RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Team familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/448387 / KG ZA 26-254
Vonnis in kort geding van 26 juni 2026
in de zaak van
[de man] ,
te [plaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. N.A. Boelhouwer,
tegen
[de vrouw] ,
te [plaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. A.M.C.J. Dekkers- de Jong.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 juni 2026 met producties 1 tot en met 3;- de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 tot en met 3;- de op 9 juni 2026 ingediende producties 4 en 5 van de man;- de op 10 juni 2026 ingediende productie 4 van de vrouw;
- de mondelinge behandeling van 12 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2. De feiten
Partijen zijn op 4 april 2016 met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen.
Op 23 april 2026 heeft de man een verzoek tot echtscheiding bij deze rechtbank ingediend.
Partijen hebben een hond ( [de hond] ) en twee katten. In het kader van de voorlopige voorzieningen hebben beide partijen verzocht te bepalen dat zij bij uitsluiting gerechtigd zijn tot het gebruik van de echtelijke woning en de zich daarin bevindende goederen, daaronder begrepen de huisdieren van partijen. Bij beschikking voorlopige voorzieningen van deze rechtbank van 2 april 2026 is bepaald de man met ingang van 1 juni 2026 bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de woning met bevel dat de vrouw de woning moet verlaten en deze verder niet mag betreden. Partijen zijn niet ontvankelijk verklaard in hun verzoeken voor zover die ertoe strekken dat zij het uitsluitend gebruik verkrijgen van de huisdieren. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:
“ 4.11 Voor zover de verzoeken van partijen betrekking hebben op de katten en de hond
overweegt de rechtbank het volgende. Uit de stellingen van partijen volgt niet dat de hond en de katten een andere functie voor hen vervullen dan gezelschapsdieren. De rechtbank is van oordeel dat gezelschapsdieren niet tot de tot de woning behorende inboedelgoederen behoren. Uit vaste rechtspraak volgt dat katten en honden in de echtscheidingsprocedure verdeeld kunnen worden, als onderdeel van de huwelijksgoederengemeenschap. De voorlopige voorzieningen die voor de duur van de echtscheidingsprocedure kunnen worden verzocht, zijn echter limitatief opgesomd in artikel 822 Rv. Onder verwijzing naar bijvoorbeeld de beschikking van de rechtbank Den Haag van 11 april 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:12432) is de rechtbank verder van oordeel dat een gezelschapsdier – anders dan bijvoorbeeld een hulpdier of een dier ter uitoefening van beroepsbezigheden – ook niet kan worden beschouwd als een goed voor dagelijks gebruik als bedoeld in artikel 822 lid 1 onder b Rv. Daarmee vallen de hond en de katten niet onder de opsomming van het voormelde artikel, zodat partijen in hun verzoeken, voor zover betrekking hebbend op de huisdieren, niet kunnen worden ontvangen. Uiteraard kunnen partijen zelf afspraken maken over de (verdeling van de) zorg voor de hond en de katten. Eventuele daarmee verband houdende verzoeken kunnen wellicht ook in de nog aanhangig te maken echtscheidingsprocedure behandeld worden als onderdeel van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.”.
3. Het geschil
In conventie en in reconventie
De man vordert in dit kort geding om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. te bepalen dat de hond van partijen, [de hond] , door de vrouw moet worden afgegeven aan de man binnen 24 uur na het wijzen van het vonnis in kort geding, op straffe van een dwangsom van € 500,= per dag dat de vrouw in gebreke blijft het vonnis na te komen, dan wel een termijn en dwangsom door de rechtbank te bepalen;
2. te bepalen dat de vrouw over moet gaan tot afgifte van het hondenpaspoort van [de hond] en alle medische gegevens van [de hond] binnen 24 uur na het wijzen van het vonnis in kort geding, op straffe van een dwangsom van € 500,= per dag dat de vrouw in gebreke blijft het vonnis na te komen, dan wel een termijn en dwangsom door de rechtbank te bepalen.
De man heeft in de dagvaarding aan de vordering ten grondslag gelegd dat partijen in het kader van de verdeling van de gemeenschappelijke goederen zijn overeengekomen dat [de hond] wordt toegedeeld aan hem, onder de verplichting van de man dat hij de vrouw een bedrag van € 1.250,= zal betalen, en dat de twee katten worden toegedeeld aan de vrouw. Volgens de man heeft de vrouw deze afspraak geschonden door [de hond] op 16 mei 2026 mee te nemen uit de woning (waar hij op dit moment met uitsluiting van de vrouw verblijft). Ter zitting heeft de man verklaard dat hij zijn vordering niet langer grondt op de door hem gestelde afspraak over de verdeling van [de hond] , maar dat hij zijn vordering grondt op onrechtmatige daad. Volgens de man heeft de vrouw onrechtmatig jegens hem gehandeld door [de hond] zonder overleg en zonder toestemming mee te nemen naar haar nieuwe woning. De man stelt dat hij (spoedeisend) belang heeft bij zijn vordering, omdat hij niet weet waar [de hond] nu verblijft, of zij goed verzorgd wordt en door wie zij verzorgd wordt, terwijl hij tijdens het huwelijk haar hoofdverzorger was. Daarnaast vreest hij dat de vrouw [de hond] zal meenemen naar Brazilië en betwijfelt hij of de vrouw, gezien haar conditie, goed kan zorgdragen voor [de hond] .
De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de man, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.
In reconventie vordert de vrouw om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. primair: te bepalen dat [de hond] en de beide katten van partijen dienen te worden toegedeeld aan de vrouw;
2. subsidiair: te bepalen dat [de hond] en de katten dienen te worden toevertrouwd aan de vrouw, dan wel voorlopig dienen te verblijven aan het adres van de vrouw, zolang er nog geen overeenstemming tussen partijen is bereikt, dan wel een uitspraak over [de hond] is gedaan in de bodemprocedure.
Ter onderbouwing van haar verweer en vorderingen voert de vrouw, samengevat, het volgende aan. Partijen hebben over de verdeling van [de hond] en de katten geen overeenstemming. Om te voorkomen dat er nog langer onduidelijkheid is over de verdeling van [de hond] en de katten en partijen over de huisdieren ook nog een bodemprocedure moeten voeren, wenst zij dat de voorzieningenrechter definitief zal beslissen over de verdeling van de huisdieren. De onderhavige procedure leent zich daar ook voor, omdat beide partijen van mening zijn dat er sprake is van een spoedeisend belang en de zaak juridisch van eenvoudige aard is. In dat kader acht de vrouw het in haar belang en in het belang van [de hond] en de katten, dat zij aan haar worden toegedeeld. Volgens de vrouw heeft zij het initiatief genomen tot de adoptie van [de hond] , staan de identificatiechips van de dieren op haar naam en was zij in alle opzichten degene die verreweg het grootste deel van de verzorging van de dieren voor haar rekening nam. De man werkte fulltime buitenshuis, terwijl zij slechts twee dagen per week buitenshuis werkte. Op die dagen ging [de hond] naar een opvang. Zij heeft er dan ook voor gekozen om de huisdieren mee te nemen toen zij op 16 mei 2026 uit de woning vertrok. Zij heeft de uitlaatservice van [de hond] gewijzigd, om te voorkomen dat de man [de hond] aldaar zou ophalen en omdat zij de voorkeur geeft aan een andere locatie, gelet op haar gewijzigde woonadres. De huisdieren verblijven inmiddels geruime tijd bij haar en zijn daar gewend. Vanwege haar ziekte zijn de dieren een grote bron van steun en troost voor haar. De vrouw betwist dat er niet goed gezorgd zou worden voor de dieren en dat zij mogelijk voornemens is om met de dieren naar het buitenland te verhuizen. De vrouw acht het niet in het belang van [de hond] dat zij aan de man wordt toegedeeld. De man gaat veelvuldig op vakantie zonder de dieren, is bij regelmaat hardhandig en heeft in het verleden nooit eten of andere benodigdheden voor de dieren aangeschaft. Daar komt bij dat het de bedoeling van de man was om [de hond] voorafgaand aan de verhuizing van de vrouw uit de woning te verwijderen om haar emotioneel uit balans te brengen. Tot slot betwist de vrouw dat er redenen zijn om de door de man gevorderde dwangsom toe te wijzen. Zij zal zich houden aan een uitspraak van de voorzieningenrechter.
4. De beoordeling
In conventie en in reconventie
Spoedeisend belang
Tussen partijen is de spoedeisendheid van hun vorderingen niet in geschil. Ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat op grond van de stukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling het spoedeisend belang van partijen bij hun vorderingen vast, temeer nu deze levende dieren betreffen.
In conventie
De man vordert afgifte van [de hond] door de vrouw aan hem. Hij legt aan zijn vordering ten grondslag dat de vrouw onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door [de hond] zonder overleg en zonder zijn toestemming mee te nemen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vordering, ook als zou worden uitgegaan van een geslaagd beroep op onrechtmatige daad, niet kan worden toegewezen, omdat deze grond (onrechtmatige daad) de vordering tot afgifte van een goed rechtens niet kan dragen. Immers, een geslaagd beroep op onrechtmatige daad leidt enkel tot schadevergoeding. De vordering zal dan ook worden afgewezen.
Aangezien de vordering tot afgifte van [de hond] zal worden afgewezen, heeft de man geen belang bij afgifte van het hondenpaspoort en de medische gegevens van [de hond] . Ook deze vordering zal worden afgewezen.
Aangezien partijen in het kader van de voorlopige voorzieningen ook al hebben geprocedeerd over [de hond] , ziet de voorzieningenrechter aanleiding hierover nog het volgende op te merken. Zoals de rechtbank in de beschikking voorlopige voorzieningen van
2 april 2026 heeft overwogen, behoren gezelschapsdieren niet tot de tot de woning behorende inboedelgoederen. [de hond] is gemeenschappelijk eigendom. Partijen dienen dan ook samen beslissingen te nemen over [de hond] . Het verdient niet de schoonheidsprijs dat de vrouw [de hond] zonder overleg met de man uit de gemeenschappelijke woning heeft meegenomen, maar dit maakt nog niet dat het handelen van de vrouw onrechtmatig is. De vrouw is immers ook eigenaar van [de hond] .
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
In reconventie
Ten aanzien van de primaire vordering van de vrouw
De vrouw vordert te bepalen dat [de hond] en de katten dienen te worden toegedeeld aan haar. Zowel in de stukken als ter zitting heeft de vrouw nadrukkelijk aangegeven dat zij met haar vordering wil bewerkstelligen dat een definitieve beslissing wordt gegeven over de verdeling van de huisdieren. Daarmee vordert zij dat de voorzieningenrechter de verdeling van [de hond] en de katten zelf vaststelt, waardoor de verdeling door haar uitspraak tot stand komt, in welk geval sprake zou zijn van een constitutieve uitspraak. Gezien de aard van de procedure, acht de voorzieningenrechter het evenwel niet mogelijk dat de rechter in kort geding de verdeling vaststelt. Voor zover toedeling in kort geding desalniettemin wel mogelijk zou zijn en daarmee vooruitgelopen zou worden op een bodemprocedure, is de voorzieningenrechter van oordeel dat een dergelijke verdeling enkel in bijzondere of uitzonderlijke omstandigheden zal kunnen plaatsvinden. Daarbij is terughoudendheid geboden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de vrouw onvoldoende bijzondere of uitzonderlijke omstandigheden aangevoerd om deze terughoudendheid te doorbreken. Daar komt bij dat de bodemrechter in het kader van de verdeling van de huisdieren, in bijzonder ten aanzien van [de hond] , een belangenafweging zal moeten maken en in dit geding kan niet met voldoende mate van waarschijnlijkheid worden voorspeld of deze belangenafweging zal uitvallen in het voordeel van de man of van de vrouw. Daar kan dan ook niet op vooruitgelopen worden. Dit betekent dat de primaire vordering van de vrouw zal worden afgewezen.
Ten aanzien van de subsidiaire vordering van de vrouw
De vrouw vordert te bepalen dat [de hond] en de katten dienen te worden toevertrouwd aan haar, dan wel dat zij voorlopig bij haar dienen te verblijven.
[de hond] en de katten zijn gemeenschappelijk eigendom van partijen. Als twee mensen samen eigenaar zijn van huisdieren, dan hebben zij zakenrechtelijke gezien gelijke rechten ten aanzien van die huisdieren. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter onderzocht of partijen open stonden voor een minnelijke regeling. In dat kader is aan de orde geweest de mogelijkheid dat partijen gedurende de echtscheidingsprocedure afwisselend voor de huisdieren zorgen. De vrouw heeft echter aangegeven daartoe geen ruimte te zien. Voor de man is dit ook geen optie. Uit hun stellingen volgt dat zij vooral duidelijkheid wensen over het voorlopige verblijf van [de hond] . Dit betekent dat de voorzieningenrechter zal beslissen op de vordering van de vrouw, zoals deze in de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie is geformuleerd.
Deze vordering strekt ertoe dat de voorzieningenrechter een beheersregeling in de zin van artikel 3:168 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek zal vaststellen, in die zin dat [de hond] en de katten voorlopig bij haar verblijven.
Artikel 3:168 lid 1 bepaalt dat de deelgenoten het genot, het gebruik en het beheer van gemeenschappelijke goederen bij overeenkomst kunnen regelen. Lid 2 van dat artikel bepaalt dat de kantonrechter - voor zover een overeenkomst ontbreekt - op verzoek van de meest gerede partij een zodanige regeling kan treffen. Hij houdt daarbij naar billijkheid rekening zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang. Dat de bevoegdheid om een beheersregeling vast te stellen tot het domein van de kantonrechter behoort, staat er niet aan in de weg dat in kort geding een (tijdelijke) ordemaatregel kan worden getroffen ten behoeve van het gebruik en beheer van [de hond] en de katten.
De voorzieningenrechter overweegt dat ter zitting is gebleken dat beide partijen, ieder op de eigen persoonlijke wijze, gehecht zijn aan [de hond] en de katten, dat beide partijen vanwege hun medische en/of psychische situatie steun en troost vinden bij de huisdieren en dat zij ook beiden in staat zijn om voor de huisdieren te zorgen. Dat partijen (ieder op hun eigen manier) werk hebben buitenshuis doet hieraan niet af. Als huisdierenbezitter is het toegestaan werk te hebben buitenshuis en vele huisdierenbezitters combineren dat dan ook. Het werk van beide partijen mag in beginsel verenigbaar worden geacht met het hebben van een hond en katten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belangenafweging in het kader van dit kort geding en kijkend naar de hiervoor genoemde persoonlijke situaties van partijen, niet in het voordeel van een van partijen uitvalt. Doorslaggevend acht de voorzieningenrechter dat [de hond] en de katten sinds medio mei 2026 bij de vrouw verblijven. Volgens de vrouw gaat het goed met de huisdieren en de voorzieningenrechter heeft geen reden om daaraan te twijfelen. Gelet op het feitelijke verblijf van [de hond] en de katten zal de voorzieningenrechter bepalen dat zij voorlopig bij de vrouw zullen verblijven.
De subsidiaire vordering van de vrouw zal worden toegewezen, op de wijze zoals hierna in het dictum zal worden verwoord.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
De voorzieningenrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd door de vrouw. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.
De proceskosten
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
In conventie
wijst de vorderingen af;
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
In reconventie
bepaalt dat [de hond] en de katten voorlopig - zolang partijen geen overeenstemming hebben over de verdeling van de huisdieren en er in de bodemprocedure nog geen uitspraak over de verdeling van de huisdieren is gedaan - verblijven aan het adres van de vrouw;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Baggel, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. Bishop-van Kollenburg, griffier.