RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448377 / JE RK 26-876
Datum uitspraak: 25 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. S. Meeuwsen te Gorinchem,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 20 mei 2026;
de e-mail van [minderjarige 1] van 10 juni 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad.
De vader en de GI zijn, hoewel correct opgeroepen, niet verschenen.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft een e-mail naar de kinderrechter gestuurd met daarin zijn mening over het verzoek. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
[minderjarige 1] woont bij de moeder. [minderjarige 1] heeft ook nog een broer, [minderjarige 2], van 16 jaar oud. Hij woont bij de vader.
Bij deze rechtbank is tevens een bodemprocedure aanhangig tussen de ouders over
het hoofdverblijf, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en over alimentatie.
Die zaak is geregistreerd onder zaaknummer C/02/416897 FA RK 23-5819. De Raad
adviseert in die procedure de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] te bepalen bij de vader en de
hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] te bepalen bij de moeder, alsmede de beslissing tot het
vaststellen van een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige 1] aan te houden
voor de duur van tien maanden in afwachting van de resultaten van de ondertoezichtstelling.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De Raad legt aan zijn verzoek ten grondslag zich grote zorgen te maken over de ontwikkeling van [minderjarige 1] . Hij is een kwetsbare jongen, die snel overvraagd kan worden. [minderjarige 1] heeft dyslexie. Ook heeft hij een disharmonisch intelligentieprofiel. [minderjarige 1] laat gedragsproblemen zien, alsook problemen met zijn emotieregulatie. [minderjarige 1] volgt speciaal onderwijs. Naar de mening van de Raad heeft de kind-eigen problematiek van [minderjarige 1] , in combinatie met de vechtscheiding, zijn ontwikkeling op didactisch en sociaal gebied stilgelegd. Daarbij staat de ouder-kindrelatie tussen de vader en [minderjarige 1] ernstig onder druk. Sinds oktober 2025 heeft er tussen hen beiden slechts eenmaal een (kort) contact plaatsgevonden. Naar de mening van de Raad kunnen de zorgen in het vrijwillig kader niet weggenomen worden. De ouders spreken uit open te staan voor hulpverlening en geven aan de situatie te willen veranderen, maar de Raad heeft er onvoldoende vertrouwen in dat het ouders gaat lukken de noodzakelijke hulpverlening samen op te starten en deze te blijven accepteren.
De moeder geeft aan dat zij altijd heeft geprobeerd om met de vader te communiceren en samen te werken, maar tevergeefs. De moeder krijgt bij de vader geen ingang. De moeder heeft het er daarom op enig moment maar bij gelaten. Positief is volgens de moeder dat [minderjarige 1] momenteel weer een stijgende lijn in zijn ontwikkeling laat zien. Dit neemt volgens de moeder niet weg dat nog onvoldoende is bereikt en de ondersteuning van een jeugdbeschermer van waardevolle betekenis kan zijn. Mr. Meeuwsen merkt daarbij namens de moeder nog op dat hij in de bodemprocedure (C/02/416897 FA RK 23-5819) een brief heeft ontvangen van de advocaat van de vader van 23 juni 2026. De advocaat van de vader heeft in die brief aangegeven dat de vader in het belang van [minderjarige 1] kan instemmen met het verzoek van de Raad. De moeder kan zich ook vinden in het verzoek.
[minderjarige 1] heeft aan de kinderrechter laten weten dat hij het een beetje stom vindt dat er iemand aan huis zal komen om te helpen, omdat hij het heel erg fijn heeft bij de moeder, maar dat hij het misschien ook wel fijn vindt als er iemand komt.
5. De beoordeling
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarig zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, enb. de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen
Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is de kinderrechter van oordeel dat [minderjarige 1] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd.[minderjarige 1] is een kwetsbare jongen die snel overvraagd dreigt te worden. Hij laat gedragsproblemen zien en heeft problemen met zijn emotieregulatie.
Het lijkt er op dat [minderjarige 1] handelt uit onmacht. Ook didactisch loopt [minderjarige 1] achter in zijn ontwikkeling. De kind-eigen problematiek van [minderjarige 1] in combinatie met de ouderstrijd belemmert zijn ontwikkeling.
Een van de gevolgen van de ouderstrijd is dat het contact tussen [minderjarige 1] en zijn vader geheel verbroken is geraakt. Sinds oktober 2025 heeft er slechts eenmaal een kort contact plaatsgehad tussen de vader en [minderjarige 1] . De Raad signaleert dat tijdens het raadsonderzoek naar voren is gekomen dat beide kinderen moeite hebben met het contact met de ouder waar ze niet bij wonen. Een zorg is dat de kinderen, mogelijk onbewust, mee zijn gegaan in de strijd tussen de ouders en de zorgen die ouders hebben over elkaar.
Hulpverlening in het vrijwillig kader heeft de ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 1] niet kunnen doen afwenden. Gelet op de forse zorgen over [minderjarige 1] is het noodzakelijk dat hulpverlening in een verplicht kader zal plaatsvinden. De kinderrechter zal daarom het -niet weersproken- verzoek van de Raad toewijzen. Gezien de doelen waaraan binnen de ondertoezichtstelling moet worden gewerkt, zal het verzoek worden toegewezen voor de duur van een jaar.
Als hulpverleningsdoelen binnen de ondertoezichtstelling worden aangemerkt:
- [minderjarige 1] groeit op in een stabiele en veilige opvoedingsomgeving, waarin hij niet belast wordt met communicatie- en samenwerkingsproblemen tussen ouders;
- [minderjarige 1] krijgt de kans om op een positieve en onbelaste manier contact te hebben en een band te onderhouden met beide ouders;
- Er is duidelijkheid over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en het contact met de andere ouder;
- Er is zicht op de (oorzaak van) de problematiek bij [minderjarige 1] en duidelijkheid over bij welke behandeling/ondersteuning hij het meest gebaat is;
- Ouders weten uit te stralen dat het goed is dat [minderjarige 1] contact heeft met de ouder waar hij niet bij woont en dat hij van beide ouders mag houden.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] onder toezicht van William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering met ingang van 25 juni 2026 tot 25 juni 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026 door mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 9 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s- Hertogenbosch . Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.