RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/446617 / JE RK 26-547
Datum uitspraak: 24 juni 2026
Nadere beschikking machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, ZEELAND–WEST-BRABANT, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
betreffende de minderjarigen
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2017 te [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige 1],
en
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2020 te [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats],
advocaat: mr. M.S. Krol uit Rotterdam,
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats],
advocaat: mr. H. Mink te Oost-Souburg.
1. Het nadere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 20 april 2026, en alle daarin opgenomen en vermelde stukken;
- het briefrapport van de GI van 15 juni 2026 met bijlagen, ontvangen op 15 juni 2026.
Op 24 juni 2026 heeft de kinderrechter de zaak met gesloten deuren nader mondeling behandeld. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
De kinderrechter heeft de [minderjarige 1] gelet op haar leeftijd in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. [minderjarige 1] heeft daar geen gebruik van gemaakt.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
Bij beschikking van 30 juli 2020 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van [stichting] voor de duur van een jaar, met ingang van 30 juli 2020 en tot 30 juli 2021.
Bij beschikking van 10 februari 2026 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 10 februari 2026 en tot 24 februari 2026. Tevens is voor diezelfde periode een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verleend. Dit betreft een brede machtiging, te weten voor het verblijf van de minderjarigen bij de vader zonder gezag dan wel voor een plaatsing in een (netwerk)pleeggezin. Het resterende deel van de verzoeken is aangehouden.
Bij beschikking van 23 februari 2026 is het resterende deel van de verzoeken toegewezen en zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 24 februari 2026 en tot 10 mei 2026 en is ook voor deze periode een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verleend.
Bij beschikking van 20 april 2026 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, met ingang van 20 april 2026 en tot 20 april 2027. Ook is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verleend bij de andere ouder zonder gezag, te weten de vader, voor de duur van drie maanden, met ingang van 20 april 2026 en tot 20 juli 2026, onder aanhouding van het resterende deel.
Op grond van de laatstgenoemde machtiging verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder zonder gezag, te weten de vader, te verlenen voor de duur van zes maanden.
Op dit punt in de procedure ligt nog ter beoordeling voor het resterende verzoek van de Raad tot machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder zonder gezag, te weten de vader, voor de periode van 20 juli 2026 en tot 20 oktober 2026.
4. De verdere standpunten
De Raad handhaaft het resterende deel van het verzoek. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in hun jonge leven veel ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt en instabiliteit en onveiligheid ervaren. Daardoor zijn zij beschadigd en is hun gehechtheidsrelatie onder druk komen te staan. Bij [minderjarige 1] is er sprake (geweest) van een afwijzende houding ten aanzien van (het contact met) de moeder. Wat de precieze oorzaak hiervan is, is nog onduidelijk. Daarom dient er volgens de Raad naast speltherapie ook traumascreening voor de minderjarigen te worden ingezet, zodat duidelijk wordt welke schade zij hebben opgelopen en daar vervolgens passende hulpverlening voor kan worden ingezet. De vader heeft het traject Goed Genoeg Ouderschap inmiddels positief afgerond. Er wordt een sensitieve, responsieve vader gezien, die zijn verantwoordelijkheid neemt, de verzorging en opvoeding van de minderjarigen serieus neemt en openstaat voor hulpverlening. Daarvoor verdient de vader een groot compliment. De moeder heeft de afgelopen periode ongeveer de helft van de afspraken met de hulpverlening afgezegd en tweemaal geweigerd een drugstest af te laten nemen. Hierdoor is het nog niet gelukt om zicht te krijgen op (de opvoedsituatie van) de moeder, de zorgen in kaart te brengen en deze te verminderen. Het is wel positief dat er onlangs een eerste contact heeft plaatsgevonden tussen de moeder en [minderjarige 2]. Dit contact moet nu structureel gaan plaatsvinden, omdat het vertrouwen van [minderjarige 2] in de moeder breekbaar is. De Raad gunt de moeder en de minderjarigen het contact met elkaar en hoopt dat het de moeder de komende tijd lukt om zich in het belang van de minderjarigen in te gaan zetten voor de hulpverlening. In afwachting daarvan dient het restantverzoek tot machtiging uithuisplaatsing van de minderjarigen bij de vader te worden toegewezen.
Door en namens de moeder wordt geen verweer gevoerd tegen het verzoek. De moeder vindt het fijn dat de minderjarigen bij de vader verblijven en niet elders. Zij juicht het contact tussen de vader en de minderjarigen toe en verleent de minderjarigen emotionele toestemming. Wel mist de moeder de minderjarigen ontzettend. Er moet dan ook zo snel mogelijk worden ingezet op contactherstel tussen de moeder en de minderjarigen. Pas daarna kan het Goed Genoeg Ouderschap bij de moeder in kaart worden gebracht. Verder zijn er volgens de moeder maar twee afspraken met de hulpverlening niet doorgegaan, niet omdat zij daar niet toe bereid was, maar omdat deze voor haar niet mogelijk waren. Ook was haar telefoon in brand gevolgen, waardoor zij tijdelijk niet bereikbaar was. De moeder staat open voor (persoonlijke) hulpverlening, al vindt zij het wel lastig dat er telkens weer nieuwe hulpverleners bij haar langskomen. Zij zal voortaan ook haar medewerking verlenen aan drugstesten. De moeder vindt het tot slot wel kwalijk dat er veel onwaarheden over haar worden verteld. Zo staat [minderjarige 1] volgens de moeder wel open voor contact met de moeder. Beide minderjarigen vliegen de moeder namelijk om de hals als zij haar zien.
Door en namens de vader wordt ingestemd met het verzoek. Het gaat goed met de minderjarigen bij de vader thuis en de vader heeft het traject Goed Genoeg Ouderschap positief afgerond. Desondanks voelt de vader constant een bepaalde druk vanuit de hulpverlening, alsof hij zich telkens moet bewijzen. De vader heeft verder geen problemen met het contact tussen de minderjarigen en de moeder. Het klopt dat beide minderjarigen normaal reageren als zij de moeder tegenkomen. Ook is het contact tussen de moeder en [minderjarige 2] recent goed verlopen.
De GI stemt in met het restantverzoek van de Raad. Er is de afgelopen periode goed zicht verkregen op de vader door middel van de inzet van Goed Genoeg Ouderschap, IPT en het goede contact met de vader. Er worden bij de vader weinig zorgen gezien. De vader zorgt goed voor de minderjarigen en het gaat goed met hen bij de vader thuis. Ook zijn er op school geen zorgen meer over de minderjarigen. Er zal enkel nog hulpverlening bij de vader worden ingezet voor praktische zaken. De situatie van de moeder is sinds de vorige zitting nauwelijks vooruitgegaan. Het heeft lang geduurd voordat het contact met de moeder tot stand kwam en het contact is sindsdien moeizaam verlopen. De moeder heeft veel afspraken met de hulpverlening afgezegd en het is niet gelukt om deze in te halen. Het is ook nog niet gelukt om Goed Genoeg Ouderschap bij de moeder in kaart te brengen. Afgelopen maand is het zelfs helemaal niet gelukt om met de moeder in contact te komen. Haar telefoon zou zijn ontploft. Uiteindelijk heeft de moeder vorige week zelf contact opgenomen met de GI. Kort daarna is er een contactmoment geweest tussen de moeder en [minderjarige 2], dat goed is verlopen. [minderjarige 1] heeft bij de hulpverlening aangegeven dat zij geen contact met de moeder wil. Tijdens de zitting hoort de GI voor het eerst dat [minderjarige 1] daar wel voor open zou staan. Dat is positief. De GI zal dat aan de hulpverlening terugkoppelen. Het is belangrijk dat er structureel contact tussen de moeder en de minderjarigen gaat ontstaan. Daarbij benoemt de GI op vraag van de kinderrechter dat er geen NICHD-onderzoek zal worden ingezet, omdat dit volgens de gedragswetenschapper erg belastend is voor de minderjarigen en het de vraag is of dit meer gaat opleveren dan speltherapie. Voor de speltherapie staan de minderjarigen nu op de wachtlijst. De GI ziet evenmin reden om psychodiagnostisch onderzoek bij de ouders in te zetten. Bij beide ouders loopt de hulpverlening in de vorm van IPT de komende tijd nog door. Tot slot ziet de GI geen enkel signaal van een bepaalde vorm van controle vanuit de vader naar de moeder. Daar is volgens de GI geen sprake van (geweest).
5. De nadere beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder zonder gezag, te weten de vader, nog steeds noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. Daarom zal de kinderrechter het onweersproken (restant)verzoek van de Raad toewijzen en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen bij de vader verlenen voor de resterende duur van drie maanden, te weten met ingang van 20 juli 2026 en tot 20 oktober 2026. De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.
De kinderrechter stelt op basis van de stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht vast dat er nog steeds sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De minderjarigen zijn langdurig getuige geweest van huiselijk geweld tussen de ouders en er is sprake van een gebrekkige communicatie tussen de ouders. Ook zijn er zorgen over de opvoedsituatie van de moeder, waarbij het de minderjarigen – mogelijk (mede) door de persoonlijke problematiek van de moeder – structureel aan rust en emotionele veiligheid heeft ontbroken. Er zijn zorgen over de belasting van de minderjarigen door de moeder en het ontbreken van voldoende basiszorg in de thuissituatie bij de moeder. Al deze zorgen hebben er eerder toe geleid dat de kinderen onder toezicht zijn gesteld van de GI en met een daartoe strekkende machtiging bij de vader verblijven.
Gedurende de afgelopen periode is er goed zicht verkregen op de (opvoed)situatie van de vader. Hierbij is gebleken dat hier geen zorgen (meer) over zijn. De vader slaagt er goed in de opvoeding en verzorging van de minderjarigen vorm te geven, bij hen aan te sluiten en hen de benodigde stabiliteit te bieden. Hierdoor gaat het goed met de minderjarigen bij de vader thuis en op school. Ook heeft de vader het traject Goed Genoeg Ouderschap positief afgerond en werkt hij goed mee aan de hulpverlening. Met de Raad vindt de kinderrechter dat de vader hiervoor een groot compliment verdient. Hij houdt de belangen van de minderjarigen goed voor ogen en handelt daar naar.
Het is de kinderrechter tegelijkertijd gebleken dat het de afgelopen periode niet is gelukt om zicht te verkrijgen op de opvoedsituatie van de moeder en haar persoonlijke omstandigheden. Uit de stukken blijkt dat de moeder regelmatig niet bereikbaar is voor de GI en zich beperkt beschikbaar stelt voor afspraken met de hulpverlening. Er zouden meerdere afspraken met de hulpverlening geen doorgang hebben gevonden en de moeder heeft tweemaal geweigerd haar medewerking te verlenen aan het afnemen van een drugstest. Hierdoor is het nog niet gelukt om toe te werken naar contactherstel tussen de moeder en de minderjarigen. Er heeft recent wel weer een eerste contactmoment tussen de moeder en [minderjarige 2] plaatsgevonden, dat goed is verlopen. Tussen de moeder en [minderjarige 1] is er al lange tijd geen contact geweest. [minderjarige 1] gaf eerder bij de hulpverlening heel stellig aan dat zij geen contact wilde met haar moeder, maar daar lijkt mogelijk verandering in te zijn gekomen nu zij de moeder wel enthousiast begroet als ze haar onverwacht tegenkomen. De GI heeft toegezegd dit met de hulpverlening te gaan bespreken en waar mogelijk spoedig in te zetten op contact(herstel) tussen de moeder en beide minderjarigen. Het is in het belang van [minderjarige 2] dat het opgestarte begeleide contact, als dit goed blijft verlopen, structureel doorgang blijft hebben en dat er zicht komt op de mogelijkheden van [minderjarige 1] tot (begeleid) contactherstel met de moeder.
Gezien het voorgaande constateert de kinderrechter dat er in de (opvoed)situatie van de moeder nog vrijwel geen vooruitgang heeft plaatsgevonden. De eerder genoemde, forse zorgen zijn nog niet in kaart gebracht of verminderd. Gelet daarop, en gezien de omstandigheid dat alle betrokken partijen tijdens de zitting hebben aangegeven in te kunnen stemmen met een voorzetting van het verblijf van de minderjarigen bij de vader, ziet de kinderrechter aanleiding om het resterende verzoek van de Raad toe te wijzen. Dit acht de kinderrechter noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder zonder gezag, te weten de vader, voor de resterende duur van drie maanden, met ingang van 20 juli 2026 en tot 20 oktober 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2026 door mr. Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Haas als griffier, en op schrift gesteld op 2 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.