beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446931 / FA RK 26-1809
Datum uitspraak: 26 juni 2026
beschikking over verdeling zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [plaats 1] (België),
advocaat: mr. I. van Meeteren in ’s-Hertogenbosch,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [plaats 2] ,
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2018, hierna: [minderjarige] .
1. Het procesverloop
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 7 april 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;
- de door beide partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst in verband met verhuizing;
- de referteverklaring van de man.
2. De feiten
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren.
De man heeft [minderjarige] erkend.
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de vrouw.
Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.
[minderjarige] heeft haar gewone verblijfplaats in België.
3. Het verzoek
De vrouw verzoekt, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:
te bepalen dat de inhoud van de vaststellingsovereenkomst in verband met verhuizing, die partijen met elkaar hebben gesloten aan een beschikking te hechten, en te beschouwen als in de beschikking te zijn opgenomen.
Door middel van voormelde referteverklaring heeft de man laten weten geen verweer te willen voeren tegen het verzoek.
4. De beoordeling
[minderjarige] heeft haar gewone verblijfplaats in België. Daarom moet de rechtbank eerst beoordelen of de Nederlandse rechter wel bevoegd is om te beslissen op het verzoek. Ook moet de rechtbank beoordelen van welk land de rechtsregels worden toegepast.
Artikel 7 lid 1 van de EU-Verordening 2019/1111 van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (hierna: Brussel II-ter) bepaalt dat ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd zijn de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Het bepaalde in lid 1 van dit artikel geldt onder voorbehoud van de artikelen 8 tot en met 10. Volgens de hoofdregel is de Nederlandse rechter dus niet bevoegd, omdat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats niet in Nederland heeft.
Vervolgens kijkt de rechtbank, in deze zaak, naar artikel 10 (de forumkeuze). De Nederlandse rechter heeft op grond van artikel 10 Brussel II-ter alleen bevoegdheid als voldaan is aan de volgende drie gronden:
het kind moet een nauwe band hebben met de betrokken lidstaat;
alle personen die het gezag uitoefenen moeten de bevoegdheid van de aangezochte rechter vrijwillig hebben aanvaard of daarover tijdig een forumkeuze zijn overeengekomen;
de uitoefening van de bevoegdheid moet gerechtvaardigd zijn door het belang van het kind.
De rechtbank overweegt dat [minderjarige] de Nederlandse nationaliteit heeft en de man zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Partijen zijn blijkens de stukken overeengekomen dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegdheid toekomt. Tot slot zijn in eerdere procedures tussen partijen ook beslissingen genomen door Nederlandse gerechten. Bovendien worden de afspraken die in de vaststellingsovereenkomst, zoals de contactregeling, ten uitvoer gelegd in Nederland. Het is dan ook gerechtvaardigd door het belang van [minderjarige] dat de Nederlandse rechter bevoegd is van het verzoek kennis te nemen. De rechtbank stelt dan ook vast dat er sprake is van een geldige forumkeuze voor de Nederlandse rechter op grond van artikel 10 Brussel II-ter.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal hierop het Nederlands recht worden toegepast.
De rechtbank stelt vast dat partijen de onderlinge gemaakte afspraken hebben vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst in verband met verhuizing. Door de man is een referteverklaring ondertekend, medeondertekend door de advocaat van de vrouw en mr. A.G.J. van Lokven advocaat in ’s-Hertogenbosch. Het verzoek van de vrouw zal dan ook worden toegewezen.
De rechtbank zal, zoals is verzocht, bepalen dat de vaststellingsovereenkomst in verband met verhuizing onderdeel uitmaakt van deze beschikking.
5. De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de onderlinge regelingen uit de aangehechte en door de griffier gewaarmerkte vaststellingsovereenkomst in verband met verhuizing deel uitmaken van deze beschikking;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Phillips, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026 in aanwezigheid van Boink, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.