ECLI:NL:RBZWB:2026:6869

ECLI:NL:RBZWB:2026:6869

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 24-06-2026
Datum publicatie 25-07-2026
Zaaknummer C/02/447437 / KG ZA 26-207
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Kort geding - nakoming omgang - dwangsommen eerder vonnis zijn verbeurd - nieuwe (hogere) dwangsom teneinde vrouw te bewegen omgang na te komen - door vrouw geuite bezwaren tegen omgang leiden niet tot een ander oordeel.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

C/02/405100 / KG ZA 23-1123 februari 2023

Familie en Jeugdrecht

Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/447437 / KG ZA 26-207

Vonnis in kort geding van 24 juni 2026

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres,

advocaat: mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom ,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat: mr. R. Wouters te Middelburg.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- overleggen stukken, tevens eis in reconventie;

- de brief van 10 juni 2026 van mr. Bronsveld, met nadere productie;

- de tijdens de mondelinge behandeling van 10 juni 2026 door mr. Wouters overgelegde pleitnotities.

De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 10 juni 2026 met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.

Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen partijen, samen met hun advocaat.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Partijen zijn op [datum] 2022 in [plaats] , gemeente Neder-Betuwe met elkaar gehuwd. De man heeft op 4 februari 2025 de echtscheiding verzocht. Deze is in behandeling

bij deze rechtbank onder zaaknummer C/02/431587 / FA RK 25-616. Uit het huwelijk van partijen is het navolgende thans nog minderjarige kind geboren:

- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023.

Bij beschikking van 1 april 2025 (zaaknummer: C/02/431588 / FA RK 25-617) is in het kader van voorlopige voorzieningen [minderjarige] voorlopig toevertrouwd aan de vrouw. Ook is een zorgregeling vastgesteld, waarbij - na een opbouw - [minderjarige] vanaf 23 mei 2025 wekelijks bij de man verblijft van vrijdagmiddag 16.00 uur tot zaterdagmiddag 17.00 uur en daarnaast elke woensdag van 09.00 uur tot 17.00 uur.

Bij vonnis in kort geding van 31 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vrouw veroordeeld om binnen twee dagen na de betekening van dit vonnis de

zorgregeling zoals opgenomen in de beschikking van 1 april 2025 van deze rechtbank

na te komen, in die zin dat:

- [minderjarige] wekelijks bij de man verblijft van vrijdagmiddag 16.00 uur tot zaterdagmiddag 17.00 uur en daarnaast elke woensdag van 9.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de vrouw gehouden is [minderjarige] op vrijdagmiddag 16.00 uur bij de man te brengen en op zaterdagmiddag 17.00 uur bij de man op te halen en de man gehouden is [minderjarige] op woensdagochtend 9.00 uur bij de vrouw op te halen en om woensdagmiddag 17.00 uur bij de vrouw te brengen,

- op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag of gedeelte daarvan dat de vrouw

niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt.

Bij beschikking van 8 december 2025 heeft de kinderrechter van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, de [minderjarige] onder toezicht gesteld van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (hierna: de GI) met ingang van 8 december 2025 tot 8 december 2026.

|

3. Het geschil

De vrouw vordert bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:

- de dwangsommen voortvloeiende uit het kort geding vonnis van de rechtbank d.d. 31 julì 2025 niet verbeurd zullen zijn en voorts dat verdere inning van die dwangsommen geschorst

zal blijven;

- kosten rechtens.

De man voert verweer en verzoekt bij vonnis in kort geding, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van de vrouw af te wijzen. In reconventie verzoekt de man bij vonnis in kort geding, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw te veroordelen tot nakoming van de beschikking van l april 2025 onder zaaknummer C/02/431588/ FA RK 25-617 en te bepalen dat de vrouw gehouden is om het kind van partijen, [minderjarige] , volgens de beschikking van l april 2025 in combinatie met het vonnis van 31 juli 2025 onder zaaknummer C/02/436198 / KG ZA 25-276 en zodoende c.q. althans volgens de volgende zorgregeling contact te laten hebben met de man:

[minderjarige] verblijft wekelijks bij de man van vrijdagmiddag 16.00 uur tot zaterdagmiddag 17.00 uur en daarnaast elke woensdag van 9.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de vrouw gehouden is om [minderjarige] tijdig bij de man te brengen zodat de zorgregeling op tijd kan starten en de vrouw [minderjarige] na afloop van de zorgregeling zal ophalen bij de man.

alles op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,= per dag of dagdeel dat de vrouw in gebreke blijft aan het te dezen te wijzen vonnis te voldoen, met een maximum van € 100.000,=, subsidiair een zodanige voorziening te treffen als voorzieningenrechter in goede justitie juist acht.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid

Het gaat in dit kort geding over de vraag of de dwangsommen die in het eerdere kort geding tussen partijen van 31 juli 2025 zijn verbonden aan de hoofdveroordeling: het nakomen de zorgregeling zoals opgenomen in de beschikking van 1 april 2025 van deze rechtbank, zijn verbeurd. Dit betreft een executiegeschil. Op grond van artikel 438 lid 2 van het Wetboek van Rechtsvordering (verder: Rv) is de voorzieningenrechter bevoegd om in kort geding van dit executiegeschil kennis te nemen. De overige vorderingen van de vrouw zijn - naar de voorzieningenrechter begrijpt - gebaseerd op de stelling dat zij in de onmogelijkheid verkeert om aan de hoofdveroordeling te voldoen als bedoeld in artikel 611d Rv. Deze vordering dient niet aan de executierechter, maar aan de rechter die de dwangsom heeft opgelegd te worden voorgelegd. In dit geval is de voorzieningenrechter ook de dwangsomrechter, zodat ook op deze vordering kan worden beslist.

Ontvankelijkheid

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van partijen bij hun vorderingen vast. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat onderhavige procedure voortvloeit uit voornoemd vonnis van 31 juli 2025 waarbij door de voorzieningenrechter reeds is geoordeeld dat sprake is van een spoedeisend belang bij de vorderingen.

In conventie en in reconventie

De voorzieningenrechter zal de vorderingen in conventie en die in reconventie – gelet op de onderlinge samenhang – hierna gezamenlijk bespreken en beoordelen.

In een executiegeschil ex artikel 438 Rv kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak slechts schorsen, indien zij van oordeel is dat de executant (de man) – mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde (de vrouw) die door de executie zullen worden geschaad – geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn als de te executeren beschikking klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of als de tenuitvoerlegging op grond van na de uitspraak voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

Op grond van artikel 611d lid 1 Rv kan de rechter die een dwangsom heeft opgelegd, op vordering van de veroordeelde de dwangsom opheffen of de looptijd daarvan opschorten. Die middelen moeten echter terughoudend worden toegepast. De procedure van artikel 611d lid 1 Rv dient er niet toe nog eens een extra procedure te creëren waarin over de juistheid van de hoofdveroordeling wordt geoordeeld. Opheffing of opschorting van de dwangsom kan ingevolge artikel 611d lid 1 Rv plaatsvinden indien de veroordeelde in blijvende of tijdelijke onmogelijkheid verkeert om aan de hoofdveroordeling te voldoen.

De kern van dit executiegeschil betreft de vraag of er aanleiding bestaat de executie van de opgelegde dwangsommen, die door de man (blijkens productie 6 van de dagvaarding) is ingezet, te staken door dit op te heffen dan wel de schorsing van de (verdere) executie te bevelen ex artikel 438 lid 2 Rv. Met betrekking tot het toetsingskader in executiegeschillen als het onderhavige geldt het volgende:

Als in een executiegeschil de vraag moet worden beantwoord of dwangsommen zijn verbeurd, moet de executierechter onderzoeken of de door de rechter verlangde prestatie waaraan de dwangsom als sanctie is verbonden, is verricht. De onderliggende rechtsverhouding ligt niet (opnieuw) ter beoordeling voor. Indien een veroordeling een bevel bevat (een gebod of een verbod), is het vanuit het oogpunt van rechtszekerheid van belang – temeer indien die veroordeling met een dwangsom is versterkt - dat het bevel voldoende duidelijk is afgebakend, zodat voor de partij tegen wie het bevel is uitgesproken duidelijk is welke gedragingen onder het bevel zijn begrepen.

In het kort geding vonnis van 31 juli 2025 is de vrouw veroordeeld om binnen twee dagen na de betekening van dit vonnis de zorgregeling zoals opgenomen in de beschikking van 1 april 2025 van deze rechtbank na te komen op straffe van een dwangsom. De voorzieningenrechter stelt vast dat het bevel aan de vrouw duidelijk is afgebakend.

Zowel in het vonnis in kort geding van 31 juli 2025 als in de beschikking betreffende de ondertoezichtstelling van 8 december 2025, is bepaald dat de vrouw de zorgregeling zoals bepaald in de beschikking van 1 april 2025 dient na te komen. De GI heeft daarnaast aanleiding gezien om op 26 mei 2026 de vrouw een schriftelijke aanwijzing (ex artikel 1:263 lid 1 BW) te geven waarbij de omgang tussen [minderjarige] en haar vader onverkort dient plaats te vinden conform onderstaande regeling:

“ [minderjarige] verblijft drie weekenden per maand bij vader van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur. Daarnaast vindt één doordeweekse omgang per week plaats op woensdag van 09.00 uur tot 17.00 uur. Het is toegestaan dat vader [minderjarige] op dinsdag na werktijd ophaalt, zodat [minderjarige] de nacht voorafgaand aan de woensdag bij vader verblijft en de omgang aansluit bij haar dag- en nachtritme en rust biedt in de overdracht.”

De voorzieningenrechter stelt vast dat ondanks voornoemde rechterlijke beslissingen waarin aan de vrouw bepaalde verplichtingen zijn opgelegd, alsmede de schriftelijke aanwijzing van de GI, de zorgregeling door de vrouw (nog altijd) niet wordt nagekomen. Niet gebleken is dat de vrouw in blijvende of tijdelijke onmogelijkheid verkeert om aan de hoofdveroordeling te voldoen. De zorgen die door de vrouw zijn geuit hebben niet geleid tot objectieve bevindingen bij de huisarts of tot opvolging door de zedenpolitie. Er bestaan geen contra-indicaties voor omgang in de thuissituatie van de man. De vrouw heeft dan ook de dwangsommen verbeurd. Voor opheffing of opschorting van de executie van het vonnis van 31 juli 2025 is geen plaats. Gelet op het vorenstaande worden de vorderingen in conventie afgewezen.

De eerder opgelegde dwangsom vormt kennelijk onvoldoende prikkel om de zorgregeling na te komen. Dit terwijl de omstandigheden wezenlijk niet zijn veranderd. Ter zitting is door mr. Bronsveld verwezen naar de als productie 8 bij zijn brief van 10 juni 2026 overgelegde email van 10 juni 2026 van de (aan de vrouw toegewezen) advocaat mr. Van den Berg naar aanleiding van de aangifte zedendelict van de vrouw van 31 maart 2026, in welke email wordt afgeleid dat het OM thans toch onderzoekt of het eerdere onderzoek inderdaad volledig is geweest en of aanvullende onderzoekshandelingen kunnen worden voortgezet. De voorzieningenrechter kan in deze procedure niet beoordelen of dit in de toekomst al dan niet mogelijk tot een gewijzigde situatie zal leiden. De voorzieningenrechter laat dit verder aan de GI die in het kader van de ondertoezichtstelling betrokken is. Vooralsnog is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen sprake van een gewijzigde situatie die er toe noopt om op dit moment geen uitvoering aan de zorgregeling te geven. De vordering van de man in reconventie zal dan ook worden toegewezen, met dien verstande dat de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet om voor wat betreft het halen en brengen af te wijken van hetgeen hierover in het vonnis van 31 juli 2025 is bepaald.

Gelet op de inhoud van de processtukken en wat er tijdens de zitting is besproken

acht de voorzieningenrechter oplegging van een nieuwe dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, aangewezen. Nakoming van de vastgestelde zorgregeling moet gewaarborgd worden. De voorzieningenrechter acht het opleggen van een dwangsom niet in strijd met de belangen van [minderjarige] . Een bedrag van € 750,= per dag of gedeelte daarvan dat de vrouw de zorgregeling niet nakomt, wordt redelijk geacht. Aan de dwangsom zal een maximum worden verbonden van € 25.000,=. De door de man gevorderde (hogere) dwangsom acht de voorzieningenrechter niet passend omdat de vrouw daardoor in financiële problemen zal komen en als gevolg daarvan ook de minderjarige [minderjarige] . De voorzieningenrechter wijst de vrouw er nogmaals op dat als zij de zorgregeling nakomt, zij geen enkel financieel nadeel hoeft te lijden.

Uitvoerbaar bij voorraad

De door de man gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad zal worden

toegewezen.

Zowel in conventie als in reconventie worden de proceskosten gecompenseerd als na te melden. De voorzieningenrechter ziet op dit moment nog geen aanleiding om af te wijken van de in de familiezaken gebruikelijke proceskostencompensatie.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

In conventie

wijst de vorderingen af;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

In reconventie

veroordeelt de vrouw om binnen twee dagen na de betekening van dit vonnis de

zorgregeling zoals opgenomen in de beschikking van 1 april 2025 (C/02/431588 / FA RK 25-617) en het vonnis van 31 juli 2025 (C/02/436198 / KG ZA 25-276) van deze rechtbank

(C/02/431588 / FA RK 25-617) na te komen, in die zin dat:

- [minderjarige] wekelijks bij de man verblijft van vrijdagmiddag 16.00 uur tot zaterdagmiddag 17.00 uur en daarnaast elke woensdag van 9.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de vrouw gehouden is [minderjarige] op vrijdagmiddag 16.00 uur bij de man te brengen en op zaterdagmiddag 17.00 uur bij de man op te halen en de man gehouden is [minderjarige] op woensdagochtend 9.00 uur bij de vrouw op te halen en om woensdagmiddag 17.00 uur bij de vrouw te brengen,

- op straffe van een dwangsom van € 1.250,- per dag of gedeelte daarvan dat de vrouw niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Beer, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026 in tegenwoordigheid van De Pooter, griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand