RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448711 / JE RK 26-931
Datum uitspraak: 25 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
[de broer] ,
hierna te noemen: de broer,
wonende in [woonplaats 1] .
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 mei 2026;
de brief van [minderjarige] aan de kinderrechter, ontvangen (via de Raad) op 25 juni 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- een tweetal vertegenwoordigsters van de Raad;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
Ondanks behoorlijke oproepingen zijn de moeder, de broer en de vader niet verschenen.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft een brief aan de kinderrechter gestuurd.
2. De feiten
De vader heeft [minderjarige] erkend. Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder.
[minderjarige] verblijft sinds zomer 2025 bij zijn broer in [woonplaats 1] .
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkgezin, te weten bij zijn broer [de broer], te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst naar de inhoud van het verzoekschrift. Het is belangrijk dat er zicht komt op [minderjarige] en zijn opvoedsituatie en de zorgen die er zijn. Als aanvullende zorg geeft de Raad aan dat de school van [minderjarige] heeft aangegeven dat het verzuim van [minderjarige] opnieuw is toegenomen en dat zij moeilijk in contact met de moeder en de broer komen. Bij de broer is een kwetsbare plek waar [minderjarige] verblijft. Het vrijwillig kader is geen mogelijkheid meer, nu het de afgelopen tijd niet is gelukt om de situatie te wijzigen.
De GI geeft aan dat zij met een instroomteam werken en dat het naar verwachting maanden duurt voordat er een vaste jeugdbeschermer betrokken kan worden.
[minderjarige] heeft in de brief aan de kinderrechter laten weten dat hij het een lastige situatie vindt waarin hij zit, maar dat hij graag bij zijn broer wil blijven wonen nu hij zichzelf bij hem kan zijn. [minderjarige] wil ook niet gescheiden worden van zijn moeder en broertje.
5. De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De kinderrechter constateert dat de moeder een onbekende nationaliteit heeft. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.
Op grond van artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, komt de Nederlandse kinderrechter rechtsmacht toe. Nu de Nederlandse kinderrechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Pilotadvocaat voor de moeder
De rechtbank heeft aan de moeder een pilotadvocaat toegewezen. Deze heeft geprobeerd om met de moeder in contact te komen, maar het telefoonnummer bleef onbereikbaar en er werd niet gereageerd op e-mails die zijn gestuurd. Doordat dit niet is gelukt, heeft de pilotadvocaat aangegeven dat zij de moeder niet kan bijstaan.
De broer als belanghebbende
De rechtbank merkt de broer als belanghebbende aan, omdat [minderjarige] nu al een aanzienlijke tijd (sinds zomer 2025) bij de broer verblijft. Daar komt bij dat de kinderrechter het belangrijk vindt dat ook de broer de beschikking zal ontvangen.
Wettelijk kader
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor een
ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan. Hij zal het verzoek toewijzen en [minderjarige] onder toezicht van de GI stellen en de machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige] bij een netwerkpleeggezin, te weten bij zijn broer, voor de duur van zes maanden verlenen, te weten tot 25 december 2026. Het resterende deel van het verzoek tot ondertoezichtstelling zal de kinderrechter aanhouden. Hij legt dit hierna uit.
De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, waarbij de zorgen vooral betrekking hebben op het functioneren van de moeder als opvoeder, de gevolgen hiervan voor [minderjarige] en het ontbreken van zicht daarop. De moeder heeft veel meegemaakt, wat heeft geleid tot psychische problemen met herbelevingen en paniekaanvallen. Het is onduidelijk of de moeder voldoende basale zorg en veiligheid aan [minderjarige] kan bieden en of zij voldoende beschikbaar voor hem is. Sinds de zomer van 2025 verblijft [minderjarige] bij zijn broer en gebleken is dat het netwerk positief en helpend is, maar ook erg gesloten. Dit maakt dat er weinig zicht op [minderjarige] in de opvoedomgeving bij zijn broer is. Daar komt bij dat er geen duidelijk plan voor [minderjarige] is als het gaat om waar hij veilig en blijvend kan opgroeien en daarmee over zijn toekomstperspectief. [minderjarige] leeft al langere tijd in onrust en onduidelijkheid en dit heeft (mogelijk) gevolgen voor zijn cognitieve en emotionele ontwikkeling. Tijdens de zitting heeft de Raad als aanvullende zorg nog aangegeven dat het schoolverzuim van [minderjarige] sinds kort opnieuw is toegenomen. Ook daar maakt de kinderrechter zich zorgen over. De kinderrechter constateert verder dat de moeder wisselend bereikbaar voor de hulpverlening is, dat zij de hulp wisselend accepteert en met momenten ook afhoudt. Dit maakt dat de moeder niet in staat is om op dit moment van de hulpverlening te profiteren en zelf de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat het noodzakelijk is dat de GI betrokken raakt, als regievoerder in het gedwongen kader. Verder is gebleken dat [minderjarige] sinds de zomer van 2025, met instemming van de moeder, bij zijn broer verblijft. Nu [minderjarige] niet thuis bij de moeder woont en de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht zal stellen, is er volgens de wet een machtiging tot uithuisplaatsing nodig. In de brief aan de kinderrechter heeft [minderjarige] aangegeven zich fijn bij zijn broer te voelen. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij zijn broer voor nu in het belang van zijn verzorging en opvoeding noodzakelijk is. Tegelijkertijd stelt de kinderrechter vast dat er weinig zicht op [minderjarige] in de opvoedsituatie bij zijn broer is en dat nog onduidelijk is of hij daar veilig en blijvend kan opgroeien.
De kinderrechter vindt het van groot belang dat de GI in de komende periode zicht krijgt op het functioneren van de moeder, op [minderjarige] en zijn opvoedsituatie bij zijn broer. Belangrijk is dat de volwassenen om [minderjarige] heen mee gaan werken aan de benodigde hulp en dat zij openheid over de situatie geven. Om vinger aan de pols te houden en de voortgang te bewaken, zal de kinderrechter een toetsingsmoment creëren door de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden toe te wijzen en het overige deel van het verzoek aan te houden. Van de moeder en de broer verwacht de kinderrechter dat zij het belang van [minderjarige] voorop zullen zetten en met de GI en de hulpverlening zullen samenwerken. De kinderrechter geeft aan de GI mee om onderstaande doelen voor ogen te houden:
[minderjarige] ervaart rust en duidelijkheid over zijn woonsituatie nu en in de toekomst, zijn perspectief op dit vlak is duidelijk.
[minderjarige] ontwikkelt zich naar zijn mogelijkheden op cognitief, sociaal gedragsmatig en emotioneel gebied.
Er is duidelijkheid over de rol van moeder als opvoeder van [minderjarige] .
Nu het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor zes maanden zal worden toegewezen en het resterende deel zal worden aangehouden, verzoekt de kinderrechter de GI om voor de hierna te noemen pro forma datum per brief (kort) te rapporteren over het verloop van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [minderjarige] en de stand van zaken. De Raad wordt verzocht zijn nadere standpunt over het resterende deel van het verzoek kenbaar te maken en te berichten of het restantverzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 25 juni 2026 en tot 25 december 2026;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij een netwerkpleeggezin, te weten zijn broer [de broer], met ingang van 25 juni 2026 en tot 25 december 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de beslissing ten aanzien van het resterende deel van het verzoek tot het verlenen van een ondertoezichtstelling aan tot 27 november 2026 PRO FORMA en verzoekt de GI om voor deze datum per brief (kort) te rapporteren over het verloop van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [minderjarige] en de stand van zaken en verzoekt de Raad zijn nadere standpunt over het resterende deel van het verzoek kenbaar te maken en te berichten of de Raad het restantverzoek al dan niet handhaaft;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vork als griffier, en op schrift gesteld op 9 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.