RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/449654 / JE RK 26-1109
Datum uitspraak: 25 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 25 juni 2026.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun vader.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 maart 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 11 september 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt een brede machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De kinderrechter begrijpt dat de GI daarmee een verzoek doet tot een uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening, een voorziening voor pleegzorg en een accomodatie jeugdhulpaanbieder. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
4. De beoordeling
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. Vanaf 1 juli 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weer volledig terug geplaatst in het gezin van de vader, bestaande uit vader en de zus [persoon 1] . Het eerste half jaar na het terugplaatsen werden veel zorgen gezien, vooral gericht op de hygiëne van de kinderen en de staat van het huis. Aan het einde van het traject dat is doorlopen bij STEK kwam naar voren dat de vader weer in contact is geraakt met zijn ex-partner, [persoon 2] . In het begin hebben zij de kinderen nog belast met het geheimhouden van deze relatie, maar begin april 2026 hebben zij tijdens een MDO open kaart gespeeld. In de tijd die volgde werd er door de GI en [hulpverlening] gezien dat de zorgen niet afnamen; vader zegde steeds vaker afspraken af of kwam helemaal niet opdagen. [minderjarige 2] heeft op school met zijn leerkracht gedeeld dat de vader al langere tijd afwezig is in huis en dat hij met momenten binnenkomt en dan weer vertrekt. [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en [persoon 1] worden verantwoordelijk gemaakt voor het huishouden. De GI is met [persoon 1] en oma in gesprek gegaan. Beiden bevestigen de afwezigheid van de vader en geven aan zich grote zorgen te maken over de kinderen. Teven komt naar voren dat [persoon 1] al geruime tijd de dagelijkse opvoeding van de kinderen op zich neemt, terwijl de vader grotendeels afwezig is en de kinderen verwaarloost. De GI beschouwt [persoon 1] als een belangrijke hechtingsfiguur voor de kinderen en acht het van groot belang dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [persoon 1] bij elkaar kunnen blijven. De GI wil onderzoeken of [persoon 1] de opvoedingsrol structureel op zich kan nemen, ondersteund door het netwerk en passende hulpverlening. Dit betreft echter een complex vraagstuk dat niet op korte termijn kan worden gerealiseerd. Uit het netwerkberaad, waarbij [hulpverlening] , oma, tante en [persoon 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] aanwezig waren, blijkt van constante angst en dreiging waar [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , de oma en [persoon 1] zich in hebben bevonden.
Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis worden geplaatst.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , vanwege de onvoorspelbaarheid en dreiging van de vader richting het systeem. Daar komt ook bij dat de vader op dit moment onbereikbaar is voor de GI en anderen, wat zorgt voor angst bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat hij ineens op de stoep staat en voor een onveilige situatie zorgt. Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zoals is verzocht met spoed uit huis te plaatsen voor twee weken, tot 9 juli 2026. Het verzoek wordt voor het overige aangehouden.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
De GI, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven.
5. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening, een voorziening voor pleegzorg en een accommodatie jeugdhulpaanbieder met ingang van 25 juni 2026 tot 9 juli 2026;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
roept de GI, de vader en de moeder op voor de zitting van mr. Benjaddi op 3 juli 2026 om 14:45 uur in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, aan Stationslaan 10 in Breda;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
vraagt de griffier [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op te roepen voor een apart kindgesprek.
Deze beschikking is gegeven door Van Gessel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026, in aanwezigheid van Van Diepen als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.