RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448412 / JE RK 26-882
Zaaknummer: C/02/448423 / JE RK 26-883
Datum uitspraak: 24 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging uithuisplaatsing
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2011 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2014 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. J.L.J de Vos uit Goes,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de stiefvader] ,
hierna te noemen: de stiefvader,
wonende in [woonplaats 1] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt in de procedure met zaaknr. C/02/448412 / JE RK 26-882 de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 15 mei 2026;
- het bericht van de GI met bijlagen, ontvangen op 22 mei 2026.
De kinderrechter neemt in de procedure met zaaknr. C/02/448423 / JE RK 26-883 de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 15 mei 2026;
de aankondiging “beslissing over contact tijdens uithuisplaatsing” van de GI, ontvangen op 15 mei 2026;
de brief “geen thuisplaatsing” van de GI, ontvangen op 22 mei 2026;
- het bericht van de GI, ontvangen op 5 juni 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
de stiefvader;
- een vertegenwoordigster van de GI.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om hun mening kenbaar te maken.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
De vader heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] erkend.
De stiefvader is de biologische vader van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
[minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij de moeder en de stiefvader.
Bij beschikking van 24 juni 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 24 juni 2024 en tot 8 juli 2024. Tevens is bij deze beschikking een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 24 juni 2024 en tot 8 juli 2024.
Bij beschikking van 2 juli 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld met ingang van 2 juli 2024 en tot 2 juli 2025. De ondertoezichtstelling is op 25 juni 2025 verlengd tot 2 juli 2026.
Bij beschikking van 2 juli 2024 is tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 2 juli 2024 en tot 2 juli 2025. De machtiging is voor het laatst verlengd tot 2 juli 2026.
Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige 1] bij [accommodatie] .
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar. Tevens verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI handhaaft de verzoeken en verwijst ter onderbouwing daarvan naar de overgelegde stukken. Bij [minderjarige 3] zijn er vooral zorgen over het aanhoudende schoolverzuim. [minderjarige 3] heeft heel veel duidelijkheid en structuur nodig en er zijn signalen van een laag cognitief en sociaal emotioneel niveau. Er moet nog verder onderzoek gedaan worden naar [minderjarige 3] . Ook bij [minderjarige 2] zijn er zorgen over het schoolverzuim. Er is ook sprake van medische klachten en internaliserende problematiek. Op dit moment is er nog onvoldoende passende ondersteuning voor [minderjarige 2] . De ouders bieden onvoldoende structuur en een onvoldoende voorspelbare opvoedomgeving aan zowel [minderjarige 3] als aan [minderjarige 2] . Zij hebben daarbij hulp nodig. Het gedwongen kader is nodig om de inzet van de nodige zorg te blijven continueren. Het is bij momenten namelijk lastig om de vader en de moeder te bewegen om de hulp aan te gaan.
Bij [minderjarige 1] zijn er grote zorgen over zijn gedrag. Hij heeft een erg laag IQ en zijn sociaal emotionele ontwikkeling verloopt niet leeftijdsadequaat. Hij verblijft bij [accommodatie] , maar daar escaleert [minderjarige 1] vaak waardoor hij gefixeerd moet worden. Dit is heftig voor [minderjarige 1] , maar [accommodatie] sluit desalniettemin op dit moment goed aan bij wat [minderjarige 1] nodig heeft. De GI is wel op zoek naar een perspectief biedende behandelplek die bij voorkeur dichter bij de woonplaats van het gezin is gelegen. De GI geeft aan dat er sinds vorig jaar naar andere mogelijkheden – zoals een PGB en dagbesteding in de buurt – is gezocht. Uiteindelijk is de GI tot de conclusie gekomen dat [minderjarige 1] echt een behandelsetting nodig heeft. De thuissituatie is niet stabiel en kan niet de consistentie bieden die [minderjarige 1] nodig heeft. De GI heeft om die reden besloten niet meer terug te werken naar een terug thuisplaatsing van [minderjarige 1] . De contacten tussen de moeder (en het gezin) en [minderjarige 1] kunnen niet worden uitgebreid en dit zal in de toekomst ook niet mogelijk zijn aangezien deze bij [minderjarige 1] een sterke ontregeling met zich meebrengen.
De moeder is het eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De moeder voert verweer tegen een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] voor de duur van een jaar. Zij pleit voor een verlenging van deze machtiging voor een half jaar. De moeder erkent dat de thuissituatie nu nog niet stabiel is, maar zij legt zich niet neer bij het perspectiefbesluit. De moeder heeft de afgelopen tijd goede stappen gezet. Zo gaat het beter met haar gezondheid en haar financiën. In de komende periode moet door de GI gekeken worden naar andere mogelijkheden zoals de inzet van een PGB of dagbesteding dichter in de buurt zodat [minderjarige 1] weer thuis kan gaan wonen. De moeder ziet in dat het voor nu goed is dat [minderjarige 1] bij [accommodatie] verblijft. De fixaties van [minderjarige 1] bij [accommodatie] vinden echter te vaak plaats en de moeder vindt dat vreselijk. Verder is de contactregeling een pijnpunt voor de moeder. De moeder wil [minderjarige 1] graag elk weekend zien. De ouders weten goed hoe ze op [minderjarige 1] moeten reageren, waardoor hij thuis niet tot nauwelijks escaleert.
De stiefvader is het met de moeder eens.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
In zaaknummer C/02/448412 / JE RK 26-882 (Verlenging ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3])
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Er zijn grote zorgen over het veelvuldige schoolverzuim van zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 3] . Ook is er bij beide kinderen sprake van kindeigen problematiek. [minderjarige 3] heeft een laag cognitief en sociaal emotioneel niveau. Bij [minderjarige 2] is er vooral sprake van internaliserende problematiek. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben voorspelbaarheid en structuur in de thuissituatie nodig. Dit wordt hen onvoldoende geboden binnen het gezinssysteem. Dit zorgt voor spanning bij de kinderen, hetgeen invloed heeft op hun welbevinden. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat het gedwongen kader nodig is om de inzet van de hulpverlening te blijven continueren. De samenwerking tussen de GI, de ingezette hulpverlening en de moeder en de stiefvader verloopt moeizaam. De verwachting is dat de hulpverlening in het vrijwillig kader zal stagneren. Het is belangrijk dat de GI de regie blijft voeren om te onderzoeken wat de kinderen nodig hebben en om hun belang ten alle tijde voorop te stellen.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor de duur van een jaar.
In zaaknummer C/02/448423 / JE RK 26-883 (Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 1])
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] is voldaan. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [minderjarige 1] heeft een matig verstandelijke beperking, lichamelijke beperkingen en een genetische afwijking. Hij is niet in staat emoties zelfstandig te reguleren. Dit zorgt regelmatig voor heftige escalaties. [minderjarige 1] heeft een sterke behoefte aan structuur en duidelijkheid. [minderjarige 1] heeft een opvoeder nodig die er 24 uur per dag voor hem is, zicht op hem heeft, hem helpt zijn emoties te reguleren en voorziet in voorspelbaarheid. Hij behoeft vanwege zijn aandoening en achterstand een indicatie voor de zwaarste zorgzwaarte. Het is, mede gelet op alles wat er in het gezin speelt, niet reëel dat de moeder en de stiefvader voortdurend voor [minderjarige 1] klaar staan, hem daarbij steeds helpen met het reguleren van zijn emoties, het voorzien in voorspelbaarheid en hem overigens bieden wat hij nodig heeft. De contacten in de weekenden lijken weliswaar goed te verlopen en het is te prijzen dat de ouders zich daarvoor zo inzetten, maar dit is niet te vergelijken met de zorg voor [minderjarige 1] als hij volledig terug thuis zou wonen. Een terug thuisplaatsing is niet in zijn belang. Voorkomen moet worden dat de veiligheid van [minderjarige 1] en het gezin opnieuw in gevaar komt. [minderjarige 1] is aangewezen op een behandelsetting met een professionele, gestructureerde en voorspelbare leefomgeving. De moeder en de stiefvader dragen de zorg voor de andere kinderen thuis, die op hun beurt hun eigen problematiek hebben. De combinatie van de intensieve zorg voor [minderjarige 1] en daarnaast het tegemoet moeten komen aan de individuele behoeften van de andere kinderen, zal te veel van de moeder en de stiefvader vragen. Anders dan de moeder, verwacht de kinderrechter niet dat zodanige wijzigingen zullen optreden dat een thuisplaatsing van [minderjarige 1] na een termijn van zes maanden mogelijk en in het belang van [minderjarige 1] is. Zoals reeds in de beschikking van 15 december 2025 is overwogen is het thuis wonen met een PGB en de inzet van dagbesteding niet in het belang van [minderjarige 1] . Nu is bepaald dat [accommodatie] geen passende plek is voor [minderjarige 1] voor de lange termijn zal de GI zich moeten blijven inzetten om een perspectief biedende plek voor [minderjarige 1] te vinden. De kinderrechter ziet dat de GI haar best hiervoor doet.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] voor de duur van een jaar.
De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen voor de duur van een jaar.
In beide zaaknummers
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
In zaaknummer C/02/448412 / JE RK 26-882
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tot 2 juli 2027;
In zaaknummer C/02/448423 / JE RK 26-883
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] tot 2 juli 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder van [minderjarige 1] tot 2 juli 2027;
In beide zaaknummers:
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Merbel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026, in aanwezigheid van mr. Den Boer, griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.