RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448660 / JE RK 26-927
Datum uitspraak: 25 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. M.P. Biesbroek te Rotterdam,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 28 mei 2026;
de op 16 juni 2026 ontvangen brief van de GI d.d. 16 juni 2026;
de op 22 juni 2026 ontvangen brief van de vader.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft op 23 juni 2026 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij haar moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 juni 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 29 juni 2025 verlengd tot 29 juni 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI legt aan haar verzoek ten grondslag dat er nog zorgen over [minderjarige] zijn. Hoewel het er ten tijde van het vorige verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling nog leek uit te zien dat de ondertoezichtstelling afgesloten kon gaan worden, is dat nog niet het geval. Hoewel er positieve ontwikkelingen zichtbaar zijn, zijn de ouders nog onvoldoende in staat om zelfstandig de noodzakelijke voorwaarden te bieden voor een stabiele omgangssituatie tussen [minderjarige] en de vader.
Sinds 22 april 2026 is sprake van onbegeleid contact tussen de vader en [minderjarige] .
De vader en [minderjarige] zien elkaar elke woensdagmiddag. Naar de mening van de GI verloopt dat contact op zichzelf goed. Wel vindt de GI het zorgelijk bij de moeder te bemerken dat zij het lastig vindt om [minderjarige] voor het contact met haar vader de benodigde emotionele toestemming te geven. Op 24 juni 2026 heeft de GI met [minderjarige] gesproken.
Volgens de GI gaf [minderjarige] aan te genieten van de contacten met haar vader. [minderjarige] heeft inmiddels een keer bij de vader gelogeerd. [minderjarige] heeft aangegeven dat daarmee “over haar grenzen heen is gegaan”. De GI vraagt zich af of dit de eigen woorden van [minderjarige] zijn. Naar de mening van de GI is overduidelijk dat [minderjarige] zich in een loyaliteitsconflict bevindt. Ze is heel trouw aan haar moeder, maar wil ook contact met haar vader hebben.
Om verder te kunnen komen heeft de GI voor ouders en [minderjarige] [zorgaanbieder] ingezet. [zorgaanbieder] geeft echter aan dat het contact met de moeder niet van de grond komt.
Ook de GI ervaart dat het lastig is om met de moeder in contact te komen.
De GI acht het van belang dat de moeder de vader in het vervolg uitgebreider gaat informeren over [minderjarige] , zodat de vader daar tijdens de omgang beter op kan inspelen.
De GI gaat nu proberen om vanuit [zorgaanbieder] een maatwerk arrangement in te zetten.
De vader gaat daarmee akkoord. Van de moeder is dat nog onbekend.
De GI acht het onder meer van belang dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] in de komende periode uitgebreid gaat worden en dat het ouderschapsplan zal worden geactualiseerd.
Door en namens de moeder is naar voren gebracht te betreuren dat in de stukken de geschiedenis wat lijkt te ontbreken. De moeder acht dat voor de te nemen verdere stappen wel van belang. Zo heeft [minderjarige] in het verleden op school zorgelijke uitspraken gedaan over seksueel grensoverschrijdend gedrag van de vader. Voor de moeder is het lastig om daar mee om te gaan. Uiteindelijk heeft het Openbaar Ministerie besloten om geen vervolging in te stellen. Naar de mening van de moeder wil dit nog niet zeggen dat er niets gebeurd zou zijn.
Bij de overgang naar de huidige GI is bekeken of voor [minderjarige] dezelfde soort traumatherapie die zij had hier voortgezet kon worden, maar dat is niet gelukt. [minderjarige] heeft hier, anders dan in [woonplaats] , nooit een goede vertrouwensband kunnen opbouwen met haar therapeut. De moeder betreurt dat daar nu niets meer mee wordt gedaan, temeer omdat [minderjarige] al was belast met kindeigen problematiek. Indien [minderjarige] het slachtoffer is geweest van seksueel misbruik, acht de moeder traumabehandeling van groot belang en in geval zij niet het slachtoffer is geweest, is dat ook zorgelijk en dient bekeken te worden waarom [minderjarige] de betreffende uitlatingen heeft gedaan.
Voor wat betreft de omgang bemerkt de moeder bij [minderjarige] dat zij haar vader graag wil zien, maar dat zij daarbij duidelijk haar grenzen aangeeft. [minderjarige] wil niet bij haar vader slapen. De moeder vindt het belangrijk dat [minderjarige] in haar wens wordt gehoord.
Volgens de moeder verloopt haar informatieverstrekking aan de vader over [minderjarige] al jarenlang op dezelfde manier. De moeder erkent dat zij daarin de laatste maanden wellicht wat is tekortgeschoten, maar dat had als reden dat zij een zware buikoperatie heeft ondergaan. Naar de mening van de moeder heeft de ondertoezichtstelling al met al weinig gebracht en zal zich in de oudercommunicatie geen verbetering meer gaan voordoen.
Dat zo zijnde ziet de moeder in een verlenging van de ondertoezichtstelling geen meerwaarde. De moeder concludeert daarom tot afwijzing van het verzoek.
De vader is het eens met het verzoek van de GI. Hij heeft aangegeven dat [minderjarige] zich als kind moet kunnen ontwikkelen, zonder belast te worden met conflicten tussen volwassenen. De vader hoort de moeder aangeven dat zij contact tussen hem en [minderjarige] belangrijk vindt. Naar de mening van de vader laat de moeder in de praktijk anders zien. De vader vindt het belangrijk dat [minderjarige] zich veilig voelt en de ruimte krijgt om een gezonde relatie met beide ouders op te bouwen en te behouden.
De vader is van mening dat de ondertoezichtstelling met één jaar verlengd moet worden, omdat de situatie nog niet voldoende is hersteld en verdere begeleiding, toezicht en regie nodig is om de ingezette positieve ontwikkelingen vast te houden en verder op te bouwen.
De vader betreurt dat het contact tussen hem en [minderjarige] lange tijd geheel verbroken is geweest. Volgens de vader zijn in de afgelopen maanden vorderingen gemaakt in het herstel van de vader-dochterrelatie. De vader ziet [minderjarige] inmiddels iedere woensdagmiddag. Op 12 juni 2026 is de vader samen met [minderjarige] naar de Efteling geweest en heeft [minderjarige] voor het eerst in meer dan twee jaar weer bij hem thuis geslapen. Die ontwikkelingen zijn voor de vader belangrijk en waardevol. Signalen dat [minderjarige] zich bij hem niet veilig zou voelen zijn er niet. Volgens de vader geeft hij [minderjarige] de ruimte om van beide ouders te houden en met beide ouders een betekenisvolle relatie te hebben. De vader maakt zich zorgen of [minderjarige] bij de moeder dezelfde ruimte kan ervaren als bij hem, omdat dat contactherstel voor [minderjarige] moeilijker maakt. De vader bedoelt dit niet als een verwijt, maar benoemt het als een belangrijk aandachtspunt voor de komende periode. Daarnaast acht de vader het belangrijk dat gewerkt wordt aan herstel van de oudercommunicatie. Ook wil de vader dat de moeder hem beter over [minderjarige] zal gaan informeren.
[minderjarige] heeft de kinderrechter verteld dat zij haar vader eerst een hele tijd niet heeft gezien. Volgens [minderjarige] is de omgang langzaamaan weer opgebouwd en ziet zij haar vader nu elke woensdagmiddag. Die contacten vindt [minderjarige] fijn. [minderjarige] zou er voor openstaan om soms ook op zaterdag of zondag naar haar vader toe te gaan, maar niet elke week. [minderjarige] heeft verteld dat de jeugdbeschermer en haar vader over haar grenzen heengegaan zijn door haar op enig moment bij haar vader te laten slapen. [minderjarige] wil dat niet. Ze vindt dat niet veilig, omdat haar vader haar in het verleden ’s avonds wakker kwam maken en hij dan vragen ging stellen. Zij weet niet welke vragen dat waren. Een verlenging van de ondertoezichtstelling vindt [minderjarige] niet meer nodig, omdat het goed gaat.
5. De beoordeling
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Hiervoor moet aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste lid BW) zijn voldaan.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarig zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:a. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, enb. de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat [minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De ouders zijn nog niet in staat om met elkaar samen te werken en goed met elkaar te communiceren. Ten gevolge van de verstoorde relatie tussen ouders bevindt [minderjarige] zich in een loyaliteitsconflict.
De moeder heeft naar voren gebracht dat [minderjarige] in het verleden op school zorgelijke uitspraken heeft gedaan over seksueel grensoverschrijdend gedrag van de vader jegens [minderjarige] . Indien dit zich heeft voorgedaan spreken de zorgen daarover voor zich. Indien het zich niet heeft voorgedaan, is het eveneens zorgelijk dat [minderjarige] dergelijke uitlatingen heeft gedaan. Het valt te begrijpen dat deze situatie beide ouders blijft bezighouden. Mede hierdoor blijft het contact tussen [minderjarige] en de vader onder druk staan. Voorkomen moet worden dat dit contact opnieuw verloren gaat. [minderjarige] geniet van het contact dat zij momenteel op de woensdagmiddagen met haar vader heeft en geeft aan dat zij er voor zou openstaan om soms ook op zaterdag of zondag naar haar vader toe te gaan.
Overnachten bij haar vader wil ze nog niet. Ze geeft aan dat er dan “over haar grenzen heen wordt gegaan”. Het is de vraag of deze uitlating spontaan uit [minderjarige] zelf komt. Duidelijk is dat [minderjarige] klem zit tussen haar ouders. Gegeven deze feiten en omstandigheden is het niet de verwachting dat de ouders zelfstandig in staat zullen zijn om de ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] af te wenden. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat voldaan wordt aan de hiervoor genoemde wettelijke criteria voor verlenging van de ondertoezichtstelling. Het verzoek zal daarom worden toegewezen. Gezien de doelen waaraan nog moet worden gewerkt zal de ondertoezichtstelling worden verlengd voor de duur van een jaar.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 29 juni 2026 tot 29 juni 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026 door mr. Pellikaan, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 9 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.