5.125,= per maand. Gelet daarop becijfert de rechtbank de behoefte van de kinderen in 2024 op € 1.234,= per maand, oftewel € 617,= per kind per maand. De rechtbank zal hier vanuit gaan.
Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte van de kinderen € 1.314,=, oftewel
€ 657,= per kind per maand. Geïndexeerd naar 2026 gaat het om € 1.375,= per maand, oftewel (afgerond) € 688,= per kind per maand.
Draagkracht van de onderhoudsplichtigen
Het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de behoefte van de kinderen becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig NBI, waarbij ieders draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.
Gelet op de stellingen van partijen en de overgelegde stukken zal de rechtbank bij de bepaling van de draagkracht uitgaan van de gegevens zoals die blijken uit de jaaropgaves over 2025. De rechtbank gebruikt deze jaaropgave zowel voor de berekening van de draagkracht van partijen in 2025 als in 2026. Gesteld noch gebleken is dat het inkomen van partijen in 2026 substantieel afwijkt van dat in 2025.
Hierna wordt eerst de draagkracht van de onderhoudsplichtigen in 2025 besproken en daarna hun draagkracht over 2026.
2025
Draagkracht van de vrouw in 2025
Beide partijen hebben op de zitting aangegeven dat de draagkracht van de vrouw kan worden bepaald op basis van haar jaaropgave 2025.
Uit die jaaropgave blijkt dat het jaarinkomen van de vrouw in 2025 € 24.619,= bruto was (productie 7 van de vrouw; 24 uur per week werkzaam bij [bedrijf 2] B.V.; geen meeruren/toeslagen meer). Voor de berekening van de draagkracht van de vrouw in 2025 zal de rechtbank uitgegaan van de niet dan wel onvoldoende weersproken berekening die op de zitting namens de advocaat van de vrouw is overgelegd. Volgens die draagkrachtberekening was het NBI van de vrouw in 2025 € 2.045,= per maand. De vrouw had in 2025 geen aanspraak op een kindgebonden budget in verband met de ontvangst van een erfenis. Volgens de draagkrachttabel voor 2025 is de draagkracht van de vrouw € 110,= per maand.
Draagkracht van de man in 2025
Ook voor de berekening van het NBI van de man in 2025 volgt de rechtbank draagkrachtberekening die door de advocaat van de vrouw op de zitting is overgelegd. Partijen zijn het erover eens dat die berekening kan dienen als uitgangspunt voor de berekening van de draagkracht van de man in 2025.
In die berekening van de zijde van de vrouw is uitgegaan van een jaarinkomen van de man in 2025 van € 41.122,= bruto (productie 9 van de man; fulltime werkzaam bij [bedrijf 1] B.V.) minus een fiscale bijtelling van € 467,= per maand voor een auto van de zaak (12 x € 467,= is € 5.604,=). Per saldo was het jaarinkomen van de man in 2025 € 35.518,= bruto. Zijn NBI in 2025 was daarmee € 2.541,= per maand en zijn draagkracht € 328,= per maand.
Draagkrachtvergelijking 2025
De totale draagkracht van partijen bedraagt op basis van de cijfers uit 2025 samengeteld € 438,= (namelijk € 110,= en € 328,=). De draagkracht van partijen is daarmee niet voldoende om in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 1.314,= per maand (2025) te voorzien. Een draagkrachtvergelijking blijft achterwege.
Zorgkorting 2025
Partijen zijn het erover een dat voor het jaar 2025 geen zorgkorting zal worden toegepast. Er is immers gedurende lange tijd geen contact geweest tussen de man en de kinderen.
Conclusie over 2025
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen bijdrage met ingang van 1 juni 2025 vaststellen op € 164,= per maand per kind.
2026
De rechtbank ziet in de stellingen van partijen over een weer aanleiding om een berekening te maken voor de draagkracht van de onderhoudsplichtigen in 2026. Daarbij speelt vooral een rol dat de vrouw met ingang van 2026 weer in aanmerking komt voor het kindgebonden budget. Op de zitting is immers aan de orde gekomen dat de vrouw de door haar verkregen erfenis heeft aangewend voor financiering van de verkrijging van de gezamenlijke woning.
Draagkracht van de vrouw in 2026
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw in 2026 zal de rechtbank uitgaan van haar inkomen volgens de jaaropgave 2025. Zoals hierboven vermeld, is gesteld noch gebleken dat het salaris van de vrouw in 2026 substantieel afwijkt van dat in 2025.
Uit die jaaropgave blijkt, zoals hiervoor overwogen, dat het jaarinkomen van de vrouw in 2025 € 24.619,= bruto was. Daarnaast is rekening gehouden met een premie WGA-WHK van € 6,53 per maand (afgerond € 78,= per jaar). Volgens de draagkrachtberekening van de rechtbank is het NBI van de vrouw in 2026 € 2.760,= per maand. Dit bedrag is inclusief een kindgebonden budget van € 5.160,= en een alleenstaande ouderkop van € 3.416,=, in totaal € 8.576,=.
Uitgaande van de hiervoor staande uitgangspunten is de draagkracht van de vrouw in 2026 € 397,= per maand.
Draagkracht van de man in 2026
Voor de bepaling van de draagkracht van man in 2026 zal de rechtbank uitgaan van zijn inkomen volgens de jaaropgave 2025. Gesteld noch gebleken is dat het inkomen van de man in 2026 substantieel afwijkt van dat in 2025. Het jaarinkomen van de man in 2025 was, zoals hiervoor overwogen, € 41.122,= bruto. Minus de fiscale bijtelling van € 467,= per maand was het jaarinkomen van de man in 2025: € 35.518,= bruto. Met dat als uitgangspunt, is zijn NBI in 2026 € 2.588,= per maand en zijn draagkracht € 313,= per maand.
Draagkrachtvergelijking 2026
De totale draagkracht van partijen over 2026 is samengeteld € 710,= (namelijk
€ 397,= en € 313,=). De draagkracht van partijen is niet voldoende om daarmee de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 1.375,= per maand (2026) te voldoen. Een draagkrachtvergelijking blijft achterwege.
Zorgkorting 2026
Van de zijde van de man is gesteld dat voor 2026 rekening moet worden gehouden met een zorgkorting, in elk geval na de zomervakantie van 2026 met een percentage van 25%.
Over het eerste gedeelte van 2026 zal de rechtbank zonder meer geen zorgkorting toepassen, omdat er gedurende de eerste maanden van 2026 geen contact is geweest tussen de man en de kinderen. Op de zitting hebben partijen afgesproken dat het contact medio mei 2026 zal worden hervat en stapsgewijs zal worden uitgebreid. Bij de zorgregeling die partijen voor na de zomervakantie in 2026 zijn overeengekomen, past een zorgkorting van 15% (gemiddeld één dag per week). Echter, omdat het tekort aan gezamenlijke draagkracht van de ouders om in de behoefte van de kinderen te voorzien driemaal zo groot is als de zorgkorting waar de man recht op heeft, moet de man tot het volledige bedrag van zijn draagkracht in de kosten van de kinderen voorzien. Ook in 2026 ziet de rechtbank dus geen ruimte voor toepassing van een zorgkorting aan de zijde van de man.
Conclusie over 2026
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen bijdrage met ingang van 1 januari 2026 vaststellen op € 157,= per maand per kind.
De rechtbank verwijst naar de berekening die als bijlage bij deze beschikking is gevoegd. Die berekening maakt deel uit van deze beschikking.
Betalingen door man in 2025
De man stelt dat hij in 2025 diverse betalingen heeft gedaan die verband houden met de kinderen en die in mindering moeten worden gebracht op een eventuele verplichting tot het betalen van kinderalimentatie over dat jaar.
Het gaat om betalingen die verband houden met (door- en terugbetaling van) het kindgebonden budget en de betaling van de voetbalcontributie voor één van de kinderen.
De rechtbank overweegt dat de vrouw in 2025 het grootste gedeelte van de verzorging en opvoeding van de kinderen voor haar rekening heeft genomen en dat zij na de verbreking van de samenleving degene is die in aanmerking komt voor het kindgebonden budget. Betalingen van de man aan de vrouw in verband met het kindgebonden budget zijn daarom terecht gedaan en strekken niet in mindering op de verplichting van de man om bij te dragen in de kosten van de kinderen. Weliswaar heeft de man ook bedragen voor kindgebonden budget moeten terugbetalen aan de belastingdienst, maar dat geldt ook voor de vrouw. Wat betreft de voetbalcontributie hebben partijen ieder voor één kind betaald. Niet alleen de man, maar ook de vrouw heeft een vergelijkbaar bedrag betaald voor het voetballen van de kinderen. Daar komt bij dat de gezamenlijke draagkracht van partijen in 2025 niet voldoende is om volledig te voorzien in het zogeheten “eigen aandeel in de kosten van de kinderen” in 2025. De rechtbank ziet in dit samenstel van feiten en omstandigheden aanleiding om bij de bepaling van de hoogte van de door de man over 2025 te betalen kinderalimentatie géén rekening te houden met betalingen die hij in dat jaar ten behoeve van de kinderen heeft voldaan.
De man kan betalingen in 2025 dus niet verrekenen of anderszins in mindering brengen op de door hem te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Algemene overwegingen
De beslissing over de zorgregeling en de kinderalimentatie zal, gelet op het karakter daarvan en het belang dat hierover voor alle betrokkenen duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat die beslissingen direct gelden, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kinderen gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.
4. De beslissing
De rechtbank:
bepaalt – in wijziging op de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen zoals die is neergelegd in de beschikking van deze rechtbank van 28 mei 2025 – dat de man en de minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op contact overeenkomstig de volgende regeling:
Op zaterdag 16 mei 2026 haalt de man de kinderen om 14.00 uur op bij de vrouw, onderneemt hij iets met hen in [woonplaats 2] en brengt hij hen om 16.00 terug bij de vrouw.
Op zaterdag 30 mei 2026 is er opnieuw contact tussen de man en kinderen in [woonplaats 2] . De man is vanaf 8.30 uur bij de voetbalwedstrijd van [minderjarige 2] en vervolgens vanaf 9.45 uur bij de voetbalwedstrijd van [minderjarige 1] . Na de wedstrijd van [minderjarige 1] brengt de man [minderjarige 2] omstreeks 11.15-11.30 uur terug bij de vrouw. [minderjarige 1] fietst zelf naar huis.
Op zaterdag 13 juni 2026 haalt de man de kinderen om 12.00 uur op bij de vrouw, onderneemt hij iets met hen in [woonplaats 2] en brengt hij hen om 16.00 terug bij de vrouw.
Op zaterdag 27 juni 2026 haalt de man de kinderen om 12.00 uur op bij de vrouw, gaat hij met hen naar zijn nieuwe woning in [woonplaats 1] en brengt hij hen die dag om 20.00 uur terug bij de vrouw. De kinderen eten die avond bij de man.
Op zaterdag 11 juli 2026 haalt de man de kinderen om 12.00 uur op bij de vrouw, gaat hij met hen naar zijn nieuwe woning in [woonplaats 1] en brengt hij hen die dag om 20.00 uur terug bij de vrouw. De kinderen eten die avond bij de man.
Op zaterdag 25 juli 2026 haalt de man de kinderen om 10.00 uur op bij de vrouw, overnachten de kinderen bij hem in [woonplaats 1] en brengt de man de kinderen op zondag 26 juli 2026 om 20.00 uur terug bij de vrouw. De kinderen eten die zondagavond bij de man.
Op zaterdag 29 augustus 2026 haalt de man de kinderen om 10.00 uur op bij de vrouw, overnachten de kinderen bij hem in [woonplaats 1] en brengt de man de kinderen op zondag 30 augustus 2026 om 19.00 uur terug bij de vrouw. De kinderen eten die zondagavond bij de man.
Met ingang van het weekend van 12 en 13 september 2026 verblijven de kinderen eenmaal per veertien dagen van zaterdag tot en met zondag bij de man. De aanvangstijd op de zaterdag is afhankelijk van het voetballen van de kinderen. De regeling in de contactweekenden is als volgt:
Als de kinderen op zaterdag niet voetballen, haalt de man de kinderen op zaterdag om 10.00 uur op bij de vrouw en brengt hij hen op de zondag om 19.00 uur terug bij de vrouw. De kinderen eten op zondagavond bij de man.
Als de kinderen op zaterdag voetballen, komt de man die dag naar de voetbalwedstrijden van de kinderen kijken en neemt hij hen na afloop van de wedstrijden mee naar zijn woning. Op de zondag brengt de man de kinderen om 19.00 uur terug bij de vrouw. De kinderen eten op zondagavond bij de man.
Partijen zullen in onderling overleg nader afspreken op welke manier de kinderen op de zaterdagen van de contactweekenden naar hun eigen voetbalwedstrijd gaan. Zodra het schema voor het voetbalseizoen 2026-2027 van de kinderen bekend is, stuurt de vrouw dit naar de man.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de man hebben recht op contact met elkaar tijdens een gedeelte van de schoolvakanties en feestdagen, tussen partijen in onderling overleg nader af te spreken. De man zal in dat kader nagaan of de kinderen in de zomervakantie van 2026 bij hem kunnen verblijven op de maandag, dinsdag en/of woensdag in de weken dat de vrouw geen vakantie heeft en moet werken.
bepaalt dat de man vanaf 1 juni 2025 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de vrouw moet voldoen een bedrag van € 164,= (honderdvierenzestig euro) per maand per kind en met ingang van 1 januari 2026 een bedrag van € 157,= (honderdzevenenvijftig euro) per maand per kind, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Vos, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026 in aanwezigheid van mr. Laenen, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.