ECLI:NL:RBZWB:2026:6901

ECLI:NL:RBZWB:2026:6901

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 25-06-2026
Datum publicatie 26-07-2026
Zaaknummer C/02/448358 / JE RK 26-873
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/448358 / JE RK 26-873

Datum uitspraak: 25 juni 2026

Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. J.J. Geuze te Best.

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming Regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda

hierna: de Raad, de kinderrechter over het verzoek geadviseerd.

1. Het verdere verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

de in deze zaak gegeven beschikking van 2 juni 2026 en alle daarin genoemde stukken;

de op 10 juni 2026 ontvangen brief van mr. Geuze;

de op 25 juni 2026 van de GI ontvangen brief van de Raad d.d. 18 juni 2026.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door een tolk in de Poolse taal en haar advocaat;

een vertegenwoordiger van de GI;

een vertegenwoordiger van de Raad.

2. De feiten

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 juni 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 27 juni 2026. Voorts is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 27 juni 2026.

[minderjarige] verbleef bij [accommodatie 1] in [plaats 1] en is recent overgeplaatst naar [accommodatie 2] te [plaats 2] .

Bij voormelde beschikking van 2 juni 2026 heeft de kinderrechter de behandeling van het verzoek van de GI aangehouden tot de zitting van 25 juni 2026, omdat de direct betrokken jeugdbeschermer niet ter zitting aanwezig kon zijn en de Raad het voorgenomen besluit van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing na 2 jaar nog niet getoetst had.

Gelet op de instemming van de GI en de moeder en het feit dat [minderjarige] toen in [plaats 1] verbleef, heeft de kinderrechter zich bevoegd verklaard om van het verzoek kennis te nemen en te behandelen.

3. Het verzoek

Door de GI is aanvankelijk verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van twaalf maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Vervolgens heeft de GI op 2 juni 2026 een gewijzigd verzoekschrift ingediend, waarin zij tevens verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van één jaar. De GI verzoekt de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De standpunten

De GI voert ter onderbouwing van het verzoek aan dat bij [minderjarige] sprake is van forse kind-eigen problematiek op meerdere gebieden. Uit onderzoek bij [accommodatie 1] (2024) is gebleken dat hij zeer laag begaafd is. Hij functioneert op het niveau van een kind van 1 tot 1,5 jaar. Er worden aanwijzingen gezien voor LVB, autisme, hechtingsproblematiek en trauma, waarbij de ASS-problematiek op de voorgrond staat. Dit alles belemmert hem om te kunnen leren en verder tot ontwikkeling te kunnen komen.

Gelet op zijn problematiek heeft [minderjarige] zeer specifieke zorg nodig, welke de moeder, en in feite elke reguliere opvoeder, hem onvoldoende kan bieden. [minderjarige] kan niet in een gewone opvoedomgeving opgroeien maar is aangewezen op een 3 milieuvoorziening, waar wonen, behandeling en dagbesteding wordt geboden.

Gezien de specifieke behoeften van [minderjarige] en de schaarste in passende plekken voor hem heeft hij zo’n twee jaar lang moeten wachten op een geschikte vervolgplek. Inmiddels is [minderjarige] per 12 mei 2026 overgegaan naar een perspectief biedende plek bij [accommodatie 2]. Deze overplaatsing is boven verwachting goed verlopen. De moeder mag [minderjarige] bij [accommodatie 2] geregeld bezoeken. De GI is van mening dat een verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is om de stabiele opvoedsituatie van [minderjarige] te kunnen waarborgen. Daarbij acht de GI het voor alle betrokkenen van belang dat duidelijk wordt dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder ligt en dat er niet meer zal worden toegewerkt naar een thuisplaatsing van [minderjarige] . De GI is voornemens een verzoek bij de Raad te doen tot onderzoek naar gezagbeëindiging van moeder.

Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat zij zich niet verzet tegen het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Wel vindt de moeder het belangrijk dat zij tijdens haar bezoeken aan [minderjarige] ook enige zorgtaken zal kunnen verrichten. Ook vindt de moeder het heel belangrijk dat [minderjarige] dichterbij huis zal worden geplaatst, omdat zij nu een lange reistijd naar en van [accommodatie 2] heeft en zij afhankelijk is van het openbaar vervoer. In geval er een verzoek tot beëindiging van haar gezag volgt, zal de moeder daar verweer tegen voeren.

De Raad ziet een liefdevolle en betrokken moeder. De Raad stelt ook vast dat de GI inmiddels het opvoedbesluit heeft genomen dat [minderjarige] niet bij de moeder kan wonen en dat zijn toekomstperspectief gelegen is binnen een beschermde woonvoorziening waar behandeling en dagbesteding worden gefaciliteerd. Zodra de Raad een verzoek tot onderzoek van de GI heeft ontvangen, zal de Raad starten met het onderzoek dat zich richt op de noodzaak van een gezag beëindigende maatregel, waarbij er ook aandacht zal zijn voor het toekomstperspectief van [minderjarige] .

De Raad acht het van belang dat – in afwachting van de uitkomsten van dit onderzoek – de veiligheid, rust en stabiliteit voor [minderjarige] gewaarborgd wordt en zijn plaatsing binnen de huidige jeugdzorgaccommodatie wordt gecontinueerd. Op basis hiervan adviseert de Raad om in te stemmen met het voorgenomen besluit om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] na twee jaar te verlengen.

5. De beoordeling

De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Hiervoor moet aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste lid BW) zijn voldaan.

De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarig zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, enb. de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.

De kinderrechter kan op grond van artikel 1:265c tweede lid BW de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid kan de kinderrechter op grond van artikel 1:265b eerste lid BW de gecertificeerde instelling (belast met de ondertoezichtstelling) op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.

De kinderrechter ziet met de Raad en de GI een zeer betrokken en liefdevolle moeder. Gezien zijn zeer forse kind-eigen problematiek is [minderjarige] aangewezen op verblijf in een 3 milieuvoorziening, waar hem wonen, behandeling en dagbesteding wordt geboden. De moeder kan aan de specificieke behoeften van [minderjarige] niet voldoen. Vanwege die specifieke behoeften verblijft [minderjarige] sinds kort bij [accommodatie 2] in [plaats 2] . Het is van groot belang voor [minderjarige] dat de veiligheid, rust en stabiliteit die hem thans wordt geboden gewaarborgd blijft en zijn plaatsing binnen de gespecialiseerde voorziening gecontinueerd wordt. De kinderrechter constateert dat de Raad het op grond van artikel 1:265j lid 3 BW vereiste advies om de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing ook na twee jaar nog te verlengen heeft gegeven. De kinderrechter zal de Raad in dit advies volgen en zal het -niet weersproken- verzoek van de GI toewijzen.

Zij gaat er hierbij van uit dat de GI oog zal (blijven) houden voor de wens van de moeder om gedurende de plaatsing van [minderjarige] zorgtaken te kunnen blijven vervullen, waarbij zij zich wel zal moeten houden aan de voorwaarden en regels van de zorginstelling Ook gaat de kinderrechter er van uit dat de GI de mogelijkheden zal (blijven) onderzoeken om [minderjarige] dichterbij de moeder geplaatst te krijgen. Ter zitting heeft de GI aangegeven oog te hebben voor deze wensen van de moeder. De moeder heeft zich hierbij evenwel te realiseren dat, gezien de specifieke behoeften van [minderjarige] , passende plekken voor hem erg schaars zijn.

De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 27 juni 2026 tot 27 juni 2027;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 27 juni 2026 tot 27 juni 2027;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026 door mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 22 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand