ECLI:NL:RBZWB:2026:686

ECLI:NL:RBZWB:2026:686

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 06-02-2026
Datum publicatie 06-02-2026
Zaaknummer 02-273184-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Bewezenverklaring mishandeling burger en politieagent, belediging politieagent en wederspannigheid. Oplegging ISD-maatregel voor de duur van twee jaar. Vordering benadeelde partij deels toegewezen. Vordering tenuitvoerlegging afgewezen, niet opportuun gelet op de opgelegde ISD-maatregel.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-273184-25

Parketnummer TUL: 02-227687-23

Vonnis van de meervoudige kamer van 6 februari 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

gedetineerd in [verblijfplaats] ,

raadsman mr. M. Broere, advocaat te Roosendaal, waarnemend

voor kantoorgenoot mr. T. Roggenkamp.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. I.M. Peters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 14 oktober 2025:

feit 1: [slachtoffer 1] heeft mishandeld;feit 2: politieagent [slachtoffer 2] heeft mishandeld, dan wel dat hij verzet heeft gepleegd bij

zijn aanhouding;feit 3: politieagenten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] heeft beledigd;feit 4: verzet heeft gepleegd bij zijn aanhouding.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de (primair) ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen ten aanzien van feit 1. Ten aanzien van feit 2 tot en met 4 voert de verdediging aan dat de politie niet in de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft gehandeld, zodat enkel een burger tot burgersituatie overblijft waarbij verdachte uit noodweer heeft gehandeld. Gelet op het voorgaande moet verdachte voor de mishandeling worden vrijgesproken en voor wat betreft de belediging en de wederspannigheid moet verdachte worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op 14 oktober 2025 met een vuist tegen zijn kin is geslagen. Nadat de politie ter plaatse kwam, heeft [slachtoffer 1] tegenover de politie verklaard dat de man die door hen werd aangehouden, de man is die hem heeft geslagen. Deze man betrof [verdachte] . De aangifte wordt ondersteund door de foto van de kin van [slachtoffer 1] . Verder wordt de aangifte nog extra ondersteund door de verklaring van [getuige] , waaruit voor de rechtbank de indruk is ontstaan dat verdachte zich op dat moment inderdaad gewelddadig gedroeg. Naar het oordeel van de rechtbank is de mishandeling van [slachtoffer 1] wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

De verdediging heeft aangevoerd dat de politie bij de aanhouding van verdachte niet in de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft gehandeld, omdat zij een geweldshandeling richting verdachte heeft gebruikt op het moment dat door verdachte nog geen geweld was gebruikt. Bij de beantwoording van de vraag of een politieambtenaar (in het kader van een aanhouding) handelt in de rechtmatige uitoefening van de bediening, dienen de proportionaliteit en de subsidiariteit van de uitvoeringshandelingen van die politieambtenaar te worden beoordeeld.

Uit het dossier volgt dat de politie verdachte een duw heeft gegeven. Deze duw volgde in reactie op het feit dat verdachte schreeuwde en druk met zijn handen aan het zwaaien was, waardoor hij telkens dicht met zijn handen bij het gezicht van verbalisant [slachtoffer 3] kwam. Verdachte is daar meermalen op aangesproken en hem is gezegd dat hij afstand moest nemen en zijn hond moest aanlijnen. Verdachte gaf daar geen gehoor aan, waarop hij een duw heeft gekregen van verbalisant [slachtoffer 3] . De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de politie proportioneel en subsidiair heeft gehandeld, zodat sprake was van een rechtmatige uitoefening van haar bediening.

Nu de politie heeft gehandeld in de rechtmatige uitoefening van haar bediening, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het mishandelen van verbalisant [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij tijdens het transport van verdachte naar het cellencomplex in haar pols werd gebeten door verdachte, waardoor zij pijn in haar pols voelde. Uit haar vordering tot schadevergoeding volgt bovendien dat zij naast pijn ook letsel heeft opgelopen. Gelet op de op ambtseed opgemaakte verklaring van verbalisant [slachtoffer 2] is de rechtbank van oordeel dat de mishandeling van [slachtoffer 2] wettig en overtuigend is bewezen. De verklaring van [slachtoffer 2] wordt bovendien nog ondersteund door de foto van haar pols.

Feit 3

De verdediging heeft ook voor feit 3 het verweer gevoerd dat de politie niet in de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft gehandeld. De rechtbank passeert ook dit verweer en verwijst daarvoor naar hetgeen daarover is overwogen onder feit 2.

Uit de processen-verbaal van bevindingen van verbalisanten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] volgt dat verdachte “kankerlijers”, “kanker puta” en “kankerhoer” naar hen heeft geroepen. Zij verklaren beiden dat zij zich daardoor in hun eer en goede naam aangetast voelden. Verdachte heeft ter zitting ook verklaard dat het best zo zou kunnen zijn dat hij de verbalisanten heeft uitgescholden. De rechtbank acht de belediging van verbalisanten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen.

Feit 4

De verdediging heeft ook voor feit 4 het verweer gevoerd dat de politie niet in de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft gehandeld. De rechtbank passeert ook dit verweer en verwijst daarvoor naar hetgeen daarover is overwogen onder feit 2.

Uit het proces-verbaal van verbalisant [slachtoffer 3] blijkt dat verdachte bij zijn aanhouding telkens een andere richting op bewoog dan de richting waar de verbalisanten met verdachte naartoe wilden. Uit het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] volgt dat ook tijdens het overbrengen van verdachte naar het cellencomplex sprake was van verzet. Zo heeft [verbalisant] verklaard dat verdachte tegenwerkte, zich los probeerde te maken van hem en zijn collega en dat verdachte met zijn benen in het rond begon te trappen. Vervolgens voelde [verbalisant] een schop tegen zijn enkel. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, doordat hij met zijn benen in het rond begon te trappen terwijl de verbalisanten hem vast hielden, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij de verbalisant zou raken door zijn schoppen, zodat sprake is van voorwaardelijk opzet op het schoppen van [verbalisant] . De rechtbank acht de wederspannigheid jegens de verbalisanten zoals genoemd in de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1

op 14 oktober 2025 te Tilburg [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] met kracht te slaan tegen de kin;

feit 2

op 14 oktober 2025 te Tilburg [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] met kracht te bijten in de pols, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van haar bediening;

feit 3

op 14 oktober 2025 te Tilburg opzettelijk meerdere ambtenaren, te weten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen "Kankerlijers" en "kanker puta" en "kankerhoer”;

feit 4

op 14 oktober 2025 te Tilburg zich met geweld heeft verzet tegen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] en [naam] en [verbalisant] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van de verdachte en het overbrengen van verdachte naar het cellencomplex door

- zich te bewegen in een andere richting dan de richting waarin voornoemden verdachte trachtten te bewegen en

- met kracht te trappen tegen de enkel van voornoemde [verbalisant] .

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn/haar strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een ISD-maatregel voor de duur van twee jaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank om in geval van strafoplegging over te gaan tot een voorwaardelijke ISD-maatregel. Indien de rechtbank daar niet in meegaat, verzoekt de verdediging om aan verdachte een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een mishandeling van een medeburger, een mishandeling van een politieagent, belediging van politieagenten en wederspannigheid. De rechtbank ziet in verdachte een verstoorde man die overlastgevende feiten blijft plegen, waarmee hij de maatschappij ontwricht en waar zowel burgers als politieagenten steeds last en hinder van ondervinden.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank stelt vast dat verdachte een flink strafblad heeft en dat sprake is van veelvuldig plegen van beledigingen en geweldsdelicten. Aan verdachte is tweemaal eerder een ISD-maatregel opgelegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 22 december 2025. Daaruit volgt dat de problematiek van verdachte al jarenlang resulteert in delictgedrag en overlastgevend gedrag voor de maatschappij. Het middelengebruik en de psychiatrische problematiek van verdachte en daarmee samenhangende motivatieproblemen, weerstand en zorgmijdend gedrag, maken dat van gedragsverandering tot op heden geen sprake is. De reclassering ziet ook geen aanwijzingen dat dit in de nabije toekomst zal veranderen. Ambulante en klinische begeleiding, zowel in vrijwillig als gedwongen kader, zijn ontoereikend gebleken om gedragsverandering en recidivevermindering te bewerkstelligen. Door psychotische ontregeling, langdurige weigering van medicatie, afhankelijkheid van middelen en een patroon van geweldsincidenten is vrijwillige begeleiding of ambulante dan wel klinische zorg ook niet passend, met name vanwege de beperkte uitvoerbaarheid. De reclassering ziet geen beschermende factoren meer. Verdachte is bekend binnen de Levensloopaanpak van de gemeente Tilburg , maar de vanuit daar verrichtte interventies hebben niet de gewenste uitkomst gehad. Tevens weigert verdachte contact met zowel behandelinstanties vanuit de Levensloopaanpak alsook met de reclassering. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog en de reclassering ziet een ISD-maatregel als enige realistische route om delictgevaar te beperken en minimale zorgcontinuïteit te waarborgen. Binnen een ISD-kader kan structuur, veiligheid, stabilisatie en individuele benadering worden geboden. Zorgprofessionals krijgen daarbij de tijd en ruimte om tot een werkbare behandelrelatie te komen om risicoreductie, diagnostiek en noodzakelijke zorg te organiseren nadat verdachte is gestabiliseerd. Eerder heeft een opgelegde ISD-maatregel ook een positief effect op verdachte gehad, waarna hij lange tijd uit beeld was bij politie en justitie. De Levensloopaanpak blijft zowel tijdens als ook na de ISD-maatregel actief.

Ter zitting heeft de reclassering nog naar voren gebracht dat de afgelopen jaren veel is gekeken naar de wensen van verdachte. De reclassering is tot de conclusie gekomen dat de geboden zorg niet toereikend is gebleken, mede omdat verdachte onvoldoende in staat is zich aan de regels te houden en zijn problematiek niet erkent. Tijdens de eerder opgelegde ISD-maatregelen bestond de Levensloopaanpak, waar verdachte nu bekend is, nog niet. Door deze Levensloopaanpak blijven de levensloopregisseur en -coördinator ook na de ISD-maatregel betrokken, waardoor sprake is van een langer traject en de verwachting is dat de nazorg beter ingeregeld kan worden. Het vinden van een passende woonplek voor verdachte vormt de grootste uitdaging en de reclassering vindt het verstandig als daarvoor buiten de regio Tilburg wordt gekeken. De Levensloopaanpak kan in dat geval worden overgedragen aan een andere regio.

ISD-maatregel

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of het passend en geboden is om aan verdachte een ISD-maatregel op te leggen. In haar oordeel over het al dan niet opleggen van de ISD-maatregel kijkt de rechtbank rekening naar twee dingen. In de eerste plaats moet worden voldaan aan de eisen die worden gesteld aan het kunnen opleggen van een ISD-maatregel. In de tweede plaats moet de oplegging van een ISD-maatregel passend worden geacht.

De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan alle eisen die de wet aan het opleggen van een ISD-maatregel stelt. Zo is voor het bewezen verklaarde misdrijf voorlopige hechtenis toegelaten. Bovendien is verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan dit misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel of vrijheidsbeperkende maatregel veroordeeld. De onderhavige feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregelen. Daarnaast is voldaan aan de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, nu over een periode van vijf jaren meer dan tien processen-verbaal tegen verdachte zijn opgemaakt, waarvan tenminste één in het afgelopen kalenderjaar. Ook blijkt uit het reclasseringsadvies dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan en dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist. Dat betekent dat aan verdachte een ISD-maatregel kan worden opgelegd.

De rechtbank heeft vervolgens gekeken of de oplegging van een ISD-maatregel in deze situatie ook passend is. Voorop staat dat de ISD-maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van verdachte. Daarnaast kan de maatregel een oplossing bieden voor de problematiek van de verdachte. De ISD-maatregel moet, gelet op de duur en het karakter van de maatregel, als ultimum remedium worden beschouwd. De rechtbank constateert dat verdachte steeds opnieuw overlast en schade veroorzaakt met zijn handelen. De in het verleden aan verdachte opgelegde straffen en maatregelen hebben er niet toe geleid dat hij dit gedrag heeft veranderd. De reclassering schat het recidiverisico in als hoog. Dit alles maakt dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw strafbare feiten zal plegen. De rechtbank acht een ‘kale’ afstraffing van verdachte niet passend gelet op wat goed is voor verdachte zelf en voor de veiligheid van de maatschappij. Verdachte wordt op die manier namelijk niet langdurig behandeld. De rechtbank heeft ook geen enkel aanknopingspunt voor de oplegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel, zoals verzocht door de raadsman. Zij is het met de deskundige eens dat er is gekeken naar andere mogelijkheden. Deskundigen zijn in een multidisciplinair overleg tot de conclusie gekomen dat er geen andere optie passend is dan een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. De rechtbank neemt deze conclusie over. Zij acht het ook passend en noodzakelijk de ISD-maatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte heeft immers veelvuldig en stelselmatig strafbare feiten gepleegd en dat patroon moet worden doorbroken. Om voornoemde doelen te bereiken, is diagnostiek en een adequate en gerichte behandeling van verdachte nodig, hetgeen tijd nodig heeft.

De rechtbank zal de ISD-maatregel daarom voor de maximale duur van twee jaren zonder aftrek van voorarrest opleggen. Daarbij merkt de rechtbank nadrukkelijk op dat, gelet op wat er ter zitting is besproken, de uitvoering van deze maatregel het beste kan plaatsvinden in een andere regio dan de regio Tilburg , zodat verdachte een nieuwe start kan maken.

7. De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een vergoeding van € 263,- aan immateriële schade voor feit 2.

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.

De door de benadeelde gevorderde vergoeding van immateriële schade acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 250,-, gelet op de onderbouwing en de hoogte van de schadevergoedingen die in min of meer vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal de vordering van immateriële schade voor het overige afwijzen.

Wettelijke rente

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 14 oktober 2025.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8. De vordering tenuitvoerlegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering dat de voorwaardelijke geldboete van € 300,- die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 december 2023, parketnummer 02-227687-23, ten uitvoer zal worden gelegd herzien. Gelet op de strafeis dient de vordering tot tenuitvoerlegging te worden afgewezen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank zal hiertoe echter niet besluiten, omdat zij dat niet opportuun acht gelet op de opgelegde ISD-maatregel.

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 38m, 38n, 57, 180, 266, 267, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: mishandeling;

feit 2 primair: mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake

van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

feit 3: eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake

van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;

feit 4: wederspannigheid, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Maatregel

- gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 2) van € 250,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 14 oktober 2025 tot aan de dag der voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;

- wijst het overige gedeelte van de vordering af;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 2] , € 250,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 14 oktober 2025 tot aan de dag der voldoening;

- bepaalt dat bij niet betaling 2 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.M. Brouwer, voorzitter, en mr. J.F.C. Janssen en mr. S.C.S. van Bree, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Spelde, griffier,

en is uitgesproken ter de openbare zitting op 6 februari 2026.

Mr. Brouwer en mr. Van Spelde zijn niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

1

hij op of omstreeks 14 oktober 2025 te Tilburg , in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] met kracht te slaan tegen de kin, in elk geval tegen het lichaam;

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2

hij op of omstreeks 14 oktober 2025 te Tilburg , in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] met kracht te bijten in de pols, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening;

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 304 lid 1 ahf/sub 3° Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 oktober 2025 te Tilburg , in elk geval in Nederland, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, te weten [slachtoffer 2] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van haar bediening, te weten ter aanhouding van verdachte en/of het vervoer van verdachte naar het cellencomplex, door

- met kracht te bijten in de pols van voornoemde [slachtoffer 2] en/of

- zich te bewegen in een andere richting dan de richting waarin die [slachtoffer 2] verdachte trachtte te bewegen, terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten een tandafdruk op de pols bij die [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad;

( art 181 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

3

hij op of omstreeks 14 oktober 2025 te Tilburg , in elk geval in Nederland, opzettelijk een meerdere ambtenaren, in elk geval een ambtenaar, te weten [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun/zijn/haar bediening, in hun/zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen/hem/haar meermalen, in elk geval eenmaal, de woorden toe te voegen "Kankerlijers" en/of "kanker puta" en/of "kankerhoer”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

( art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 267 lid 1 ahf/sub 2° Wetboek van Strafrecht )

4

hij op of omstreeks 14 oktober 2025 te Tilburg , in elk geval in Nederland, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen meerdere, in elk geval een ambtenaar, te weten [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] en/of [naam] en/of [verbalisant] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun/zijn/haar bediening, te weten ter aanhouding van de verdachte en/of het vervoer en/of overbrengen van verdachte naar het cellencomplex door

- zich te bewegen in een andere richting dan de richting waarin voornoemde meerdere, in elk geval een ambtenaar verdachte trachtte te bewegen en/of

- met kracht te trappen tegen de enkel van voornoemde [verbalisant] ;

( art 180 Wetboek van Strafrecht )

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?