RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/431070 / FA RK 25-345
Datum uitspraak: 26 juni 2026
beschikking over vervangende toestemming erkenning en Raadsonderzoek
in de zaak van
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. F. Pool in Rotterdam.
Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:
[de moeder] ,
hierna: de moeder,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. W. van der Sande in Goes;
ten aanzien van het afstammingsverzoek:
de minderjarigen:
- [minderjarige 1]geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2017, hierna: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2020, hierna: [minderjarige 2] ;
- [minderjarige 3]geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2022, hierna: [minderjarige 3] ;
alle drie vertegenwoordigd door mr. C.E.J.E. Kouijzer, advocaat te Middelburg, in haar hoedanigheid van bijzondere curator.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1. Het verdere procesverloop
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
het op 22 januari 2025 ontvangen verzoekschrift van de man, met producties;
de op 27 januari 2025 ontvangen brief van mr. Pool, met productie;
de op 11 februari 2025 ontvangen brief van mr. Pool, met producties;
de op 19 februari 2025 ontvangen brief van mr. Pool, met productie;
de in deze zaak gegeven beschikking tot benoeming van een bijzondere curator over de minderjarigen van 29 januari 2026 en alle daarin vermelde stukken;
het op 5 maart 2026 ontvangen verslag van de bijzondere curator;
het op 11 juni 2026 ontvangen verweerschrift, met producties;
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 17 juni 2026. Bij die behandeling zijn gekomen de man met zijn advocaat en de moeder met haar advocaat. Ook waren aanwezig de bijzondere curator en een vertegenwoordiger van de Raad.
[minderjarige 1] heeft de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat hij van het verzoek vindt, maar hij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
2. De feiten
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie zijn de minderjarigen geboren.
De minderjarigen verblijven bij de moeder.
De moeder heeft van rechtswege alleen het gezag over de minderjarigen.
Bij beschikking van 29 januari 2026 heeft de rechtbank mr. C.E.J.E. Kouijzer, advocaat te Middelburg, genoemd tot bijzondere curator over de minderjarigen. Aan haar is verzocht verslag te doen van haar bevindingen en daarbij een standpunt over het verzoek van de man in te nemen.
3. De verzoeken en de standpunten
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
I. De man vervangende toestemming te verlenen om de minderjarigen te erkennen;
II. Te bepalen dat de man gezamenlijk met de moeder met het ouderlijk gezag over de
minderjarigen wordt belast;
III. De onder randnummer 39 genoemde definitieve zorgregeling dan wel omgangsregeling vast te stellen tussen de man en de minderjarigen, althans een andere zorgregeling vast te stellen die de rechtbank het meest in het belang van de minderjarigen acht.
Subsidiair:
IV. Een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming te gelasten naar welke
mogelijkheden er zijn voor omgang tussen de man en de minderjarigen en op welke wijze aan deze omgangsregeling het beste inhoud kan worden gegeven, dan wel een
omgangsregeling te bepalen die de rechtbank in goede justitie acht.
De moeder is het niet eens met de verzoeken van de man en verzoekt deze verzoeken af te wijzen.
De bijzondere curator concludeert tot toewijzing van het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarigen.
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan.
4. De nadere beoordeling
Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank mr. C.E.J.E. Kouijzer, advocaat te Middelburg, benoemd tot bijzondere curator over de minderjarigen. De rechtbank heeft de bijzondere curator verzocht schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen en daarbij een standpunt over het verzoek in te nemen.
Erkenning
In artikel 1:204, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat, voor zover hier van belang, dat de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank kan worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt en die persoon de verwekker is van het kind.
Voor de man en de moeder staat vast dat de man de verwekker is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De rechtbank gaat daarom uit van dat gegeven. Tijdens de relatie tussen partijen verbleef de man regelmatig in het weekend bij de moeder en de minderjarigen en speelde hij dus een rol als vader in het leven van in [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Van erkenning is het nooit gekomen. Hij wenst hen nu alsnog te erkennen. De man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben er in beginsel recht op dat hun relatie door middel van erkenning als familierechtelijke betrekking wordt vastgelegd. Gebleken is dat de moeder weerstand heeft tegen erkenning van de minderjarigen door de man en daardoor stress ervaart. Zij heeft na een turbulente periode na de scheiding met de man haar leven samen met de minderjarigen op orde. De afstand die er nu is tussen de man enerzijds en haarzelf en de minderjarigen anderzijds, geeft rust. Zij vreest dat betrokkenheid van de man in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (en daarmee ook in haar eigen leven) deze rust verstoort. Zij vreest dat de man zich door de erkenning bepaalde rechten zal toe-eigenen. De vrees van de moeder lijkt, zoals de bijzondere curator ook benoemt in haar verslag, met name samen te hangen met de mogelijkheden tot gezag en het vaststellen van een omgangsregeling die erkenning met zich mee zou kunnen brengen en de rol die de man daardoor in het leven van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en haarzelf zou kunnen gaan spelen, en niet zo zeer met de erkenning op zichzelf. De moeder is volgens de bijzondere curator een stabiele moeder die voldoende beschikbaar is voor de minderjarigen. De rechtbank is net als de bijzondere curator van oordeel dat niet is gebleken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in geval van een erkenning door de man worden belemmerd in hun evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling en dat evenmin is gebleken van een situatie waarbij moeder door de erkenning van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door de man in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat haar belang bij een ongestoorde verhouding met de minderjarigen in het gedrang komt.
De rechtbank zal het verzoek van de man om aan hem vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dan ook toewijzen. De man moet [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dan nog wel met deze beschikking bij de gemeente erkennen.
Ten aanzien van [minderjarige 3] heeft de man aangegeven dat hij niet volledig zeker is dat hij haar verwekker is. Hij zou daarom graag een vaderschapstest willen laten doen voor er wordt beslist over de erkenning ten aanzien van haar. De moeder heeft hiermee ingestemd. Ter zitting is afgesproken dat de rechtbank vooralsnog geen deskundige zal benoemen voor DNA-onderzoek, maar dat partijen dit eerst samen proberen te regelen om hogere kosten te voorkomen. Afgesproken is dat de man op zijn kosten een DNA-test zal regelen en het materiaal waarmee DNA kan worden afgenomen via de advocaat van de moeder aan de moeder zal geven. Zij zal onder toezicht van de huisarts de handelingen verrichten die nodig zijn voor afname van DNA bij [minderjarige 3] en het materiaal naar de man toesturen. Vervolgens kan de man dit samen met zijn eigen DNA opsturen ter onderzoek. Partijen zullen de rechtbank informeren of dit is gelukt. Als dat niet het geval is, kan de rechtbank alsnog een gerechtelijk DNA-onderzoek gelasten.
De beslissing over de vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige 3] zal worden aangehouden in afwachting van bericht van partijen over het door hen te verrichten DNA-onderzoek.
De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator. Omdat nog niet is beslist op het verzoek over [minderjarige 3] , is de taak van de bijzondere curator taak ten aanzien van haar nog niet geëindigd.
Gezag en zorgregeling
Uit de stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat er sprake is van een turbulente voorgeschiedenis tussen partijen waarbij veel is gebeurd. Dit wordt door beide partijen erkend. Dit heeft ertoe geleid dat partijen letterlijk en figuurlijk afstand van elkaar hebben genomen en niet met elkaar communiceren. De grotere afstand en het ontbreken van contact tussen de moeder en de man lijkt beide partijen rust te hebben gebracht, maar maakt ook dat er geen contact is tussen de man en de minderjarigen. Specifieke zorgen van de moeder zien op de verslavingsproblematiek van de man waarin hij in ieder geval in het verleden mee kampte en de rol die partner van de man heeft gespeeld in de onderlinge verhoudingen. Zij heeft geen zicht op hoe zijn opvoedsituatie er nu uit ziet vanwege het ontbreken van contact. Volgens de man is van deze problematiek op dit moment geen sprake meer en heeft hij op dit moment een stabiele thuissituatie. Vast staat wel dat er nog steeds sprake is van een verstoorde verstandhouding tussen partijen en een gebrek aan communicatie. Ook staat vast dat de man langdurig geen contact met de minderjarigen heeft gehad. In het verleden is hulpverlening bij het opnieuw starten van de omgang tussen de man en de minderjarigen niet van de grond gekomen.
De Raad heeft geadviseerd een onderzoek door de Raad te laten verrichten. Van belang is dat de minderjarigen contact hebben met de man op een manier die veilig is en ook wordt vertrouwd door de moeder. Van belang is dat de moeder emotionele toestemming kan geven aan de minderjarigen voor contact met de man. Een onderzoek door de Raad, waarbij meer zicht zal komen op de opvoedsituatie van de man, kan dit vertrouwen hopelijk geven. Er moet zicht komen op de beleving van de minderjarigen, hun draagkracht en of er sprake is van loyaliteitsproblematiek. Verder speelt een rol dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zich de man niet of nauwelijks zullen herinneren. Het hervatten dan wel opstarten van contact tussen de man en de minderjarigen moet zorgvuldig gebeuren en op een manier die passend is bij hen, om een faalervaring te voorkomen. Om die reden ziet de Raad op dit moment onvoldoende mogelijkheden om nu al een (voorlopige) omgangsregeling vast te stellen.
De rechtbank volgt het advies van de Raad. Zij heeft, gelet op het voorgaande, op dit moment te weinig informatie om een beslissing te kunnen geven op het verzoek over het gezag en de omgangsregeling. De Raad zal daarom worden verzocht om een onderzoek te doen naar de volgende vragen:
- Bestaat er, als de ouders samen het gezag krijgen een onacceptabel risico dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] erg klem komen te zitten tussen de ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd voldoende zal verbeteren of is het om een andere reden in het belang van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen?
- Welke omgangsregeling of vorm van contact tussen de man en [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] past het beste bij hun belangen?
- Hoe moet die regeling eruit gaan zien (aard, duur en frequentie)?
- Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke?
- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
In afwachting van de rapportage van de Raad zal de behandeling van de zaak worden aangehouden. De Raad heeft aangegeven dat er een wachttijd geldt van ongeveer 6 maanden voor het onderzoek kan starten en dat het onderzoek vervolgens ongeveer 3 maanden duurt. Dit zou betekenen dat het onderzoek en rapport van de Raad eind maart 2027 gereed zou zijn. De rechtbank zal de zaak aanhouden voor de duur van 6 maanden tot 15 december 2026 pro forma. Aan de Raad wordt verzocht om uiterlijk op die datum kenbaar te maken of het onderzoek al is gestart en zo nee binnen welke termijn het onderzoek zal starten. Aan partijen wordt verzocht uiterlijk op die datum hun verhinderdata kenbaar te maken voor de maand maart, zodat in afwachting van het raadsrapport alvast een mondelinge behandeling kan worden gepland om verdere vertraging in de procedure te voorkomen.
De man heeft verzocht om in afwachting van het rapport van de Raad nu al een beperkte voorlopige omgangsregeling vast te stellen, bijvoorbeeld met behulp van het Omgangshuis. Dit zou via de gemeente geregeld kunnen worden. De rechtbank ziet hiertoe onvoldoende mogelijkheden, mede gelet op het advies van de Raad. Gelet op de hele voorgeschiedenis is van belang dat contact zorgvuldig (weer) wordt opgestart, zodat er sprake kan zijn van positief onbelast contact. Daarvoor is meer zicht nodig op de situatie, waardoor de uitkomst van het onderzoek van de Raad moet worden afgewacht. De rechtbank zal dus geen voorlopige contactregeling vaststellen.
Ter zitting is aan de orde gekomen dat de moeder ondersteuning zou willen bij hoe zij de minderjarigen kan begeleiden als contact weer zou worden opgestart. Ter zitting is besproken dat zij deze hulp nu alvast kan (en zal) aanvragen bij het CJG van de gemeente, zodat alvast een start kan worden gemaakt in afwachting van de uitkomst van het Raadsonderzoek.
5. De beslissing
De rechtbank
verleent, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de moeder, aan de man toestemming tot het erkennen van de minderjarigen
beschouwt de taak van de bijzondere curator ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als beëindigd;
houdt iedere verdere beslissing over de vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige 3] aan in afwachting van bericht van partijen;
verzoekt partijen de rechtbank schriftelijk te berichten (met afschrift aan de bijzondere curator en de Raad):
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming locatie Middelburg een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport vóór hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;
verzoekt de Raad om uiterlijk op na te noemen pro forma datum de rechtbank te berichten over de vraag of het onderzoek al is gestart en zo nee binnen welke termijn het onderzoek zal starten, zulks onder gelijktijdig bericht aan partijen;
verzoekt partijen om uiterlijk op na te noemen pro forma datum hun verhinderdata kenbaar te maken voor de maand maart ten behoeve van het plannen van een nadere mondelinge behandeling in die maand;
houdt de behandeling van deze zaak aan tot 15 december 2026 PRO FORMA, in afwachting van bericht van de Raad en partijen;
houdt iedere verdere beslissing over het gezag en de omgangsregeling aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026 in aanwezigheid van mr. Van der Welle, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.