RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446196 / FA RK 26-1414
Datum uitspraak: 24 juni 2026
Beschikking van de rechtbank over gezag
in de zaak van
[de man] ,
hierna te noemen de man,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. J.M.G. Cox uit Tilburg,
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[persoon 1] ,
hierna te noemen [persoon 1] ,
wonende in [woonplaats] .
Over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1. Het verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 maart 2026;
het e-mailbericht van [persoon 1] ontvangen op 2 april 2026, betreffende de aanvaarding van de voogdij.
De zitting heeft, met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
[persoon 1] ;
- een vertegenwoordiger van de Raad.
De rechter heeft voor de zitting gesproken met [minderjarige] .
2. De feiten
De man is gehuwd geweest met [de vrouw] (hierna te noemen: de vrouw). Bij beschikking van [datum 1] 2022 is de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op [datum 2] 2022 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Uit het huwelijk van partijen is [minderjarige] geboren.
De vrouw is op [datum 3] 2025 onverwacht overleden.
Na de scheiding is het ouderlijk gezag van de man en de vrouw ten aanzien van [minderjarige] gehandhaafd. Door het overlijden van de moeder van [minderjarige] is nu enkel de man belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Na de scheiding van zijn ouders is [minderjarige] , samen met zijn moeder en zijn beide inmiddels meerderjarige zussen [persoon 2] en [persoon 1] in de woning in [geboorteplaats] blijven wonen, waar hij momenteel nog steeds woont.
3. Het verzoek
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht te verklaren dat verzoeker in de onmogelijkheid verkeert om het ouderlijk gezag ten aanzien van [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2009, uit te oefenen;
te bepalen dat [persoon 1] , geboren op [geboortedag 2] 2002 te [geboorteplaats] , tot voogd over [minderjarige] zal worden benoemd;
dan wel een beslissing te nemen die uw rechtbank in het belang van [minderjarige] , geboren op [geboortedag 1] 2009 te [geboorteplaats] , noodzakelijk acht.
4. De standpunten
Ter onderbouwing van het verzoek voert de man, samengevat, het volgende aan. De ouders van [minderjarige] zijn in 2022 gescheiden. Na de scheiding is [minderjarige] , samen met zijn moeder en zijn beide inmiddels meerderjarigen zussen [persoon 2] en [persoon 1] , in de ouderlijke woning in [woonplaats] blijven wonen. De bij de echtscheiding overeengekomen zorgregeling is na de scheiding niet uitgevoerd. De man is niet betrokken bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Op [datum 3] 2025 is de moeder van [minderjarige] onverwachts overleden. [minderjarige] woont op dit moment nog steeds bij zijn beide zussen in [woonplaats] en heeft ook de nadrukkelijke wens om hier te blijven wonen. De man wil graag dat [minderjarige] bij zijn zussen in de voor hem vertrouwde woning kan blijven wonen. Verder wil de man dat zijn zus [persoon 1] alle belangrijke beslissingen kan nemen die in het belang en nodig zijn voor [minderjarige] . [persoon 1] is op dit moment beter dan de man in staat om op een verantwoorde wijze de zorg voor [minderjarige] op zich te nemen. De man heeft aangegeven dat hij de afgelopen jaren veel heeft meegemaakt en momenteel geen emotionele draagkracht heeft. Hij heeft veel meegemaakt, waaronder de scheiding en twee overlijdens in de familie. Daarom acht hij zichzelf niet in staat om gezagsbeslissingen te nemen. Ook vindt de man het belangrijk dat [persoon 1] , ten behoeve van de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] , aanspraak kan maken op alle mogelijke voorzieningen en derhalve is het ook van belang dat de financiën ten behoeve van [minderjarige] goed geregeld kunnen worden. Gelet op het voorgaande wenst de man dat zijn gezag ten aanzien van [minderjarige] wordt beëindigd/geschorst, waarbij zijn oudste dochter [persoon 1] tot voogd wordt benoemd over [minderjarige] . [persoon 1] is bekend met dit verzoek en is ook bereid om het voogdijschap over [minderjarige] aan te nemen. Ook [minderjarige] is bekend met het verzoek en is het ermee eens.
[minderjarige] heeft in het kindgesprek, samengevat, aangegeven dat het goed met hem gaat. Hij stemt in met het verzoek, hij vindt het goed als zijn zus de beslissingen over hem kan nemen. [minderjarige] heeft wel contact met zijn vader; zij bellen elkaar. Hij ziet hem ook af en toe.
[persoon 1] heeft het volgende naar voren gebracht. Sinds het overlijden van hun moeder neemt zij de zorg voor [minderjarige] op zich. [minderjarige] woont bij haar. Zij wil haar vader niet in een slecht daglicht stellen; zij respecteert dat hij de vader van haar broertje is. Het verzoek komt voort uit de situatie zoals die nu is. Sinds het overlijden van hun moeder in december draagt zij de zorg en opvoeding van [minderjarige] en regelt zij tevens zijn financiële zaken. Zij begeleidt hem bij school en het dagelijkse leven en betaalt de kosten die daarvoor gemaakt worden. Haar vader heeft moeite gehad met de scheiding, het verlies van zijn vader en van zijn ex-vrouw. [persoon 1] is nauw betrokken bij school en het dagelijks leven van [minderjarige] . Zij wil niemand buitenspel zetten, maar zij wenst dat de juridische werkelijkheid aansluit bij de feitelijke situatie waarin de zorg momenteel door haar wordt uitgevoerd. Tot op heden heeft zij bij regelzaken geen handtekening van haar vader nodig gehad. Het belangrijkste voor haar is dat er stabiliteit en rust is voor [minderjarige] .
De Raad adviseert als volgt. De Raad snapt dat het verzoek is gedaan op emotioneel vlak, maar vraagt zich af wat de juridische noodzaak ervan is. Op het moment dat er gezagsbeslissingen genomen worden, overlegt [persoon 1] dit met de vader, en hij kan daarvoor dan tekenen. Ook zijn de financiële zaken op dit moment geregeld. De Raad vraagt zich af of toewijzing van het verzoek noodzakelijk is, gezien de goede samenwerking tussen [persoon 1] en de vader.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Ingevolge artikel 1:253q lid 1, eerste zin, van het Burgerlijk Wetboek (BW) oefent, wanneer een van de ouders die gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen op een der in artikel 1:246 BW genoemde gronden daartoe onbevoegd is, de andere ouder alleen het gezag over de kinderen uit.
Ingevolge artikel 1:253r lid 1 BW is het bepaalde in artikel 1:253q BW van overeenkomstige toepassing, indien:
a. a) een van de ouders al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen; of
b) het bestaan of de verblijfplaats van een of beide ouders onbekend is.
Ingevolge het tweede lid van dat artikel is, gedurende de tijd waarin een van de in het eerste lid bedoelde omstandigheden zich voordoet, het gezag dat aan één of beide ouders toekomt geschorst. Het gezag wordt dan door de andere ouder alleen uitgeoefend.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank overweegt het volgende. Het uitgangspunt van de wet is dat het gezag niet ter vrije bepaling is van partijen; met andere woorden, een ouder kan niet vrijwillig afstand doen van het gezag. Voor schorsing van het gezag moet sprake zijn van een situatie zoals omschreven in artikel 1:253r lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. Dit betekent dat één van de ouders (al dan niet tijdelijk) niet in staat moet zijn het gezag uit te oefenen, of dat de verblijfplaats van die ouder onbekend is. De rechtbank moet toetsen of van een dergelijke situatie sprake is. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval.
De ouders van [minderjarige] zijn in 2022 gescheiden. Na de scheiding is [minderjarige] , samen met zijn moeder en zijn beide inmiddels meerderjarigen zussen [persoon 2] en [persoon 1] , in de ouderlijke woning in [geboorteplaats] blijven wonen. Op [datum 3] 2025 is de moeder van [minderjarige] onverwachts overleden. [minderjarige] woont op dit moment nog steeds bij zijn beide zussen in [geboorteplaats] en blijft daar ook wonen. Sinds het overlijden van hun moeder in december draagt [persoon 1] de zorg en opvoeding van [minderjarige] en regelt zij ook zijn financiële zaken. Zij is nauw betrokken bij zijn school en dagelijks leven. Hoewel de man niet actief betrokken is bij de verzorging en opvoeding, heeft hij wel contact met [minderjarige] en ziet hij hem af en toe. Hij heeft ook contact met [persoon 1] . Desgevraagd heeft de man aangegeven zijn handtekening te zullen zetten als [persoon 1] dat van hem vraagt.
De rechtbank concludeert hieruit dat de situatie op deze manier goed loopt. Het is duidelijk dat partijen bij de feitelijke uitvoering van de zorgtaken en het nemen van (gezags)beslissingen over [minderjarige] geen problemen ervaren. Integendeel, de samenwerking en het contact tussen de vader en [persoon 1] verloopt goed en de vader werkt mee wanneer zijn handtekening nodig is. Gezien de leeftijd van [minderjarige] is voorts niet te verwachten dat er tot zijn meerderjarigheid nog veel gezagsbeslissingen genomen moeten worden. Op basis van dit alles en het hiervoor genoemde uitgangspunt zal de rechtbank het verzoek afwijzen.
De rechtbank benadrukt dat deze beslissing geen afbreuk doet aan de huidige situatie, waarin [persoon 1] alles goed voor [minderjarige] heeft geregeld. Het is mooi en bewonderenswaardig dat zij zo betrokken is bij zijn welzijn. Daarnaast is het positief dat de man en [persoon 1] in het belang van [minderjarige] goed met elkaar samenwerken.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.