RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448486 / JE RK 26-895
Datum uitspraak: 26 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
locatie Breda,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Tilburg.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 mei 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door mevrouw [persoon] , tolk in de Arabische taal (met tolkennummer [nummer] );
- een vertegenwoordiger van de Raad (via een videoverbinding);
- een vertegenwoordigster van de GI (via een videoverbinding).
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
2. De feiten
De ouders zijn met elkaar gehuwd geweest. [minderjarige] is gedurende het huwelijk van de ouders geboren.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 januari 2026 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 20 april 2026.
[minderjarige] woont weer bij zijn moeder.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het raadsrapport. Daaruit volgt dat er grote zorgen zijn over [minderjarige] . De Raad ziet een jongen met een belast verleden die steeds verder af lijkt te glijden. Sinds augustus 2025 zijn er grote zorgen over de gedragsproblemen van [minderjarige] en zijn betrokkenheid bij strafbare (gewelds)delicten. In de thuissituatie zijn er eveneens incidenten met verbale en fysieke agressie geweest. Daarnaast zijn er zorgen over de mentale gezondheid van [minderjarige] , doordat [minderjarige] zelfmoordpogingen heeft gedaan en zichzelf beschadigde. Ook waren er zorgen over mogelijk middelengebruik. De Raad ziet dat de moeder geen grip meer op [minderjarige] heeft en dat het de moeder niet lukt om haar gezag uit te oefenen, doordat [minderjarige] haar gezag niet accepteert. De Raad heeft [minderjarige] gedurende het onderzoek niet gesproken. De moeder heeft toen aangegeven dat [minderjarige] niet thuis was en dat zij niet wist waar hij was. Later bleek dat [minderjarige] toch bij de moeder heeft verbleven. De manier waarop de moeder deze informatie heeft achtergehouden vindt de Raad zorgelijk. De zorgen over [minderjarige] zijn te groot en ernstig en het lukt niet om dit in het vrijwillig kader op te lossen. Er dient hulp te komen in de thuissituatie en daar staat de moeder onvoldoende voor open. De Raad vindt het belangrijk dat er zicht komt op [minderjarige] , waar hij verblijft en op zijn geestelijke gezondheid. Daarnaast is het belangrijk dat [minderjarige] het gezag van de moeder gaat accepteren en dat er zicht komt op de manier waarop hij invulling geeft aan zijn dag. Het is hierbij nodig dat er een persoonlijkheidsonderzoek wordt afgenomen bij [minderjarige] , zodat gekeken kan worden naar wat er aan de hand is en welke vorm van hulpverlening daar het beste bij past. In de thuissituatie dient een vorm van een MST-traject ingezet te worden.
De moeder staat niet meer volledig achter het verzoek van de Raad. De moeder erkent dat er problemen zijn geweest. Dit was er voornamelijk in gelegen dat [minderjarige] niet naar school ging en er last van had dat de vader is weggegaan. De moeder heeft toen zelf initiatief genomen voor de inzet van hulpverlening voor [minderjarige] , hetgeen heeft geleid tot een plaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp. Dit was voor zowel [minderjarige] als voor de moeder een traumatische en schokkende ervaring. De moeder had geen contact met [minderjarige] en werd niet geïnformeerd. Dit was niet de bedoeling van de moeder toen zijn hulp zocht voor [minderjarige] . Het raadsrapport is gebaseerd op oudere informatie en de situatie van [minderjarige] is nu veranderd. In de stukken wordt ervan uitgegaan dat [minderjarige] fout handelt. Dit vindt de moeder niet terecht. Inmiddels gaat het beter met [minderjarige] . [minderjarige] heeft zich gemeld bij de politie voor de aan hem opgelegde jeugddetentie. [minderjarige] woont sinds mei 2026 weer bij de moeder. Momenteel gaat [minderjarige] nog niet naar school. Hij besteed vooral tijd met zijn vrienden en zijn broer. Daarnaast heeft hij een contract getekend bij de [winkel] . De moeder heeft geen bezwaar tegen de inzet van hulpverlening. Zij vindt het juist fijn wanneer zij wordt geholpen en er hulpverlening wordt ingezet, zolang dit in het belang is van [minderjarige] . Wel wil de moeder dat daarmee niet op een negatieve wijze wordt ingegrepen.
De GI kan zich vinden in het verzoek van de Raad. Ook de GI maakt zich zorgen over [minderjarige] . Voorkomen moet worden dat de afglijdende lijn die eerder is ingezet, wordt voortgezet. Er zal moeten worden vastgesteld of het daadwerkelijk goed gaat met [minderjarige] , zoals de moeder aangeeft. Door de GI is de zaak rood getrieerd. Op zeer korte termijn zal er een vaste jeugdbeschermer aan het gezin worden gekoppeld. De GI verzoekt om, wanneer de ondertoezichtstelling wordt uitgesproken de volgende doelen op te nemen:
- de moeder laat zien dat [minderjarige] rust en duidelijkheid ervaart in zijn opvoedsituatie en [minderjarige] kan zich binnen zijn mogelijkheden met de inzet van passende hulpverlening ontwikkelen;
- de ouders geven eenieder invulling aan het ouderlijk gezag ten behoeve van [minderjarige] , waarbij beslissingen en adviezen vanuit de GI en de ingezette hulpverlening worden opgevolgd.
Wanneer de vader niet langer met het gezag is belast, dan ziet het laatste doel enkel op de moeder.
5. De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] en de ouders de Syrische nationaliteit hebben. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of hem in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.
Op grond van het bepaalde in artikel 7 lid 1 van de Verordening Brussel 11-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Omdat [minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in
Nederland heeft, komt de Nederlandse kinderrechter rechtsmacht toe.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op de verzoeken te beslissen, zal op grond van het bepaalde in artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek toegepast worden.
Wettelijk kader
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
-de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
-de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd. De kinderrechter onderschrijft daarbij de zorgen van de Raad. [minderjarige] heeft in zijn leven al veel meegemaakt. Er bestaan daardoor al geruime tijd zorgen over zijn ontwikkeling en opvoedsituatie. In de thuissituatie is sprake geweest van onveiligheid als gevolg van huiselijk geweld. Daarnaast lijkt [minderjarige] steeds verder af te glijden. Hij gaat niet meer naar school, is herhaaldelijk in aanraking gekomen met politie en justitie en kan dreigend en agressief gedrag vertonen naar de moeder, de broer en de hulpverlening. Ook bestaan er zorgen om de geestelijke gezondheid van [minderjarige] . [minderjarige] heeft zelfmoordpogingen ondernomen en vertoonde zelfbeschadigend gedrag. De moeder is daarbij de grip op [minderjarige] verloren en [minderjarige] accepteert het gezag van de moeder niet of nauwelijks. Dit heeft eerder geleid tot een plaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp. Hier is [minderjarige] vervolgens weggelopen en het is toen een tijd lang onduidelijk geweest waar [minderjarige] verbleef. Hoewel de moeder aangeeft dat het op het moment beter gaat met [minderjarige] , is hier tijdens het onderzoek van de Raad onvoldoende zicht op gekomen. Bovendien is gebleken dat [minderjarige] in ieder geval ook nu nog niet naar school gaat. Dit alles baart de kinderrechter grote zorgen
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De moeder (h)erkent de voormelde zorgen onvoldoende en zij lijkt de ernst van de situatie onvoldoende in te zien. Ondanks de inzet van hulpverlening binnen het vrijwillig kader en de betrokkenheid van Jeugdreclassering, lukt het al geruime tijd niet om de zorgen over [minderjarige] weg te nemen. De kinderrechter vindt het daarom noodzakelijk dat hulp en regie in een gedwongen kader betrokken wordt. De moeder geeft weliswaar aan dat [minderjarige] toekomstplannen heeft, maar om ervoor te zorgen dat deze plannen kunnen worden uitgevoerd zal er eerst gewerkt moeten worden aan de problematiek die rondom [minderjarige] speelt om te zorgen dat [minderjarige] niet opnieuw de fout in gaat en nog verder afglijdt. Het is dan ook in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de GI de komende periode zicht houdt op het welbevinden van [minderjarige] en regie voert over de in te zetten hulpverlening. Het stemt de kinderrechter in dat kader positief dat de moeder tijdens de zitting heeft aangegeven dat zij wel openstaat voor de inzet van hulpverlening.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter sluit zich daarbij aan bij de door de Raad in het raadsrapport en tijdens de zitting gestelde doelen en de door de GI tijdens de zitting geformuleerde doelen, te weten:
- Er is meer zicht op de feitelijke verblijfplaats van [minderjarige] ;
- Er is meer zicht op de geestelijke gezondheid van [minderjarige] , middels een persoonlijkheidsonderzoek, zodat er zicht komt op de problematiek van [minderjarige] en welke vorm van hulpverlening daarbij passend is;
- [minderjarige] accepteert het gezag van moeder;
- Er is meer zicht op de daginvulling van [minderjarige] ;
- Er wordt hulpverlening ingezet in de thuissituatie in de vorm van een MST-traject.
- De moeder laat zien dat [minderjarige] rust en duidelijkheid ervaart in zijn opvoedsituatie en [minderjarige] kan zich binnen zijn mogelijkheden met de inzet van passende hulpverlening ontwikkelen;
- De moeder geeft invulling aan het ouderlijk gezag ten behoeve van [minderjarige] , waarbij beslissingen en adviezen vanuit de GI en de ingezette hulpverlening worden opgevolgd.
Het laatste doel zal de kinderrechter voor nu beperken tot enkel de moeder, nu de vader blijkens de voorgaande beslissing van de kinderrechter van rechtswege in het ouderlijk gezag lijkt te zijn geschorst. Mocht dit de komende periode om wat voor reden dan ook anders zijn, dan behelst dit doel uiteraard ook de invulling van het ouderlijk gezag van de vader.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het verzoek van de Raad toewijzen en [minderjarige] onder toezicht stellen voor de duur van een jaar. Deze periode is in ieder geval nodig om te kunnen werken aan de bovenstaande doelen en om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 26 juni 2026 tot 26 juni 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 13 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.