RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448730 / JE RK 26-935
Datum uitspraak: 25 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2011 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 juni 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI.
[minderjarige] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om met de kinderrechter in gesprek te gaan.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij haar moeder.
Bij beschikking van 2 juli 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 2 juli 2025 en tot 2 januari 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden. Tevens is bij diezelfde beschikking het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen afgewezen.
Bij beschikking van 16 december 2025 is de ondertoezichtstelling verlengd met ingang van 2 januari 2026 en tot 2 juli 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI handhaaft het verzoek. Het gedrag van [minderjarige] gaat de afgelopen periode af en aan. [minderjarige] was in staat om personen tegen elkaar op te zetten, zoals de moeder en de ex-stiefvader van [minderjarige] . Zij zoeken inmiddels wel de communicatie op, om de door [minderjarige] afgegeven signalen te bespreken. Die communicatie verloopt dus beter. De GI wil gebruik maken van deze ontwikkeling, zodat er onderlinge afspraken gemaakt kunnen worden en [minderjarige] geen misbruik meer kan maken van de situatie. Vanuit de betrokken vertrouwenspersoon is teruggekoppeld dat de moeder beter kan reageren op [minderjarige] en dat de moeder goed haar best doet. Eerdere signalen vanuit [minderjarige] over gebeurtenissen ten aanzien van de moeder blijken niet uit gesprekken met de vertrouwenspersoon. MST-Can is ingezet, echter blijkt nu dat de methodiek daarvan niet helemaal aansluit bij de moeder. Maatwerk is mogelijk, maar de onderliggende methodiek blijft. De moeder ervaart het als belastend; het huiswerk en de vragenlijsten die ingevuld moeten worden en daarnaast heeft de moeder nog een eigen traject lopen. De ervaring leert wel dat MST-Can helpend is, mits ouders zich daaraan committeren. De GI zal bezien of het traject doorgang moet vinden of dat er gezocht moet worden naar een alternatief. Het gedrag van [minderjarige] is op dit moment wat rustiger. Ten aanzien van de schoolgang van [minderjarige] zijn er nog veel zorgen en die situatie is schadelijk voor [minderjarige] . De school doet zijn best om een vervangende school te vinden, maar dat is tot nu toe nog niet gelukt. Sinds de herfstvakantie van 2025 gaat zij niet meer naar school. Ook dagbesteding met een onderwijscomponent in de buurt zit vol. Nu de zomer eraan komt is [minderjarige] ook lastiger te motiveren. Ze zegt wel gemotiveerd te zijn voor school, maar als dat niet lukt zal dagbesteding toch nodig zijn. De GI verwacht dat er binnenkort beweging komt in de uitstroom van leerlingen bij de [school] , een school waar [minderjarige] mogelijk naartoe zou kunnen. In de tussentijd zal dagbesteding mogelijk aan de orde komen. Er zijn inmiddels vier partijen benaderd waar dagbesteding niet mogelijk bleek. De ene was vol en de andere dagbesteding verlangt commitment voor langere tijd. De GI ziet het liefst dat [minderjarige] dagbesteding heeft met een onderwijscomponent, maar het belangrijkste is dat zij niet de hele dag thuis zit. Een bijbaantje is dan ook een idee. De GI wil zich de komende periode richten op het contact tussen de moeder en de ex-stiefvader en gemaakte afspraken tussen hen borgen. Het onderwijs van [minderjarige] heeft dus nog aandacht nodig, maar ook het hulpverleningstraject van MST-Can of een alternatief hiervoor. De GI hoopt daarna tot een borgingsplan te kunnen komen.
De moeder heeft tijdens de zitting het volgende verklaard. [minderjarige] zit overdag veel thuis. Ze heeft zich wel aangemeld voor een baantje bij de [supermarkt] in [plaats] . Ook gaat ze met vrienden op pad. Het gaat thuis iets beter met [minderjarige] . Het is wat rustiger. Als [minderjarige] boos is gaat ze niet meer gooien met spullen. [minderjarige] wil niet in gesprek met de hulpverlener van MST-Can. Ze heeft daar ook geen klik mee. Ze wil wel praten met haar vertrouwenspersoon van [zorginstelling] . De vertrouwenspersoon komt één keer per week langs en deze is altijd bereikbaar voor [minderjarige] . Het punt school is frustrerend voor de moeder. [minderjarige] start op 1 augustus a.s. met therapie bij [hulpverlening] . De moeder stemt in met het verzoek.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. De kinderrechter stelt vast dat de afgelopen periode wisselend is verlopen. Gezien wordt dat de moeder haar best doet om thuis de rust te bewaren, maar [minderjarige] kan met momenten moeilijk en onvoorspelbaar gedrag vertonen. Soms is sprake van hoogoplopende ruzies tussen de moeder en [minderjarige] en lukt het de moeder niet altijd om het gedrag van [minderjarige] voldoende te begrenzen. [minderjarige] heeft daarnaast de afgelopen periode meermaals contact gezocht met haar ex-stiefvader en waren er situaties waarbij zij de moeder en de ex-stiefvader tegen elkaar uitspeelde. Verder heeft [minderjarige] enige tijd geleden verschillende escalaties gehad met andere jongeren, hetgeen heeft geleid tot een HALT-maatregel. [minderjarige] gaat sinds het najaar van 2025 niet meer naar school.
Om te werken aan het verbeteren van de (thuis)situatie van [minderjarige] en de moeder en het doorbreken van oude negatieve patronen is onlangs MST-Can ingezet. Deze hulpverlening bevindt zich nog in de beginfase en de moeder ervaart deze hulpverlening tot nu toe als belastend. Ook [minderjarige] zou geen goede klik hebben met de hulpverlener. Deze klik ervaart [minderjarige] wel met haar vertrouwenspersoon. Verder is gebleken dat [hulpverlening] naar verwachting in augustus van dit jaar kan starten met de behandeling van [minderjarige] . Ook in situatie tussen de moeder en de stiefvader lijkt sprake te zijn van een verbetering, nu zij kortere communicatielijnen hebben en hierdoor beter en sneller in staat zijn om te overleggen over signalen vanuit [minderjarige] . Dat hier meer rust in is gekomen is positief.
Hoewel de kinderrechter dus een voorzichtige positieve ontwikkeling bemerkt, zijn deze ontwikkelingen naar het oordeel van de kinderrechter nog pril en kunnen hiermee de zorgen over [minderjarige] nog niet worden weggenomen. Ook is nog onduidelijk in hoeverre de betrokkenheid van de vertrouwenspersoon en het hulpverleningstraject bij [hulpverlening] voldoende is. Hier dient zicht op te komen. De kinderrechter vindt het derhalve in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de GI langer bij haar betrokken blijft. Zodoende kan zicht worden gehouden op het verloop van de hulpverlening, hierin sturing worden aangeven en worden beoordeeld welke hulpverlening nodig is om een bestendige positieve ontwikkeling te realiseren. Hiervoor is het ook nodig dat de moeder en [minderjarige] zich inzetten, ook op momenten dat de hulpverlening moeilijk wordt of waarbij wordt gevraagd om een stap extra te zetten. Uitgangspunt is dat de thuissituatie van [minderjarige] rustig wordt, dat het goed gaat met [minderjarige] en zij weer stappen kan gaan zetten in haar ontwikkeling. De kinderrechter verzoekt de GI tegelijkertijd ook om oog te houden voor de (on)mogelijkheden en belastbaarheid van zowel de moeder als [minderjarige] en in verband daarmee alternatieve mogelijkheden te onderzoeken voor MST-Can. De kinderrechter spreekt daarnaast haar hoop uit dat de school en dagbesteding van [minderjarige] meer vorm gaan krijgen. Ook hiervoor vindt de kinderrechter de betrokkenheid vanuit de GI nog noodzakelijk. Indien mogelijk kan daarna worden toegewerkt naar borging. De moeder heeft ingestemd met het verzoek. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het verzoek toewijzen, hetgeen betekent dat de ondertoezichtstelling van [minderjarige] wordt verlengd met ingang van 2 juli 2026 en tot 2 januari 2027.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 2 juli 2026 en tot 2 januari 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026 door mr. Zuijdweg. kinderrechter, in aanwezigheid van Casant als griffier, en op schrift gesteld op 9 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.