ECLI:NL:RBZWB:2026:6900

ECLI:NL:RBZWB:2026:6900

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 25-06-2026
Datum publicatie 26-07-2026
Zaaknummer C/02/448809 / KG ZA 26-286
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Kort geding, executiegeschil. Vordering man om de vrouw te gebieden de executie van de uitspraak in Marokko over de kal te staken wegens misbruik van recht. Vordering afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

vonnis

Team Familie- en Jeugdrecht

Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/448809 / KG ZA 26-286

Vonnis in kort geding van 25 juni 2026

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat: mr. B.P.A. van Beers te Roosendaal ,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat: mr. C.G.A. Mattheussens te Roosendaal .

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- het schrijven van mr. Mattheussens ingediend op 9 juni 2026 met productie;

- de conclusie van antwoord ingediend op 10 juni 2026;

- het schrijven van mr. Van Beers ingediend op 10 juni 2026, met bijlage;

- het schrijven van mr. Van Beers ingediend op 10 juni 2026 met bijlagen;

- de mondelinge behandeling op 11 juni 2026.

Tijdens de zitting zijn verschenen de advocaat van de man en de vrouw en haar advocaat, waarbij de vrouw en haar advocaat via een beeldbelverbinding hebben deelgenomen. De man is niet verschenen.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Partijen zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn de navolgende thans nog minderjarige kinderen geboren:

- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2009;

- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2011;

- [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2017;

- [minderjarige 4] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 4] 2019.

Op 28 januari 2022 heeft de man het inleidend verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend bij deze rechtbank.

Op 18 februari 2022, lopende de onder 2.2. genoemde procedure, is de vrouw in Marokko een echtscheidingsprocedure gestart. Op [datum] 2022 heeft de rechtbank van eerste aanleg van [plaats], Marokko, het huwelijk tussen partijen ontbonden en, voor zover hier van belang, de man veroordeeld tot betaling ten behoeve van zijn kinderen als volgt:

300 MAD per maand als verzorgingsvergoeding vanaf het einde van de wettelijke periode van onthouding;

700 MAD per maand voor elk als alimentatie, met voortduring vanaf de datum van de uitspraak van dit vonnis, tot de wettelijke verjaring;

1.500 MAD per maand als huurvergoeding voor hun huisvesting;

Het geheel met voortzetting vanaf de datum van het einde van de wettelijke wachttijd tot de wettelijke verjaring.

Op 26 augustus 2022 heeft deze rechtbank een tussenbeschikking gewezen. Vervolgens heeft deze rechtbank bij beschikking van 28 februari 2023, voor zover hier van belang, de echtscheiding in het huwelijk van partijen uitgesproken en een door de man te betalen kinderbijdrage van € 12,50 per minderjarige per maand per 1 januari 2022 vastgesteld.

De vrouw heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beschikkingen van

26 augustus 2022 en van 28 februari 2023 van deze rechtbank. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij beschikking van 6 februari 2024 de beschikking van 28 februari 2023 vernietigd voor wat betreft de tussen partijen uitgesproken echtscheiding en de kinderalimentatie. Het gerechtshof erkende de beslissing van de Marokkaanse rechtbank van [plaats] van [datum] 2022 ten aanzien van de daarin bepaalde kinderbijdrage en bepaalde, met wijziging van die beslissing, de door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage met ingang van [datum] 2022 op € 50,= per maand voor de vier kinderen gezamenlijk.

De man heeft in Marokko beroep ingesteld van de Marokkaanse uitspraak van [datum] 2022. Hij beriep zich, voor zover hier van belang, op de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarbij die Marokkaanse uitspraak ten aanzien van de door hem te betalen kinderbijdrage was gewijzigd. Het Hof van Beroep te [plaats] heeft bij arrest van 25 juni 2024, voor zover hier van belang, de bestreden uitspraak bevestigd. Voor wat betreft het beroep van de man op genoemde beschikking van het gerechtshof overwoog het Hof van Beroep: dat rechterlijke beslissingen overeenkomstig artikel 124 van de Grondwet van het Koninkrijk Marokko worden uitgesproken in naam van de Koning en overeenkomstig de wet. Dergelijke beslissingen kunnen in beginsel enkel worden gewijzigd of aangetast via de wettelijk voorziene beroepsprocedures voor de Marokkaanse rechtbanken, overeenkomstig de vorm- en grondregels bepaald door de wet.

Bijgevolg vormt het arrest van het Hof van Beroep te ’s-Hertogenbosch van 06/02/2024 in dossier nr. [kenmerk 1] – [kenmerk 2], waarbij het Marokkaanse vonnis werd gewijzigd door de gezamenlijke onderhoudsbijdrage voor de kinderen te verminderen tot 50 euro per maand, een aantasting van het gezag van gewijsde van het Marokkaanse vonnis en is het strijdig met de Marokkaanse openbare orde en haar grondwettelijke en wettelijke fundamenten. Het kan derhalve geen enkel rechtsgevolg sorteren, zodat het buiten beschouwing dient te worden gelaten en het bestreden vonnis moet worden bevestigd.

Aangezien appellant in het ongelijk wordt gesteld, dient hij de kosten van het hoger beroep te dragen.

Op 16 september 2025 heeft een gerechtsdeurwaarder in Marokko op verzoek van de vrouw een aanmaning tot uitvoering vergezeld van een uitvoerbare kopie van het arrest nr. 544 uitgesproken door het Hof van Beroep te [plaats] d.d. 25/6/2024 betekend aan de man, waarbij betaling werd gevorderd van een totaalbedrag van 199.605 dirham.

Het betreft de volgende te betalen bedragen:

Voor huisvesting tijdens de wachtperiode (ídda’): 3000 dirham.

Voor onderhoudsbijdragen voor de kinderen van 02/06/2022 tot 16/09/2025, aan 700 dirham per maand per kind, verschuldigd voor beiden samen: 113400 dirham.

Voor het hoederecht (bewaringsvergoeding) van 02/06/2022 tot 16/09/2025, aan 150 dirham per maand per kind, voor beiden samen 24300 dirham.

Voor huisvesting van 03/09/2022 tot 16/09/2025, aan 1500 dirham per maand voor beiden samen, verschuldigd bedrag 56250 dirham.

Voor de kosten van de gerechtsdeurwaarder en de verplaatsingskosten: 4685 dirham.

Voor de schatkistrechten: 970 dirham.

Tegen de man is in Marokko een opsporingsbericht uitgevaardigd wegens de niet- uitvoering van onderhoudsverplichtingen dan wel gezinsverwaarlozing. De man heeft via een Marokkaanse advocaat de Procureur des Konings bij de rechtbank van Eerste Aanleg in [plaats] verzocht het opsporingsbericht betreffende het misdrijf van verwaarlozing van het gezin wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag op te heffen, zodat hij Marokko weer kan verlaten.

3. De vorderingen

De man vordert bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de vrouw te gebieden per direct de executie van de uitspraak van de rechtbank van eerste aanleg te [plaats], Marokko, van [datum] 2022 en/of de door het hof van beroep te [plaats], Marokko, van 25 juni 2024 daartegen gewezen uitspraak over de kinderalimentatie (inclusief de verzorgingsvergoeding, de alimentatie en de huurvergoeding) te staken en gestaakt te houden op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,= per dag of gedeelte van een dag dat zij na betekening van het ten dezen te wijzen vonnis in gebreke blijft die executie te staken of gestaakt te houden tot een maximum van € 250.000,=;

II. de vrouw te veroordelen in de proceskosten, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van die kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente over die kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot en met de dag der algehele voldoening.

Namens de man is daartoe in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, kort en zakelijk weergegeven, het navolgende aangevoerd. Hij heeft een spoedeisend belang bij zijn vorderingen omdat hij door de tenuitvoerlegging door de vrouw van de Marokkaanse uitspraak in Marokko, Marokko niet kan verlaten totdat hij de volledige betalingsachterstand heeft voldaan. Hij heeft belang bij een spoedige terugkeer naar Nederland nu hij daar voor zijn levensonderhoud afhankelijk is van een WIA-uitkering, die stopgezet kan worden indien hij te lang in het buitenland verblijft. De vrouw handelt onrechtmatig jegens de man door misbruik van recht te maken. Dat misbruik van recht bestaat hierin dat de vrouw de uitspraak van het Hof van Beroep van Marokko executeert terwijl het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch bij onherroepelijke uitspraak de Marokkaanse uitspraak d.d. [datum] 2022 van de rechtbank van eerste aanleg van [plaats] heeft gewijzigd in die zin dat de kinderalimentatie op een (veel) lager bedrag is vastgesteld, waarbij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, in tegenstelling tot de Marokkaanse rechter, wel rekening hield met de draagkracht van de man. Ook omdat de aanmaning is betekend op het adres van de overleden ouders van de man in Marokko, waar de man niet woont of staat ingeschreven, handelt de vrouw onrechtmatig jegens de man. De man werd met deze executie geconfronteerd toen hij in april 2026 voor familiebezoek naar Marokko was afgereisd. Voorts handelt de vrouw onrechtmatig jegens de man nu zij in de Marokkaanse procedures heeft gesteld dat zij in Marokko woont terwijl zij in [woonplaats 2] woont. De man lijdt door de executie van de Marokkaanse uitspraak schade. Hij kan niet terugkeren naar Nederland waardoor hij hogere verblijfskosten in Marokko heeft moeten maken dan hij op voorhand had voorzien en voorts lijdt hij schade omdat hij niet vrij kan reizen en in zijn bewegingsvrijheid wordt beperkt. Bovendien heeft hij advocaat- en proceskosten in Marokko moeten betalen om te proberen Marokko te verlaten. Het opleggen van een dwangsom is noodzakelijk nu de vrouw niet bereid is gebleken in der minne mee te werken. De proceskosten dienen in redelijkheid voor rekening van de vrouw te komen nu deze het gevolg zijn van het niet meewerken van de vrouw. Doordat de vrouw, ondanks dat zij wist dat de Marokkaanse uitspraak was gewijzigd door het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, er toch voor heeft gekozen om de Marokkaanse uitspraak te executeren was de man genoodzaakt een gerechtelijke procedure te starten. De man stelt dat hij in Marokko cassatie heeft ingesteld van voornoemde uitspraak d.d. 25 juni 2024 van het Hof van Beroep te [plaats]. De man heeft een screenshot van het digitaal roljournaal van het Marokkaanse Hof van Cassatie in het geding gebracht omdat de vrouw aangaf niet te weten dat de man in Marokko in cassatie was gegaan van de uitspraak van het Hof van Beroep te [plaats], derhalve om openheid te geven. De man stelt dat uit dit screenshot van het roljournaal en een door hem overgelegde vertaling van ChatGPT volgt dat deze cassatiezaak al behandeld is, en dat hieruit blijkt dat er naar aanleiding van de zitting van 12 mei 2026 aldaar een beslissing is genomen die inhoudt dat de uitspraak van het Hof van Beroep te [plaats] is vernietigd en wordt verwezen. De man heeft nog geen schriftelijke uitspraak in cassatie ontvangen en weet ook niet wanneer hij die ontvangen zal. De man weet ook niet precies wat hierin zal staan, maar hij acht dit voor de onderhavige procedure ook niet relevant, hetgeen eveneens geldt voor het verzoek van de man aan de Procureur des Konings bij de rechtbank van Eerste Aanleg in [plaats] om het opsporingsbevel op te heffen. De man volgt meerdere sporen. De onderhavige procedure ziet op een onrechtmatige daad van de vrouw jegens de man, terwijl de man thans in Marokko iets anders vordert. De man heeft per direct een uitspraak nodig. De man verwijst naar een gelijksoortige zaak van de rechtbank Limburg ECLI:NL:RBLIM:2019:5768.

Namens de vrouw is verweer gevoerd strekkende tot afwijzing van de vorderingen van de man als zijnde ongegrond en of onbewezen. In de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is, kort en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. Zij is van mening dat zij door het executeren van de uitspraak van het Hof van Beroep in Marokko geen onrechtmatige daad jegens de man heeft gepleegd. Uitsluitend de Marokkaanse rechter kan over de toelaatbaarheid van de executie van die Marokkaanse uitspraak in Marokko beslissen en niet de Nederlandse voorzieningenrechter. Op grond van de uitspraak van het Hof van Beroep in Marokko kan de beschikking van het hof te ’s-Hertogenbosch in Marokko geen rechtsgevolg sorteren nu die uitspraak naar het oordeel van het Hof van Beroep strijdig is met de Marokkaanse openbare orde en haar grondwettelijke en wettelijke fundamenten. Er is dan ook sprake van een rechtsgeldige executie. Door te executeren heeft zij geen misbruik van recht gemaakt. De vrouw was ook naar Nederlands internationaal privaatrecht bevoegd om de Marokkaanse rechter te verzoeken de echtscheiding uit te spreken en een kinderbijdrage te vragen. Doordat zij de uitspraak van het Hof van Beroep alleen in Marokko executeert en niet in Nederland, kan niet worden gesteld dat zij onrechtmatig jegens de man handelt. De vrouw heeft ook nooit bij de man het vertrouwen gewekt dat zij geen aanspraak zou maken op de uitspraak van het Hof van Beroep te Marokko; zij heeft altijd aangegeven dat die uitspraak voor haar leidend is en heeft alle betalingen van de man verricht op grond van de Nederlandse uitspraken geretourneerd. De procedure bij het Hof van Beroep voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging en is gevoerd op tegenspraak zodat de man zijn standpunt kenbaar heeft kunnen maken. Ten aanzien van de stelling van de man dat de vrouw onrechtmatig handelt door in de procedure te stellen dat zij in Marokko woont, merkt de vrouw op dat dit eveneens voor de man geldt nu hij ook in Marokko en in Nederland staat ingeschreven. De man was wel degelijk op de hoogte van de tenuitvoerlegging; hij heeft in Marokko ook verzocht om het opsporingsbevel op te heffen. Nu die rechtsgang daar openstaat wordt de man niet in zijn belang geschaad. Dat de man Marokko niet kan verlaten kan zo zijn, maar dat valt hem zelf aan te rekenen nu hij bekend was met de uitspraak van het Hof van Beroep en hij zichzelf in deze positie heeft gebracht. Dat hij het verschuldigde bedrag niet wenst te betalen, is zijn eigen keuze. De vrouw heeft een gerechtvaardigd belang, te weten het wel en wee van de kinderen van partijen; zij leeft op het bestaansminimum en kan het geld ten goede doen komen aan hen. De vrouw was niet op de hoogte van de door de man in Marokko ingestelde cassatie en de man komt een dag vóór de zitting met het bericht dat er een terug verwijzing zal zijn. De vrouw heeft geen contact met haar Marokkaanse advocaat gehad over het cassatieberoep van de man omdat er een uitspraak ligt die ten uitvoer kan worden gelegd. Nu er naar aanleiding van het bericht op het digitaal roljournaal geen bericht is gekomen van één van de Marokkaanse advocaten van partijen richting partijen dat de ten uitvoerlegging moet worden gestopt, concludeert de vrouw dat de ten uitvoerlegging van de Marokkaanse uitspraak nog steeds rechtmatig is en dat er verder geen conclusies kunnen worden verbonden aan het bericht omtrent de cassatie.

4. De beoordeling

Nu deze zaak een internationaal karakter heeft, moet de rechtsmacht van de Nederlandse rechter worden beoordeeld. Op grond van artikel 4 lid 1 van de Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012 L 351/1 (Verordening Brussel I-bis) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht. Partijen wonen immers in Nederland.

Het toepasselijk recht dient te worden beoordeeld aan de hand van de Verordening (EG) nr. 864/2007 van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II). Nu beide partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, is, op grond van artikel 4 lid 2 van die verordening Nederlands recht van toepassing.

Op grond van artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken, waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven. De spoedeisendheid vloeit naar het oordeel van de voorzieningenrechter voort uit de aard van de vordering. De vrouw heeft de vereiste spoedeisendheid ook niet bestreden.

Voorop gesteld dient te worden dat eenieder gebruik kan maken van de hem of haar toekomende rechten en aanspraken. In dit geval, waarin partijen beschikken over een dubbele nationaliteit kan één en ander meebrengen dat ook in een ander land dan Nederland tussen partijen afdwingbare verplichtingen kunnen worden vastgesteld.

De beoordeling van de vraag of de vrouw de alimentatiebeslissing in Marokko ten uitvoer kan leggen, is in beginsel voorbehouden aan de Marokkaanse autoriteiten en de Marokkaanse rechter, hetgeen vraagt om terughoudendheid van de Nederlandse rechter.

De Nederlandse (voorzieningen)rechter kan daar niet in treden, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de vrouw naar Nederlands recht jegens de man misbruik maakt van recht en dus onrechtmatig jegens hem handelt door de alimentatiebeslissing in Marokko ten uitvoer te leggen.

Ten aanzien van de stelling van de man dat de tenuitvoerlegging door de vrouw in Marokko van de uitspraak d.d. 25 juni 2024 van het Hof van Beroep in Marokko onrechtmatig is omdat het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch bij onherroepelijke uitspraak d.d. 6 februari 2024 de Marokkaanse uitspraak d.d. [datum] 2022 van de rechtbank van eerste aanleg van [plaats] heeft gewijzigd en de kinderalimentatie op een (veel) lager bedrag heeft vastgesteld, wordt als volgt overwogen. De man is in Marokko in hoger beroep gegaan van genoemde uitspraak van [datum] 2022 en werd zowel in de procedure in eerste aanleg als in de hoger beroepsprocedure vertegenwoordigd dan wel bijgestaan door een Marokkaanse advocaat. Hij werd door het Hof van Beroep in Marokko bij arrest van 25 juni 2024 in het ongelijk gesteld. Blijkens dat arrest heeft het Hof van Beroep de man ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken, nam het kennis van voornoemde uitspraak van het hof te ’s-Hertogenbosch waarin de kinderbijdrage zoals die in Marokko was vastgesteld werd gewijzigd, - waarmee voorshands voldoende gewaarborgd lijkt te zijn dat in die procedure met de belangen van de man rekening is gehouden - en werd vervolgens de uitspraak van

[datum] 2022 van de rechtbank van eerste aanleg bekrachtigd. Daarna is de vrouw overgegaan tot executie van de uitspraak d.d. 25 juni 2024 van het Hof van Beroep te [plaats]. In het licht van voornoemde omstandigheden waaruit volgt dat de man in Marokko de voor hem openstaande wegen heeft bewandeld en waarbij de Marokkaanse rechter in hoger beroep rekening heeft kunnen houden met de beslissing van de Nederlandse rechter, is niet aannemelijk geworden dat sprake is van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de vrouw naar Nederlands recht jegens de man misbruik maakt van recht en dus onrechtmatig jegens hem handelt door de alimentatiebeslissing in Marokko ten uitvoer te leggen. Op voornoemde door de man aangevoerde grond kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter de staking van de tenuitvoerlegging dan ook niet worden bevolen.

De voorzieningenrechter merkt ten aanzien van de uitspraak van de rechtbank Limburg ECLI:NL:RBLIM:2019:5768, waarop de man zich beroept, nog het volgende op. In die zaak werd de executie van de Marokkaanse beslissing door de vrouw voortgezet terwijl de alimentatie inmiddels was verlaagd door de Nederlandse rechter. De rechter oordeelde dat beide partijen gehouden waren aan de Nederlandse wijzigingsbeschikking, zodat executie van de Marokkaanse beslissing onrechtmatig was en de vrouw deze niet langer mocht voortzetten. In onderhavige zaak is ook sprake van een Marokkaanse uitspraak die nadien ten aanzien van de kinderbijdrage door de Nederlandse rechter is gewijzigd. Hier is echter, anders dan in de door de man aangehaalde zaak, sprake van een situatie waarin nadien door de Marokkaanse rechter in een door de man geëntameerd hoger beroep, waarbij die rechter op de hoogte was van de wijziging door de Nederlandse rechter van de door de Marokkaanse rechter in eerste aanleg vastgestelde kinderbijdrage, de uitspraak van de rechtbank in eerste aanleg werd bekrachtigd.

Ook heeft de man gesteld dat de vrouw onrechtmatig jegens hem handelt omdat de aanmaning is betekend op het adres van de overleden ouders van de man in Marokko, waar de man niet woont terwijl de vrouw daarvan op de hoogte was. De voorzieningenrechter gaat uit van de juistheid van de als bijlage 6 bij de dagvaarding overgelegde aanmaning waarin is opgenomen dat deze door een gerechtsdeurwaarder aan de man is betekend en dat de man deze stukken in ontvangst heeft genomen op 17 september 2025. Immers, de man heeft zijn betwisting van dit stuk in die zin dat dit niet aan hem is betekend zoals daarin is opgenomen nu hij daar niet woonde en hij daar niet is geweest in die periode niet nader onderbouwd, zodat deze betwisting niet kan slagen. Voorts zou de vrouw volgens de man onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld omdat zij in de procedure bij het Hof van Beroep in Marokko had gesteld haar woonplaats in Marokko te hebben, terwijl partijen en de minderjarigen in Nederland wonen. Nu de vrouw onweersproken heeft gesteld dat dit voor de man eveneens geldt en ook uit (de vertaling van) de uitspraak van het Hof van Beroep van Marokko blijkt dat de man daarin wordt vermeld met een adres in Marokko terwijl hij ook in Nederland staat ingeschreven, leidt dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet tot het oordeel dat de vrouw daarmee onrechtmatig jegens de man heeft gehandeld.

Voorts geldt dat tegen de uitspraak van het Hof van Beroep kennelijk een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang in Marokko openstaat waarin de man zijn bezwaren tegen die uitspraak aan de orde kan stellen. De man stelt daarvan ook gebruik te hebben gemaakt; hij stelt van genoemde uitspraak in cassatie te zijn gegaan bij het Marokkaanse Hof van Cassatie en hij heeft voorts, zo staat vast, een verzoek bij de Procureur des Konings bij de rechtbank van Eerste Aanleg in [plaats] gedaan tot het opheffen van een opsporingsbericht betreffende het misdrijf van verwaarlozing van het gezin wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag. Als onweersproken door de man gesteld, is omtrent het laatste verzoek nog geen duidelijkheid verkregen. De man stelt onder overlegging van een screenshot van een Marokkaans digitaal roljournaal met een vertaling van ChatGPT daarvan (bijlage 8 bij de dagvaarding), dat het beroep in cassatie succesvol is geweest in die zin dat daarbij de uitspraak van het Marokkaanse Hof van Beroep op 12 mei 2026 is vernietigd en is terugverwezen naar een Hof van Beroep. De betreffende uitspraak kon de man niet overleggen nu hij daarover nog niet beschikte; de beslissing wacht nog op een handtekening van de voorzitter, aldus de man. De man weet ook niet wanneer hij de uitspraak ontvangt. De voorzieningenrechter is, anders dan partijen, van oordeel dat vorenstaande ontwikkelingen wel van invloed zijn op onderhavige procedure. Het is immers de vraag of door bovengenoemde ontwikkelingen in cassatie de uitspraak

d.d. 25 juni 2024 van het Hof van Beroep te [plaats] nog wel geëxecuteerd kan worden en of de man in die zin thans nog wel belang bij onderhavige procedure heeft. Het had dan ook, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, op de weg van de man gelegen om ter zake de gevolgen van de door hem aangevoerde ontwikkelingen in het beroep in cassatie in Marokko voor onderhavige procedure, in Marokko inlichtingen in te winnen (bijvoorbeeld via de Marokkaanse advocaat van de man) en daaromtrent in deze procedure duidelijkheid te verschaffen. Nu de man dit heeft nagelaten, is de voorzieningenrechter, gezien genoemde onduidelijkheid ten aanzien van het belang van de man bij deze procedure, van oordeel dat ook om deze reden het verzoek van de man dient te worden afgewezen.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van de man zoals omschreven onder I. van 3.1. wordt afgewezen.

Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten, zoals gebruikelijk in een dergelijke zaak, tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. In hetgeen de man naar voren heeft gebracht, ziet de voorzieningenrechter geen grond om anders te beslissen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de vorderingen af;

compenseert de kosten van deze procedure van partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Hendriks, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. Krijger-de Keuning, griffier.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Krijger-de Keuning

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2026/471
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand