RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448121 / JE RK 26-832
Datum uitspraak: 24 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland–West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. S. van Reeven-Özer uit Waalwijk,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] (België),
advocaat mr. I.W.A.J. van Pelt uit Tilburg.
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI).
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 mei 2026.
De zitting heeft, met gesloten deuren, plaatsgevonden op 15 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
Gelet op de nauwe samenhang van de onderhavige zaak met het door de moeder ingediende verzoek over het vaststellen van een vakantieregeling en vervangende toestemming voor vakantie en diagnostisch onderzoek (met kenmerk C/02/446383 / FA RK 26-1523), zijn beide verzoeken gelijktijdig mondeling behandeld. De beslissing in de andere zaak staat in een aparte beschikking.
2. De feiten
De ouders zijn op [datum 1] 2017 in [plaats] (Rusland) met elkaar gehuwd.
Bij beschikking van [datum 2] 2022 van deze rechtbank is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op [datum 3] 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijk stand die daarvoor zijn bedoeld.
[minderjarige] is tijdens het huwelijk van de ouders geboren.
De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij haar moeder. Zij verblijft eens per veertien dagen van vrijdag 18:00 uur tot zondag 18:30 uur bij haar vader.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
Ter onderbouwing van het verzoek voert de Raad, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] woont bij haar moeder, en zij verblijft om de week van vrijdag tot zondag bij haar vader in België. [minderjarige] groeit op in een situatie waarin sprake is van een langdurige en hardnekkige strijd tussen haar ouders en de Raad heeft hier veel zorgen over. Zij wordt herhaaldelijk blootgesteld aan spanningen en conflicten tussen haar ouders, zowel direct, bijvoorbeeld tijdens overdrachtsmomenten en incidenten waarbij politie betrokken is geweest, als indirect, via communicatie en gebeurtenissen die zij meekrijgt. [minderjarige] heeft last van deze strijd tussen haar ouders. In de basis lijkt [minderjarige] het naar haar zin te hebben bij beide ouders, maar met name de overgang en verbinding tussen beide opvoedsituaties – het kunnen bellen met moeder en het vertrouwen dat zij weer teruggaat naar haar moeder – staat onder druk en roept spanning op. [minderjarige] krijgt veel mee van de problematiek tussen de ouders en laat een zoekende en aanpassende houding zien. Deze signalen wijzen op loyaliteitsproblemen, waarbij [minderjarige] klem zit tussen haar ouders en onvoldoende ruimte ervaart om vrij haar gevoelens en behoeften te uiten. Er zijn ernstige zorgen over de communicatie tussen de ouders. De communicatie wordt veelal gekenmerkt door verwijten, beschuldigingen en een dwingende of escalerende toon, met name vanuit de vader richting de moeder. De ouders slagen er onvoldoende in om op een constructieve en kindgerichte wijze met elkaar te communiceren. Dit leidt regelmatig tot escalaties, onduidelijkheid over afspraken en spanningen rondom de uitvoering van de zorgregeling. Op dit moment lijkt de zorgregeling redelijk voorspelbaar te verlopen. In het verleden is echter wel sprake geweest van onduidelijkheid en wisselingen. Er ontstaat nog met enige regelmaat discussie tussen de ouders over praktische zaken rondom de uitvoering van de regeling. Het ontbreekt daarnaast bij de vader aan volledig zicht op de opvoed- en woon/leefsituatie. Er zijn signalen vanuit de moeder (en [minderjarige] ) over hygiëne en verzorging, die door de vader worden weersproken. Door het ontbreken van verificatie blijft hierover onduidelijkheid bestaan, hetgeen maakt dat deze zorgen niet kunnen worden bevestigd, maar ook niet kunnen worden ontkracht of weggenomen. Specifiek bij de vader vormt het beperkte vertrouwen in en de medewerking aan Nederlandse hulpverlening een belemmering. De vader verleent geen toestemming voor de inzet van (bepaalde) hulpverlening voor [minderjarige] vanuit Nederlandse instanties. De toegang tot passende ondersteuning wordt belemmerd en kan niet worden ingezet. Aan de zijde van moeder is het sociale netwerk beperkt, waardoor zij minder kan terugvallen op informele ondersteuning. Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat de mogelijkheden van ouders om de zorgen binnen een vrijwillig kader weg te nemen onvoldoende zijn. Eerdere hulpverlening heeft niet geleid tot duurzame verbetering, mede doordat samenwerking en naleving van afspraken uitbleven. De inzet van hulpverlening blijft noodzakelijk. Daarnaast is regie noodzakelijk op de uitvoering van de hulpverlening en de naleving van afspraken. Gelet op het voorgaande is een ondertoezichtstelling noodzakelijk.
Door en namens de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij achter de ondertoezichtstelling staat. Het raadsrapport geeft een duidelijk beeld van de situatie. De moeder hoopt dat er snel een jeugdbeschermer aan de slag kan gaan.
Door en namens de vader is, samengevat, aangegeven dat hij niet onwelwillend tegenover een ondertoezichtstelling staat. Een ondertoezichtstelling kan helpend zijn. De communicatie tussen de ouders verloopt niet goed. De vader heeft wel slechte ervaringen gehad met hulpverleningsinstanties, waardoor hij in eerste instantie enigszins terughoudend is.
Door de GI is aangegeven dat de urgentie van deze zaak wordt gezien. Indien de ondertoezichtstelling wordt uitgesproken zal [minderjarige] niet op een wachtlijst geplaatst worden, maar onmiddellijk worden toegewezen aan een vaste jeugdbeschermer. Deze zal op zeer korte termijn starten. De GI staat achter het raadsrapport en benadrukt dat er snel iets moet gebeuren om de situatie van [minderjarige] te verbeteren.
5. De beoordeling
Rechtsmacht
Door de omstandigheid dat de man in België woont, hij en [minderjarige] de Belgische nationaliteit bezitten en de vrouw de Russische, heeft deze zaak een internationaal karakter zodat eerst de vraag beantwoord dient te worden of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toekomt.
Op grond van artikel 7 lid 1 van de Brussel II-ter Verordening zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarigen hun gewone verblijfplaats hebben op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Het verzoek van de Raad tot een ondertoezichtstelling valt onder deze ouderlijke verantwoordelijkheid.
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek kennis te nemen en daarop te beslissen.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting blijkt dat er veel zorgen zijn over de (opvoed)situatie van [minderjarige] . [minderjarige] groeit op in een situatie waarin sprake is van een langdurige en hardnekkige strijd tussen haar ouders. Zij wordt herhaaldelijk blootgesteld aan spanningen en conflicten, zowel direct als indirect. [minderjarige] ervaart hierdoor stress en onveiligheid. Daarnaast laat zij signalen zien dat er sprake is van loyaliteitsproblematiek, waarbij zij zich aanpast aan de situatie en haar eigen behoeften ondergeschikt maakt. Er is sprake van onvoldoende stabiliteit en voorspelbaarheid in haar opvoedsituatie, onder meer door voortdurende discussies en onduidelijkheid over de uitvoering van de zorgregeling. Daarnaast ontbreekt het zicht op de opvoed- en woonsituatie bij de vader, waardoor onduidelijk is of de zorgen op dat vlak terecht zijn of niet.
De mogelijkheden van beide ouders om de zorgen vrijwillig weg te nemen zijn onvoldoende gebleken. Eerdere hulpverlening heeft geen blijvende verbetering gebracht, mede door gebrek aan samenwerking tussen de ouders en het niet naleven van afspraken. De inzet van hulpverlening is noodzakelijk, evenals regie op de uitvoering daarvan en op naleving van afspraken.
De ondertoezichtstelling is daarom noodzakelijk. De kinderrechter zal [minderjarige] onder toezicht stellen voor de duur van een jaar.
De kinderrechter is, samen met de Raad, van oordeel dat er de komende periode gewerkt moet worden aan de volgende doelen:
[minderjarige] ervaart rust, voorspelbaarheid en duidelijkheid in haar dagelijks leven en in het contact met beide ouders;
[minderjarige] wordt niet langer belast met conflicten tussen haar ouders en hoeft hierin geen positie in te nemen;
[minderjarige] voelt zich vrij en veilig om haar gevoelens en behoeften te uiten naar beide ouders, zonder angst voor reacties of consequenties;
[minderjarige] heeft onbelast, structureel en voorspelbaar contact met beide ouders;
[minderjarige] krijgt de ruimte om kind te zijn, zonder verantwoordelijkheid te dragen voor de problematiek tussen haar ouders;
[minderjarige] heeft toegang tot een neutrale volwassene bij wie zij terecht kan om haar gevoelens en ervaringen te bespreken.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 24 juni 2026 tot 24 juni 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.