RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/449123 / JE RK 26-1018
Datum uitspraak: 26 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 10 juni 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een brief gestuurd naar de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 juli 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 9 juli 2025 tot 9 juli 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 juli 2025 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij oma moederszijde met ingang van 9 juli 2025 tot 9 januari 2026. Het overige deel van het verzoek van de GI is toen aangehouden. Vervolgens heeft de kinderrechter in deze rechtbank bij beschikking van 2 januari 2026 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (bij oma moederszijde (mz)) verleend met ingang van 9 januari 2026 tot 9 juli 2026.
[minderjarige] verblijft op basis van de voorgenoemde machtiging sinds 9 juli 2025 bij de oma mz.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar.
Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van zes maanden.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI legt het volgende ten grondslag aan de verzoeken. De afgelopen periode zijn er enigszins positieve ontwikkelingen geweest. De omgang tussen [minderjarige] en de moeder is geleidelijk uitgebreid en inmiddels verblijft [minderjarige] van maandag tot en met dinsdag bij de moeder. De omgang verloopt overwegend positief. De GI ziet daarom mogelijkheden om de omgang uit te breiden met een extra overnachting van zondag op maandag. De uitbreiding zal vanaf 13 juli plaatsvinden, als de jeugdbeschermer terug is van vakantie. De zorgen rondom [minderjarige] zijn echter, ondanks de positieve ontwikkelingen, nog onvoldoende weggenomen. De moeder dient nog te werken aan haar persoonlijke situatie en er dient zicht te blijven op haar gezondheid, functioneren en belastbaarheid. Ook is er nog onvoldoende zicht op de stabiliteit van moeder en haar mogelijkheden om de dagelijkse verzorging en opvoeding van [minderjarige] zelfstandig te dragen, omdat de moeder spanning ervaart als de GI informatie opvraagt en er nog geen vaste begeleiding betrokken is bij de moeder. Het is daarnaast nog onduidelijk in hoeverre de vader ondersteuning nodig heeft in de samenwerking met de moeder en het stellen van grenzen. Verder is het nog niet objectief vastgesteld dat de moeder sinds juli 2025 geen alcohol meer zou gebruiken. Inmiddels heeft de moeder wel een afspraak gehad bij de praktijkondersteuner. Ook zijn de ouders aangemeld bij [hulpverlening] en ambulante hulpverlening. Daarnaast staat [minderjarige] op de wachtlijst voor speltherapie, omdat [minderjarige] veel zorgen voor zichzelf houdt. De GI geeft aan dat de ouders open staan voor hulpverlening. De GI acht daarom een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar noodzakelijk. Op dit moment is het daarnaast niet mogelijk voor [minderjarige] om bij (een van) de ouders te wonen. Eerst zal de omgang moeten worden uitgebreid, zodat onderzocht kan worden hoe de moeder en [minderjarige] daarmee omgaan. Op die manier moet duidelijk worden waar het opvoedperspectief van [minderjarige] ligt. Binnen een periode van zes maanden kan gekeken worden in hoeverre moeder de ingezette lijn vasthoudt, hoe de hulpverlening verloopt en of verdere stappen richting thuisplaatsing mogelijk zijn. Ook zal de GI in de komende tijd een veiligheidsplan opstellen.
[minderjarige] heeft in haar brief verteld dat zij het een beetje erg vindt dat de ondertoezichtstelling verlengd wordt, omdat zij zou willen dat de situatie terug gaat naar normaal.
Door en namens de moeder is tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. Sinds juli 2025 consumeert de moeder geen alcohol meer en zijn er geen incidenten meer geweest. Zij staat ervoor open om zich op alcohol te laten testen en heeft zelftesten gegeven aan de oma mz en aan de vader. Zij gebruikt wel nog cannabis. De moeder vindt het jammer dat er in een korte periode veel verschillende jeugdbeschermers betrokken zijn geweest, omdat dit voor onnodige vertraging heeft gezorgd. Zo heeft er al lange tijd geen uitbreiding meer plaatsgevonden van de omgang tussen de moeder en [minderjarige] , terwijl het momenteel goed gaat en de moeder haar best doet. De moeder wil dat de omgang zo snel mogelijk wordt uitgebreid, met name nu alle betrokkenen aangeven dat dit kan. Het blijft telkens confronterend voor de moeder om afscheid te nemen van [minderjarige] . Verder verloopt het contact tussen de ouders en de oma mz goed. De moeder geeft daarnaast aan dat zij gesprekken heeft met de praktijkondersteuner, zodat zij om kan leren gaan met het uiten van haar emoties. De moeder verzoekt de verzoeken van de GI in duur te beperken.
De vader heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat [minderjarige] graag terug wil naar de moeder. [minderjarige] verblijft vanaf vrijdag tot maandag bij de vader, behalve als de vader nachtdienst heeft op vrijdag, en gaat vervolgens naar de moeder. Dit verloopt goed. Daarnaast heeft de vader goed contact met de oma mz. Het liefst wil de vader dat [minderjarige] vaker naar de moeder gaat. Dit dient dan wel langzaam opgebouwd te worden.
5. De beoordeling
Wat zegt de wet?
Verlenging ondertoezichtstelling
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar. Hiervoor moet aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste lid BW) zijn voldaan.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:
de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, en
de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.
Verlenging machtiging uithuisplaatsing
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:265c tweede lid BW de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en maximaal voor de duur van een jaar. Hiervoor moet aan de grond van de uithuisplaatsing (zoals beschreven in artikel 1:265b eerste lid BW) zijn voldaan.
Als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid kan de kinderrechter op grond van artikel 1:265b eerste lid BW de gecertificeerde instelling (die is belast met de ondertoezichtstelling) op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.
Wat vindt de kinderrechter?
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Uit de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat er de afgelopen periode positieve stappen zijn gezet. Zo is de omgang tussen de moeder en [minderjarige] inmiddels uitgebreid en zijn [minderjarige] en de ouders aangemeld voor hulpverlening. De kinderrechter complimeert de ouders daarvoor. De zorgen die hebben geleid tot de ondertoezichtstelling zijn echter nog aanwezig en de doelen van de ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald. Zo dient de moeder nog te werken aan haar persoonlijke situatie en is er nog onvoldoende zicht op de stabiliteit en de opvoedvaardigheden van de moeder. Daarnaast is het nog onduidelijk in hoeverre de vader nog ondersteuning nodig heeft. Ook zijn er terechte zorgen dat [minderjarige] gevoelens en zorgen veel bij zichzelf houdt.
Hoewel de ouders bereid zijn om de hulpverlening te accepteren, zijn zij onvoldoende in staat om zelfstandig de zorgen rondom de ontwikkeling van de kinderen weg te nemen. Gebleken is dat de ouders open staan voor hulpverlening. De hulpverleningstrajecten zijn pas net gestart of moeten nog gaan starten en de ouders dienen nog een aantal stappen te zetten. Deze hulpverlening heeft tijd nodig om voldoende effectief te kunnen zijn. De kinderrechter acht de regie van de GI daarbij nog voor langere tijd noodzakelijk.
De kinderrechter verlengt derhalve de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding.
Op dit moment is het, ondanks de positieve stappen die zijn gezet, (nog) niet mogelijk voor [minderjarige] om bij (een van) de ouders te wonen. Er is nog onvoldoende zicht op de opvoedvaardigheden van beide ouders, het functioneren en de belastbaarheid van de moeder en in hoeverre de vader ondersteuning nodig heeft. De omgang tussen [minderjarige] en de moeder zal eerst moeten worden uitgebreid en er zal gekeken moeten worden hoe dit verloopt. Ook is de hulpverlening voor [minderjarige] en de ouders nog niet gestart of moet deze nog starten. De komende periode zal de GI door middel van hulpverlening onderzoek doen naar de opvoedvaardigheden van de ouders en de mogelijkheden voor een thuisplaatsing van [minderjarige] bij (een van) de ouders, zodat duidelijk wordt waar het opvoedperspectief van [minderjarige] ligt. [minderjarige] verblijft sinds juli 2025 bij de oma moederszijde. Zij ontwikkelt zich daar goed. Daarnaast hebben beide ouders goed contact met de oma mz. De kinderrechter acht het van belang om de plaatsing van [minderjarige] bij de oma mz de komende periode nog te waarborgen middels een machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden. De kinderrechter acht deze termijn nodig omdat er nog veel moet gebeuren en volgt de moeder niet in haar – overigens begrijpelijke – verzoek om de uithuisplaatsing voor een kortere periode toe te wijzen.
De kinderrechter benadrukt nog dat het van belang is dat er op korte termijn een veiligheidsplan wordt opgesteld en dat er zo snel mogelijk wordt gekeken naar een uitbreiding van de omgang tussen [minderjarige] en de moeder. Dit is ook nodig om op een verantwoorde wijze binnen de komende zes maanden het perspectief van [minderjarige] te beoordelen.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 9 juli 2026 tot 9 juli 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang 9 juli 2026 tot 9 januari 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Oorschot als griffier, en op schrift gesteld op 13 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.