RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448556 / JE RK 26-909
Datum uitspraak: 24 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (de GI),
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2].
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 mei 2026;
het e-mailbericht van de Raad d.d. 29 mei 2026;
het e-mailbericht van de GI, betreffende de visies van betrokkenen op het verzoek, ingekomen op 9 juni 2026;
het proces-verbaal van de zitting van 11 juni 2026;
het bericht van de GI d.d. 17 juni 2026 met bijlage het advies van de Raad d.d. 18 juni 2025;
het bericht van de GI d.d. 22 juni 2026 met als bijlage de instemmingsverklaringen van beide ouders;
het emailbericht van de GI d.d. 23 juni 2026.
De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken. Hier heeft hij geen gebruik van gemaakt.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] verblijft bij [accommodatie].
Bij beschikking van 27 december 2018 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 27 december 2018 en tot 27 december 2019. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 27 juni 2026.
Bij beschikking van 6 november 2019 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten een gezinshuis,
verleend met ingang van 6 november 2019 en tot 20 november 2019.
Bij beschikking van 14 november 2019 is een spoedmachtiging verleend om
[minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor
jeugdhulp met ingang van 14 november 2019 en tot 28 november 2019.
Bij beschikking van 18 november 2019 is een machtiging verleend om [minderjarige] te
doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met
ingang van 18 november 2019 en tot 21 december 2019. Deze machtiging is daarna steeds
opnieuw verleend, voor het laatst tot 27 december 2020.
Bij beschikking van 21 december 2020 is een voorwaardelijke machtiging
verleend om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie
voor jeugdhulp met ingang van 26 december 2020 en tot 26 maart 2021. Tevens is bij deze
beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een
jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 26 december 2020 en tot 27 juni 2021. Deze
machtiging is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 27 juni 2022.
Bij beschikking van 22 juni 2022 is de machtiging tot uithuisplaatsing in een
accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten [locatie], [behandelgroep]
verlengd met ingang van 27 juni 2022 en tot 27 juni 2023.
Bij beschikking van 20 juni 2023 is de machtiging tot uithuisplaatsing in een
accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten [locatie], [behandelgroep]
, verlengd met ingang van 27 juni 2023 en tot 15 juli 2023. Tevens is bij deze
beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een
jeugdhulpaanbieder, te weten [accommodatie], verleend met ingang van 15 juli
tot 27 juni 2024.
Bij beschikking van 26 juni 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing in een
accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten [accommodatie], verlengd
met ingang van 27 juni 2024 en tot 27 juni 2025.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 juni 2025 de machtiging verlengd om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 27 juni 2025 en tot 27 juni 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen tot aan de meerderjarigheid van [minderjarige], te weten tot [geboortedag] 2027. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen tot aan de meerderjarigheid van [minderjarige], te weten tot [geboortedag] 2027. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI vindt verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk, om zodoende de stabiliteit en veiligheid van [minderjarige] te kunnen waarborgen en om hem te beschermen tegen de aanhoudende systeemproblematiek. Op deze manier kan [minderjarige] zijn positieve ontwikkeling bij het [accommodatie] voortzetten en kan gericht toegewerkt worden naar een passend perspectief voor als hij 18 jaar wordt. Daarbij is het van belang dat de overgang naar zelfstandigheid zorgvuldig wordt vormgegeven en geborgd.
Nu de ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing van [minderjarige] inmiddels langer dan twee jaar duurt, heeft de GI op 16 juni 2026 ingevolge artikel 1:265j lid 3 van het Burgerlijk Wetboek de Raad verzocht om haar besluit om deze maatregelen te verlengen te toetsen. De Raad heeft bij emailbericht van 29 mei 2026 laten weten de zaak te hebben beoordeeld en verwijst daarbij naar de toetsing die in 2025 heeft plaatsgevonden en welke door de GI op 17 juni 2026 aan de kinderrechter is overgelegd. De kinderrechter concludeert uit deze stukken dat de Raad instemt met de verzoeken van de GI.
Door tussenkomst van de GI heeft de vader laten weten dat hij er geen behoefte aan heeft om het verzoek van de GI inhoudelijk ter zitting te bespreken. Het verzoek mag schriftelijk worden afgehandeld. De GI moet doen wat nodig is om het goed te regelen voor [minderjarige].
De moeder heeft door tussenkomst van de GI laten weten dat zij akkoord is met een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing. Ook geeft zij aan geen behoefte te hebben aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek ter zitting. Het verzoek mag schriftelijk worden afgehandeld.
Uit het bericht van de GI volgt dat [minderjarige] geen behoefte heeft aan een gesprek met de kinderrechter. [minderjarige] verwijst verder naar de situatie van vorig jaar, waarbij volgens hem al duidelijk was dat hij niet zou teruggaan naar de ouders. Hij begrijpt daarom niet waarom dit opnieuw aan de orde komt.
5. De beoordeling
Uit de door de GI overgelegde stukken concludeert de kinderrechter dat de ontwikkeling van [minderjarige] nog steeds ernstig wordt bedreigd. De langdurig conflictueuze scheiding tussen ouders, het ontbreken van samenwerking en een instabiele opvoedingssituatie hebben ervoor gezorgd dat [minderjarige] structureel klem zit tussen zijn ouders en onvoldoende beschermd wordt tegen de spanningen binnen het gezinssysteem. [minderjarige] verblijft momenteel bij [accommodatie], waar hij een eigen plek heeft binnen een gestructureerde en stabiele opvoedomgeving. Hij laat hier een positieve ontwikkeling zien. Deze ontwikkeling is echter kwetsbaar en afhankelijk van de stabiliteit, structuur en emotionele beschikbaarheid die hem binnen zijn huidige verblijf wordt geboden, want de onderliggende patronen binnen het gezin zijn nog altijd niet doorbroken. Ouders zijn nog steeds niet in staat om tot een minimale samenwerking te komen voor zaken die spelen rondom [minderjarige]. Sturing en begeleiding van de GI blijft hierin noodzakelijk. Daarbij komt dat [minderjarige] richting zijn meerderjarigheid gaat. Het is noodzakelijk dat er een passend perspectief voor [minderjarige] voorhanden is op het moment dat hij 18 jaar wordt. Hier moet de komende tijd zorgvuldig met hem naar toegewerkt worden. Dit maakt dat de sturing en begeleiding vanuit de GI langer noodzakelijk is. De kinderrechter komt hiermee tot het oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Ook dient de huidige verblijfsituatie van [minderjarige] bij het [accommodatie] in het belang van zijn verzorging en opvoeding geborgd te worden. De verzoeken van de GI zullen dan ook zoals verzocht worden toegewezen. De kinderrechter stelt daarbij vast dat beide ouders hiermee instemmen.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 27 juni 2026 en tot [geboortedag] 2027, het moment dat [minderjarige] meerderjarig wordt;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 27 juni 2026 en tot [geboortedag] 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Borm, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.