ECLI:NL:RBZWB:2026:684

ECLI:NL:RBZWB:2026:684

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 06-02-2026
Datum publicatie 06-02-2026
Zaaknummer 02-088932-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen, waaronder het seksueel binnendringen. De rechtbank acht een gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-088932-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 6 februari 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1974,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,

raadsvrouw mr. H. Selçuk, advocaat te Breda.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. M.P. de Graaf en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ook is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) behandeld.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer] (feit 1 en feit 2), waaronder ook het seksueel binnendringen (feit 1).

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de aan verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, met uitzondering van het onder feit 2 ten laste gelegde betasten van de borsten. De officier van justitie acht de verklaringen van [slachtoffer] zeer betrouwbaar. Haar verklaring vindt bovendien steun in de verklaringen van verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en verzoekt verdachte vrij te spreken van beide ten laste gelegde feiten. De verklaringen van [slachtoffer] kunnen niet als betrouwbaar worden aangemerkt. Haar verklaringen worden ook niet ondersteund door ander bewijsmateriaal.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] zich op 10 februari 2023 heeft gemeld voor een informatief gesprek bij de politie. Toen heeft zij aangegeven dat verdachte seksuele handelingen met haar heeft verricht. Op 13 januari 2025 deed [slachtoffer] aangifte. Aan de rechtbank ligt de vraag voor of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat [slachtoffer] is geboren op [geboortedag 2] 2003 en dus in de tenlastegelegde pleegperiode 15 jaar oud was.

Juridisch kader

Zedenzaken laten zich vaak kenmerken door het gegeven dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Bij een ontkennende verdachte blijft dan alleen de verklaring van het vermeende slachtoffer over als wettig bewijsmiddel. Het bewijs dat een verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, kan niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van een slachtoffer. Er moet steunbewijs zijn uit een andere bron dan die verklaring. Hierbij is voldoende dat de verklaring van een slachtoffer op bepaalde onderdelen bevestiging vindt in dit steunbewijs. Andere onderdelen mogen dan uitsluitend op de verklaring van een slachtoffer berusten. Daar staat tegenover dat tussen de verklaring en het overige bewijs niet een te ver verwijderd verband mag bestaan.

De betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer]

heeft, ondanks een tijdsverloop van twee jaar tussen haar verklaring bij het informeel gesprek en de aangifte, over het geheel genomen consistent en consequent verklaard over de aard van de seksuele handelingen en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden. Dat er enige discrepantie bestaat tussen hetgeen [slachtoffer] in haar verklaringen zegt over de massage van haar rug danwel borsten sterkt eerder de overtuiging dat zij de waarheid spreekt en dat het geen ingestudeerd verhaal is.

De verklaring van [slachtoffer] komt bovendien authentiek op de rechtbank over. Zo is zij eerlijk over haar eigen rol. [slachtoffer] heeft verklaard dat het initiatief vaak van haar kwam. Daarnaast brengt [slachtoffer] nuanceringen aan in de rol van verdachte en heeft zij steeds verklaard over zijn aanvankelijk weigerende houding.

Gelet op de consistentie en authenticiteit van de verklaringen van [slachtoffer] , is de rechtbank van oordeel dat deze verklaring als betrouwbaar moet worden aangemerkt.

Steunbewijs

Naar het oordeel van de rechtbank vinden de verklaringen van [slachtoffer] ook voldoende steun in ander bewijs, namelijk de verklaringen van verdachte zelf. De verklaringen van [slachtoffer] en verdachte komen – los van de momenten van de ten laste gelegde feiten – grotendeels overeen. Zo bevestigt verdachte in zijn verklaring bij de politie van 24 april 2023 en zijn verhoor op 10 maart 2025 dat [slachtoffer] regelmatig met verdachte in de woning van zijn broer was, zowel voor als na schooltijd. Hoewel verdachte de ontuchtige handelingen zelf op de zitting ontkent, erkent verdachte dat hij met [slachtoffer] over seks sprak. Het initiatief voor deze gesprekken zou bij haar hebben gelegen. Overeenkomstig de verklaring van [slachtoffer] heeft verdachte op zitting verklaard dat hij heeft geweigerd intiem met haar te zijn omdat [slachtoffer] te jong was.

De rechtbank ziet overigens ook steunbewijs in de uitlatingen van verdachte, zoals opgenomen in de processen-verbaal van bevindingen van verbalisant Dui en het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] . Volgens deze processen-verbaal heeft verdachte verklaard dat seks met een minderjarige verkeerd is, dat hij nooit iets heeft gedaan wat [slachtoffer] niet wou, dat hij spijt heeft en wil boeten. Daarnaast bevindt zich in de stukken een geluidsopname tussen de moeder van aangeefster en verdachte waarin hij als wordt gezegd ‘maar jullie hebben wel gemeenschap gehad’ antwoordt ‘ik zeg niet van niet want daar lieg ik niet over’.

Overtuiging

Dat verdachte pas op de zitting voor de eerste keer uitdrukkelijk heeft ontkend en daarbij geen aannemelijke uitleg heeft gegeven voor zijn eerdere verklaringen, sterkt de rechtbank in de overtuiging dat verdachte de ontuchtige handelingen heeft verricht.

Conclusie

Gelet op het voorgaande neemt de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] bij de bewezenverklaring als uitgangspunt voor de bewezenverklaring. De rechtbank is daarmee van oordeel dat verdachte de onder 1, onder het eerste en tweede gedachtestreepje, ten laste gelegde ontuchtige handelingen heeft verricht.

De rechtbank is daarentegen van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat dat verdachte [slachtoffer] heeft ge(tong)zoend en haar rug en borsten heeft betast. Verdachte zal derhalve partieel van de onder 1, onder het derde gedachtestreepje, en van alle onder 2 ten laste gelegde gedragingen worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1in de periode van 01 januari 2019 tot en met 10 februari 2019 te [plaats] ,met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2003, die de leeftijd van twaalf jarenmaar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten- het brengen van zijn tong en vingers tussen de schaamlippenen/of in de vagina van die [slachtoffer] en- het brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] .

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen hij bewezen acht aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft na de door haar verzochte integrale vrijspraak geen standpunt over de straf of strafmaat ingenomen.

Het oordeel van de rechtbank

De aard en ernst van het feit

Verdachte heeft zich in de periode van 1 januari 2019 tot en met 10 februari 2019 schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met de destijds vijftienjarige [slachtoffer] , die mede bestonden uit het met zijn penis binnendringen van haar lichaam.

Het is een feit van algemene bekendheid dat dit soort feiten schade kunnen toebrengen aan de geestelijke gezondheid en de seksuele ontwikkeling van jeugdigen. Kinderen onder de zestien moeten volgens de wet beschermd worden, niet alleen tegen personen die op seksueel gebied misbruik van hen willen maken, maar ook tegen zichzelf. Op die leeftijd worden zij nog niet geacht hier zelf weloverwogen keuzes in te kunnen maken, laat staan de consequenties van die keuzes te overzien.

De rechtbank betrekt in haar oordeel dat verdachte geen enkel teken geeft enig berouw van zijn handelen te hebben, of verantwoordelijkheid daarvoor te willen nemen. Hij was volgens de rechtbank op de hoogte was van de (jonge) leeftijd van [slachtoffer] en van het ontuchtige karakter van seksuele handelingen met haar. Nadat hij in eerste instantie heeft geweigerd seks te hebben met [slachtoffer] , heeft verdachte toch zijn eigen lustgevoelens gevolgd. Hij heeft daarmee niet alleen de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] geschonden maar ook een gezonde seksuele ontwikkeling voor haar doorkruist. Verdachte heeft zich blijkbaar totaal niet om de mogelijke gevolgen voor [slachtoffer] bekommerd.

De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat naast de ernst van de feiten ook gekeken naar het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor dergelijke feiten met justitie in aanraking is geweest.

Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van de reclassering van 8 januari 2026. Het recidiverisico kan volgens de reclassering niet worden ingeschat. Bij een strafoplegging wordt gelet op verdachtes proceshouding door de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden geadviseerd.

De strafoplegging

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit enkel kan worden volstaan met een gevangenisstraf. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het taakstrafverbod van artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, omdat artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht een strafbedreiging kent van ten minste zes jaar en er sprake is van een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] .

De rechtbank komt tot een gedeeltelijk andere bewezenverklaring dan de officier van justitie. Mede daarin ziet zijaanleiding om af te wijken van de straf. In strafmatigende zin neemt de rechtbank mee dat de ontuchtige handelingen beperkt zijn gebleven tot twee incidenten. Daarnaast ziet zij aanleiding om een deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Nu verdachte geen verantwoordelijkheid neemt en zich bij seksuele avances kennelijk laat leiden door zijn eigen behoeften zonder acht te slaan op de belangen van anderen, acht de rechtbank een extra waarschuwing van belang.

Alles afwegend legt de rechtbank aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

7. De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een vergoeding van € 13.734,73, waarvan € 1.234,73 aan materiële schade en € 12.500,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte feit 1 heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is haar schade te vergoeden.

Er is gezien de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij dan ook onmiskenbaar sprake van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Er is dus sprake van een situatie waarin recht bestaat op vergoeding van (immateriële) schade.

De rechtbank constateert echter dat voldoende verband tussen de hoogte van de gestelde schade en het bewezenverklaarde handelen van verdachte (vooralsnog) ontbreekt. Verder onderzoek naar en behandeling van de hoogte van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Nu, gelet op de aard en ernst van de normschending, voor de rechtbank wel vast staat dat de benadeelde partij schade heeft geleden, is de rechtbank van oordeel dat zij de benadeelde partij op grond van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek enige vergoeding wegens geleden immateriële schade kan toekennen. Rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, schat de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 2.000,-. De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank daarom toewijsbaar tot dat bedrag. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf einde van de periode waarin het feit werd gepleegd, te weten 10 februari 2019. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57 en 245 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Benadeelde partij

T.a.v. feit 1

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 2.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 februari 2019 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer] , € 2.000,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 februari 2019 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 20 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. T.M. Brouwer, voorzitter, en mr. J.F.C. Janssen en mr. S.C.S. van Bree rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Verdult, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 6 februari 2026.

Mr. Brouwer is niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

1hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2019 tot enmet 10 februari 2019 te [plaats] , althans in Nederland,met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2003, die de leeftijd van twaalf jarenmaar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtigehandelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueelbinnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten- het duwen en/of brengen van zijn tong en/of vingers tussen de schaamlippenen/of in de vagina van die [slachtoffer] en/of- het duwen en/of brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] en/of- het (meermalen) (tong)zoenen van die [slachtoffer] ;( art 245 Wetboek van Strafrecht )

2hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2018 en 10februari 2019 te [plaats] , althans in Nederland, met[slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2003, die toen de leeftijd van zestien jarennog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeftgepleegd, te weten- het (meermalen) strelen en/of betasten van de rug en/of borsten van die[slachtoffer] en/of- het (meermalen) (tong)zoenen van die [slachtoffer] ;( art 247 Wetboek van Strafrecht )

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S.C.S. van Bree
  • mr. T.M. Brouwer
  • mr. J.F.C. Janssen

Griffier

  • mr. K. Verdult

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?