RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/446004 / HA ZA 26-153
Vonnis van 26 juni 2026
in de zaak van
[de man] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. N.P.C.C. Langenberg,
tegen
[de vrouw] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. N.A. Boelhouwer.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 juni 2026 en alle daarin vermelde stukken;
- de conclusie van antwoord in reconventie;
- de mondelinge behandeling van 22 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en hebben samengewoond. Zij hebben geen samenlevingsovereenkomst gesloten.
Uit hun relatie is een dochter geboren, [minderjarige] . [minderjarige] is twaalf jaar oud.
Tijdens de relatie hebben partijen de woning aan [adres] te [woonplaats] hierna: de woning) in gemeenschappelijk eigendom verkregen, ieder voor de onverdeelde helft.
Omstreeks 2020 is de relatie verbroken en de samenleving beëindigd.
In december 2020 heeft de man de woning verlaten, de vrouw is samen met [minderjarige] in de woning blijven wonen.
De woning is nog onverdeeld.
3. Het geschil
In conventie
De man vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. a) de verdeling te gelasten van de woning van partijen aan [adres] te [woonplaats] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening bij de ABN Amro-bank, in die zin dat deze woning voor een bedrag van € 430.000,= (althans voor een door de rechtbank of voor een door de rechtbank te benoemen deskundige nader te bepalen bedrag) en de genoemde hypothecaire lening worden toebedeeld aan de vrouw, onder de voorwaarde dat de man binnen drie maanden na het wijzen van het vonnis wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning rustende hypothecaire geldlening, met veroordeling van de vrouw om aan de man te voldoen de helft van de overwaarde, zijnde 1/2 x € 300.000,- = € 150.000,=, althans tot een door de rechtbank nader te bepalen bedrag;
b) voor het geval toedeling aan de vrouw onder de voornoemde voorwaarde(n) binnen drie maanden na het in deze zaak te wijzen vonnis niet mogelijk blijkt: te bepalen dat de woning zal worden verkocht, dat de hypothecaire lening uit de verkoopopbrengst zal worden afgelost en dat de verkoopopbrengst - na aftrek van verkoopkosten - 50-50 tussen partijen wordt verdeeld, met veroordeling van de vrouw tot het verlenen van haar volledige medewerking aan die verkoop, waaronder begrepen het ondertekenen van alle noodzakelijke documenten, zoals de verkoopopdracht en de notariële transportakte, het verlenen van toegang tot de woning voor bezichtigingen, het verstrekken van benodigde informatie aan betrokken partijen en het schoon, leeg en in goede staat opleveren van de woning ten behoeve van de levering aan de koper(s), met bepaling dat - primair - het in deze zaak te wijzen vonnis in de plaats treedt van de toestemming c.q. medewerking van de vrouw indien zij haar toestemming c.q. medewerking aan de verkoop van de woning, meer specifiek: aan één van de hierboven omschreven handeling, weigert, dan wel - subsidiair - de vrouw een dwangsom verbeurt van € 500,= per dag voor iedere dag dat zij in gebreke blijft met een of meer van de hierboven omschreven handelingen;
II. de vrouw te veroordelen tot betaling van de kosten van deze procedure.
De vrouw voert verweer. De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de man.
In reconventie
De vrouw vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
de verdeling vast te stellen inhoudende dat de woning van partijen, gelegen aan [adres] te [woonplaats] , alsmede de daarop rustende hypothecaire geldlening bij ABN AMRO, wordt toegedeeld aan de vrouw tegen de WOZ-waarde in 2021, dan wel door een onafhankelijke deskundige te benoemen ter vaststelling van de waarde van de woning per 2021, waarbij het bedrag wat de man toekomt binnen drie maanden na het in kracht van gewijsde gaan van dit vonnis aan hem dient te worden uitgekeerd, onder de verplichting ervoor zorg te dragen dat de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot deze hypothecaire geldlening bij de ABN AMRO;
Subsidiair:
indien de rechtbank oordeelt dat een andere peildatum dan 2021 dient te worden gehanteerd, verzoekt de vrouw bij de vaststelling van de verdeling uit te gaan van de hoogte van de hypotheekschuld per 31 december 2020 en bij de wijze van verdeling een correctie toe te passen in het kader van de redelijkheid en billijkheid, alsmede te bepalen dat man aan de vrouw € 1.824,30 dient te betalen vanwege de door haar onverschuldigd betaalde premie ten name van de man terzake de overlijdensriscoverzekering;
Proceskosten
te bepalen dat de man wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure.
De man voert verweer. De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen de advocaatkosten en de nakosten.
4. De beoordeling
In conventie en in reconventie
De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen in conventie en reconventie zich, gelet op de nauwe samenhang, lenen voor een gezamenlijke behandeling.
Gebleken is dat partijen over de verdeling van de gemeenschappelijke woning niet tot overeenstemming kunnen komen. Ingevolge artikel 3:185, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) gelast de rechtbank in zulks een geval de wijze van verdeling of stelt deze zelf vast, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belang van de partijen als met het algemeen belang. Daarbij dient in ogenschouw te worden genomen dat zij niet gebonden is aan hetgeen partijen hebben gevorderd.
Partijen hebben de woning gezamenlijk, ieder voor de onverdeelde helft, in eigendom verkregen. Wat betreft die woning is sprake van een eenvoudige gemeenschap als bedoeld in artikel 3:166 BW. Anders dan bij een bijzondere gemeenschap, zoals een ontbonden huwelijksgemeenschap, omvat een eenvoudige gemeenschap enkel het goed of de goederen die aan de deelgenoten gezamenlijk toebehoren. Ten aanzien van de op de woning rustende hypothecaire geldlening kan dan ook enkel de onderlinge draagplicht worden vastgesteld.
Partijen zijn het erover eens dat de woning in beginsel moet worden toegedeeld aan de vrouw, althans dat zij in de gelegenheid moet worden gesteld de woning over te nemen.
Partijen zijn het er niet over eens tegen welke waarde de woning moet worden toegedeeld aan de vrouw.
De man stelt zich op het standpunt dat de woning in de verdeling moet worden betrokken voor een waarde van € 430.000,=, zijnde de waarde per heden. De man voert daartoe, samengevat, het volgende aan. Toen partijen uit elkaar gingen was de vrouw niet in staat de woning over te nemen. Partijen hebben afgesproken dat de woning voorlopig onverdeeld zou blijven en dat de vrouw voorlopig in de woning zou blijven wonen. In de afgelopen jaren is hij er regelmatig bij de vrouw op teruggekomen dat er nog iets met de woning moest gebeuren, maar er zijn nooit afspraken gemaakt over de verdeling van de woning en ook niet over de waarde waartegen de vrouw de woning zou kunnen overnemen.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat moet worden uitgegaan van de WOZ-waarde van de woning van 2021. Zij voert daartoe aan dat partijen ten tijde van het uiteengaan hebben afgesproken dat bij een toekomstige verdeling van de woning zou worden uitgegaan van de WOZ-waarde van het jaar van vertrek van de man. Partijen hebben deze afspraak gemaakt in bijzijn van belastingadviseur, de heer [persoon] . Het was de bedoeling dat de gemaakt afspraken schriftelijk zouden worden vastgelegd, maar daar is het niet meer van gekomen. Daarnaast voert zij aan dat de eisen van redelijkheid en billijkheid rechtvaardigen dat van de WOZ-waarde van 2021 moet worden uitgegaan. Ten eerste omdat zij alle lasten van de woning heeft betaald vanaf het moment dat de man de woning in december 2020 heeft verlaten. Ten tweede omdat het in het belang van [minderjarige] is dat zij in de woning kan blijven wonen. Als moet worden uitgegaan van de huidige waarde van de woning, is zij niet in staat de woning over te nemen en zal deze moeten worden verkocht. Ten derde omdat de man de afgelopen jaren geen concrete voorstellen heeft gedaan om tot verdeling van de woning te komen.
De rechtbank overweegt dat als peildatum voor de waarde van de woning in beginsel de datum van de verdeling geldt. Dit is slechts anders als partijen een andere datum zijn overeengekomen, of als op grond van redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard.
De rechtbank ziet in het onderhavige geval onvoldoende aanleiding om van de hoofdregel af te wijken op grond van de redelijkheid en billijkheid. Zoals ter zitting aan partijen is voorgehouden, heeft de vrouw onvoldoende bijzondere feiten en omstandigheden gesteld die een beroep op de uitzonderingssituatie kunnen dragen. Tussen partijen staat vast dat zij de woning ten tijde van het uiteengaan bewust onverdeeld hebben gelaten, omdat de vrouw de woning op dat moment niet kon overnemen vanwege haar medische situatie. In de daaropvolgende jaren heeft geen van partijen concreet actie ondernomen om tot verdeling van de woning te komen. Dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij in de woning kan blijven wonen, acht de rechtbank ook onvoldoende. Een scheiding brengt zowel voor de ex-partners als voor hun eventuele (minderjarige) kinderen veranderingen met zich. Zo betekent een scheiding vaak dat een of beide partners moeten verhuizen. Kinderen zijn heel veerkrachtig. Indien de vrouw de woning niet kan overnemen, is het aan partijen om in het belang van [minderjarige] ernaar te streven om zo snel mogelijk een nieuwe stabiele situatie voor haar te creëren.
Vervolgens moet worden beoordeeld of moet worden afgeweken van de hoofdregel, omdat partijen een andere peildatum voor de waarde van de woning zijn overeengekomen. Aangezien de vrouw zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde afspraak, draagt zij de stelplicht en de bewijslast van die feiten (artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Aangezien de man de stelling van de vrouw gemotiveerd heeft betwist, acht de rechtbank op voorhand nog niet bewezen dat de mondelinge overeenkomst tot stand is gekomen. De vrouw zal dan ook worden opgedragen bewijs te leveren van haar stelling dat partijen mondeling een overeenkomst hebben gesloten, inhoudende “dat bij een toekomstige verdeling van de woning zou worden uitgegaan van de WOZ-waarde van het jaar van vertrek van de man”. Ter zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij de door haar gestelde afspraak wil bewijzen door het horen van de heer
[persoon] als getuige. De rechtbank zal dan ook een getuigenverhoor gelasten. Het is aan de vrouw om de getuige op te roepen op de bij de wet voorgeschreven wijze.
Zoals ter zitting met partijen is besproken, zal, aansluitend aan het getuigenverhoor, de mondelinge behandeling worden voortgezet om nadere inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun standpunten nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Zij moeten daarom in persoon op de getuigenverhoren verschijnen.
De zaak zal worden aangehouden in afwachting van de bewijslevering.
5. De beslissing
De rechtbank
in conventie en in reconventie
draagt de vrouw op te bewijzen dat partijen mondeling een overeenkomst hebben gesloten, inhoudende dat bij een toekomstige verdeling van de woning zou worden uitgegaan van de WOZ-waarde van het jaar van vertrek van de man;
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van
mr. Baggel, in het gerechtsgebouw te Breda, Stationslaan 10, op
dinsdag 21 juli 2026 van 9:00 tot 10:00 uur, waarna aansluitend de mondelinge behandeling zal worden voortgezet van 10:00 uur tot 11:00 uur;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Baggel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. Bishop-van Kollenburg, griffier.