ECLI:NL:RBZWB:2026:6873

ECLI:NL:RBZWB:2026:6873

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 24-06-2026
Datum publicatie 25-07-2026
Zaaknummer C/02/446383 / FA RK 26-1523
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Art. 1:253a BW. Vakantieverdeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/446383 / FA RK 26-1523

Datum uitspraak: 24 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over de vaststelling van de vakantieverdeling en vervangende toestemming

in de zaak van

[de vrouw] ,

hierna: de vrouw,

wonende in [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. S. van Reeven-Özer in Waalwijk,

tegen

[de man] ,

hierna: de man,

wonende in [woonplaats 2] (België),

advocaat: mr. I.W.A.J. van Pelt in [plaats 2] ,

over de minderjarige:

- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedag] 2018, hierna: [minderjarige] ,

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1. Het verloop van de procedure

Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken:

het verzoekschrift met productie 1 t/m 17 ontvangen op 23 maart 2026;

het op 14 april 2026 ontvangen verweerschrift met 2 producties;

het F9-formulier van mr. Van Reeven-Özer met productie 18 t/m 20.

Op 15 juni 2026 heeft de rechtbank de verzoeken behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Bij die zitting zijn verschenen, partijen, bijgestaan door hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.

Gelet op de nauwe samenhang van de onderhavige zaak met het door de Raad ingediende verzoek tot een ondertoezichtstelling met kenmerk C/02/448121 / JE RK 26-832, zijn beide verzoeken gelijktijdig mondeling behandeld. De beslissing in de andere zaak staat in een aparte beschikking.

2. De feiten

Partijen zijn op [datum 1] 2017 in [plaats 1] (Rusland) met elkaar gehuwd.

Bij beschikking van [datum 2] 2022 van deze rechtbank is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op [datum 3] 2023 ingeschreven in de register van de burgerlijk stand die daarvoor zijn bedoeld.

Tijdens het huwelijk van partijen is de [minderjarige] geboren te [geboorteplaats] , België.

Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] .

Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Dit betreft de zaak met kenmerk C/02/433311 FA RK 25-1464.

In de beschikking van 24 december 2025 met kenmerk C/02/441755 / FA RK 25/5793 is beslist dat, totdat in de bodemzaak definitief is beslist of als partijen daarover met elkaar overeenstemming hebben bereikt, de man en de [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedag] 2018 voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar eens per veertien dagen - in de even weken - van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.30 uur, waarbij geldt dat:

de overdracht van [minderjarige] steeds plaatsvindt bij [restaurant] te [plaats 2] aan [adres] ;

wanneer [minderjarige] naar de man gaat, zij bij de vrouw gegeten heeft. Als [minderjarige] na de overdracht aan de man nog honger heeft, zij ook bij de man iets kan eten, bijvoorbeeld een toetje of een ijsje. Wanneer [minderjarige] weer teruggaat naar de vrouw, heeft zij bij de man gegeten;

wanneer [minderjarige] wordt overgedragen aan de man, zij een koffer bij zich heeft met benodigdheden voor dat weekend. Bij de overdracht van [minderjarige] aan de vrouw neemt zij de koffer met dezelfde inhoud weer mee terug;

bij de overdrachten van [minderjarige] tussen partijen er geen derden aanwezig zijn.

3. Het (gewijzigde) verzoek

De vrouw verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te bepalen dat de vakanties voor het jaar 2026 als volgt worden verdeeld:

meivakantie 2026: van 18 april tot en met 5 mei 2026 verblijft [minderjarige] bij de man;

zomervakantie 2026:

Indien [minderjarige] op 11 juli 2026 moet afzwemmen

- van 10 juli 2026 tot 3 augustus 2026 om 18.00 uur is [minderjarige] bij de vrouw;

- van 3 augustus 2026 om 18.00 uur tot 23 augustus 2026 om 18.30 uur bij de man.

Indien [minderjarige] op 11 juli 2026 niet hoeft af te zwemmen:

- van 10 juli 2026 na school tot 12 juli 2026 om 18.30 verblijft [minderjarige] bij de man;

- van 12 juli 2026 om 18.30 uur tot 3 augustus 2026 om 18.30 uur verblijft [minderjarige] bij de vrouw;

- van 3 augustus 2026 om 18.30 uur tot 22 augustus 2026 om 18.30 uur verblijft [minderjarige] bij de man.

herfstvakantie 2026: van 17 oktober tot en met 25 oktober 2026 verblijft [minderjarige] bij de vrouw;

kerstvakantie 2026: van 18 december 2026 na school tot 27 december 2026 om 18.30 uur is [minderjarige] bij de man, van 27 december 2026 om 18.30 uur tot en met 3 januari 2027 is [minderjarige] bij de vrouw;

II. de vrouw vervangende toestemming te verlenen om op vakantie te gaan met [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2018 te [geboorteplaats] , België naar Montenegro in de periode van 19 juli tot en met 31 juli 2026;

III. vervangende toestemming te verlenen om een AD(H)D-onderzoek ten behoeve van [minderjarige] te laten uitvoeren;

IV. althans een zodanige beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie oordelend redelijk en juist acht.

De man is het niet eens met de verzoeken van de vrouw en verzoekt deze verzoeken af te wijzen.

Bij wijze van zelfstandig verzoek, verzoekt de man om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:

I. de verdeling van de vakanties voor het jaar 2026 zal plaatsvinden overeenkomstig het bepaalde onder randnummer 10 van het verweerschrift:

meivakantie 2026: van 17 april 2026 tot en met 5 mei 2026 verblijft [minderjarige] bij de man;

zomervakantie 2026: het weekend van 10 en 11 juli 2026 betreft een regulier verblijf bij de man. Aansluitend verblijft [minderjarige] van 12 juli 2026 tot en met 2 augustus 2026 bij de vrouw;

herfstvakantie 2026: [minderjarige] verblijft de helft van de vakantie bij de vrouw en de andere helft bij de man, bijvoorbeeld van 16 oktober 2026 tot en met woensdag 21 oktober 2026 bij de vrouw en aansluitend bij de man;

kerstvakantie 2026: [minderjarige] verblijft van 19 december 2026 tot en met de (vroege) ochtend van 1 januari 2027 bij de man, waarna zij bij de vrouw kan zijn om haar verjaardag te vieren.

Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan.

4. De beoordeling

Rechtsmacht

Door de omstandigheid dat de man in België woont, hij en [minderjarige] de Belgische nationaliteit bezitten en de vrouw de Russische, heeft deze zaak een internationaal karakter zodat eerst de vraag beantwoord dient te worden of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toekomt.

Op grond van artikel 7 lid 1 van de Brussel II-ter Verordening zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarigen hun gewone verblijfplaats hebben op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. De verzoeken van partijen vallen onder deze ouderlijke verantwoordelijkheid. Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek kennis te nemen en daarop te beslissen.

Nu de Nederlandse rechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.

Vervangende toestemming vakantie en AD(H)D-onderzoek

De verzoeken ten aanzien van vervangende toestemming voor vakantie en diagnostisch onderzoek zijn door de vrouw ingetrokken. De man heeft voor de zitting het toestemmingsformulier ondertekend voor de vakantie van de vrouw met [minderjarige] in de periode van 19 juli tot en met 31 juli 2026 naar Montenegro. Daarnaast zijn partijen tijdens de zitting tot overeenstemming gekomen over het AD(H)D-onderzoek. De man heeft toestemming gegeven voor dit onderzoek. Hij heeft aangegeven dat hij instemt met het uitvoeren van het bedoelde onderzoek, maar dat hij, voordat een eventuele medicamenteuze behandeling wordt gestart, wil overleggen. Zijn toestemming geldt dus alleen voor het AD(H)D-onderzoek en niet voor een eventuele medicamenteuze behandeling. De vrouw is hiermee akkoord.

Aangezien voormelde verzoeken zijn ingetrokken, komt de rechtbank niet meer toe aan een inhoudelijke beoordeling en zullen deze worden afgewezen.

Vakantieverdeling

In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een ouder aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.

De rechtbank zal hieronder ingaan op de verzoeken met betrekking tot de zorgregeling tijdens de (resterende) vakanties in 2026. De Raad heeft ten aanzien hiervan naar voren gebracht dat de verzoeken van partijen niet ver uit elkaar liggen en dat knopen moeten worden doorgehakt. Duidelijkheid is voor partijen en [minderjarige] belangrijk. In het kader van de ondertoezichtstelling is het van belang dat partijen hierover verder praten en tot een vaste en duurzame regeling komen voor de toekomst.

Meivakantie:

De meivakantie is inmiddels voorbij; [minderjarige] heeft deze vakantie van twee weken bij de man doorgebracht.

Zomervakantie:

De vrouw heeft aangevoerd dat [minderjarige] , in het weekend waarna de vakantieperiode van [minderjarige] bij haar start (het eerste weekend van de zomervakantie), mogelijk moet afzwemmen. Indien [minderjarige] dan volgens de reguliere regeling bij de vader zou verblijven, zorgt dit voor te veel reistijd en overdrachtsmomenten in dat betreffende weekend. [minderjarige] zou dan namelijk meerdere keren heen en weer naar België moeten reizen. Dit is te belastend voor haar. In het geval [minderjarige] moet afzwemmen dat weekend, dient daarom volgens de vrouw het reguliere omgangsweekend bij de man te vervallen.

De man is het daarmee niet eens. Indien de zomervakantie vanaf dat eerste weekend bij de moeder begint, zal hij [minderjarige] vier weken achter elkaar niet zien. Dat vindt hij te lang. De reistijd valt volgens hem mee en bovendien is de reis altijd een fijn moment voor hem en [minderjarige] samen.

Uit de stellingen van partijen volgt dat er (alleen) discussie bestaat over de aanvang van de vakantie. De rechtbank ziet aanleiding ten aanzien van de zomervakantie het volgende te bepalen. Daarbij heeft zij rekening gehouden met het belang van [minderjarige] dat het aantal reis- en overdrachtsmomenten in een kort tijdsbestek beperkt blijft en met het belang van de man en [minderjarige] om elkaar niet een te lange aaneengesloten periode niet te zien.

Indien [minderjarige] op 11 juli 2026 moet afzwemmen:

[minderjarige] verblijft vanaf 10 juli 2026 na school tot en met 11 juli 2026 voor het afzwemmen bij de vrouw. De vrouw brengt haar naar het zwembad.

Na het afzwemmen op 11 juli 2026 verblijft [minderjarige] tot en met zondag 12 juli 2026 om 18:30 uur bij de man.

Aansluitend daaraan verblijft [minderjarige] tot en met 2 augustus 2026 om 18:30 uur bij de vrouw.

Aansluitend daaraan verblijft [minderjarige] tot 23 augustus 2026 om 18:30 uur bij de man.

Indien [minderjarige] op 11 juli 2026 niet hoeft af te zwemmen:

[minderjarige] verblijft van 10 juli 2026 na school tot en met 12 juli 2026 om 18:30 uur bij de man.

Aansluitend daaraan verblijft [minderjarige] tot en met 2 augustus 2026 om 18:30 uur bij de vrouw.

Aansluitend daaraan verblijft [minderjarige] tot en met 23 augustus 2026 om 18:30 uur bij de man.

Herfstvakantie:

Omdat [minderjarige] de hele meivakantie bij de man heeft verbleven, stelt de vrouw dat zij de herfstvakantie bij de vrouw dient te verblijven. Dat geeft haar ook de mogelijkheid om met [minderjarige] weg te gaan. Als korte vakanties van een week 50/50 worden gedeeld, bestaat die mogelijkheid niet.

De man geeft de voorkeur aan een gelijke verdeling van deze vakantieperiode. Tijdens de meivakantie heeft [minderjarige] bij de man verbleven, omdat de vrouw naar het buitenland ging.

De rechtbank zal op de verzoeken met betrekking tot de herfstvakantie beslissen dat [minderjarige] het reguliere omgangsweekend bij de man zal doorbrengen en de rest van de herfstvakantie bij de vrouw zal verblijven. De reden hiervoor is dat [minderjarige] dit jaar de gehele meivakantie van 2 weken bij de man heeft doorgebracht. Dit betekent het volgende:

[minderjarige] verblijft van vrijdag 16 oktober om 18:00 uur tot en met zondag 18 oktober om 18:30 uur bij de man.

Aansluitend daaraan verblijft [minderjarige] tot en met zondag 25 oktober bij de vrouw.

Daarna wordt de reguliere zorgregeling weer gevolgd.

Kerstvakantie

Volgens de vrouw is de kerstvakantie altijd gelijk verdeeld geweest, wat ook nu haar voorkeur heeft. In haar voorstel komt zij tegemoet aan de man in die zin dat [minderjarige] op zijn verjaardag en tijdens de kerstdagen bij hem kan verblijven.

De man heeft aangegeven dat hij [minderjarige] gedurende de hele kerstvakantie bij zich wil hebben, met name op zijn verjaardag ( [datum 4] ), de kerstdagen en oud en nieuw. De reden hiervoor is dat [minderjarige] deze dagen vorig jaar bij de vrouw heeft verbleven. Het is rechtvaardig als het nu andersom is, aldus de man.

De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat zij in de kerstvakantie de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw verblijft. Dit past ook bij het uitgangspunt van partijen dat vakanties van twee weken in principe gelijk verdeeld moeten worden. Het enkele feit dat de verdeling in 2025 wellicht enigszins anders was, maakt dit oordeel niet anders. Dit betekent het volgende:

Van 18 december 2026 om 18:00 uur tot en met 27 december 2026 om 18:30 uur verblijft [minderjarige] bij de man.

Aansluitend daaraan verblijft [minderjarige] tot en met 3 januari 2027 om 18:00 uur bij de vrouw.

Daarna wordt de reguliere zorgregeling weer gevolgd.

Verder zijn partijen het eens over de belmomenten tijdens vakanties. Wanneer [minderjarige] bij de ene ouder verblijft, heeft zij twee vaste belmomenten met de andere ouder: op dinsdag om 17:00 uur en op vrijdag om 17:00 uur. Indien [minderjarige] behoefte heeft aan extra contactmomenten, werken beide ouders hieraan mee. De rechtbank neemt deze afspraak over en houdt partijen aan deze toezegging.

Uitvoerbaar bij voorraad

De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5. De beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de volgende zorgregeling geldt tijdens de vakanties in 2026 ten aanzien van de [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedag] 2018:

Zomervakantie:

Indien [minderjarige] op 11 juli 2026 moet afzwemmen:

[minderjarige] verblijft vanaf 10 juli 2026 na school tot en met 11 juli 2026 voor het afzwemmen bij de vrouw. De vrouw brengt haar naar het zwembad.

Na het afzwemmen op 11 juli 2026 verblijft [minderjarige] tot en met zondag 12 juli 2026 om 18:30 uur bij de man.

Aansluitend daaraan verblijft [minderjarige] tot en met 2 augustus 2026 om 18:30 uur bij de vrouw.

Aansluitend daaraan verblijft [minderjarige] tot 23 augustus 2026 om 18:30 uur bij de man

Indien [minderjarige] op 11 juli 2026 niet hoeft af te zwemmen:

[minderjarige] verblijft van 10 juli 2026 na school tot en met 12 juli 2026 om 18:30 uur bij de man.

Aansluitend daaraan verblijft [minderjarige] tot en met 2 augustus 2026 om 18:30 uur bij de vrouw.

Aansluitend daaraan verblijft [minderjarige] tot en met 23 augustus 2026 om 18:30 uur bij de man.

Herfstvakantie:

[minderjarige] verblijft van vrijdag 16 oktober om 18:00 uur tot en met zondag 18 oktober om 18:30 uur bij de man.

Aansluitend daaraan verblijft [minderjarige] tot en met zondag 25 oktober bij de vrouw.

Daarna wordt de reguliere zorgregeling weer gevolgd.

Kerstvakantie

[minderjarige] verblijft van 18 december 2026 om 18:00 uur tot en met 27 december 2026 om 18:30 uur bij de man.

Aansluitend daaraan verblijft [minderjarige] tot en met 3 januari 2027 om 18:00 uur bij de vrouw.

Daarna wordt de reguliere zorgregeling weer gevolgd.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Van Krieken als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand