ECLI:NL:RBZWB:2026:6932

ECLI:NL:RBZWB:2026:6932

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 26-06-2026
Datum publicatie 27-07-2026
Zaaknummer C/02/442208 / JE RK 25-2068
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Verlenging ondertoezichtstelling voor de duur van drie maanden. Aanhouding restant. Kortere duur wenselijk vanwege onduidelijkheid over de situatie van de vader.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/442208 / JE RK 25-2068

Datum uitspraak: 26 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),

gevestigd te Rotterdam,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2020 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. A. Koop-van Vliet uit Breda,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. C.M.M. Mikkers uit Heeze.

1. Het verdere verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

de beschikking van 18 december 2025 en alle daarin vermelde stukken;

de brief van de GI van 29 mei 2026;

het bericht van mr. Koop-van Vliet van 23 juni 2026;

de brief van mr. Mikkers van 25 juni 2026.

Op 26 juni 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder (via een videoverbinding), bijgestaan door haar advocaat;

- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.

De vader en zijn advocaat zijn – met bericht van verhindering – niet verschenen.

2. De feiten

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

[minderjarige] woont bij haar moeder.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 december 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 28 juni 2026.

3. Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist.

Aan de orde is nog het resterende deel van het verzoek om [minderjarige] onder toezicht te stellen, met ingang van 28 juni 2026 en tot 28 december 2026.

4. De nadere standpunten

De GI handhaaft het resterende deel van het verzoek. De GI heeft de afgelopen periode getracht om hulpverlening in te zetten voor [minderjarige] in de vorm van diagnostiek en speltherapie. De Viersprong heeft zich teruggetrokken. [hulpverlening] heeft aangegeven wel te kunnen starten. Vanuit de school zal worden onderzocht of speciaal onderwijs passend is voor [minderjarige] . De moeder is de afgelopen periode opnieuw in de fout gegaan door zich in een verkeerd netwerk te begeven. De moeder heeft daarmee beslissingen genomen die niet goed voor haar zijn geweest. De moeder heeft [minderjarige] hier niet bij betrokken. De plaatsing bij [woongroep] is in overleg met de moeder voortgezet, zodat [minderjarige] bij de moeder kan blijven met de 24-uurs begeleiding die daar wordt geboden. De vrijheden van de moeder zijn beperkt. Zij heeft code rood en mag zonder toestemming niet van het terrein af. De GI heeft de moeder hiermee een laatste kans geboden. Mocht het opnieuw misgaan, dan zal [minderjarige] elders moeten worden geplaatst. Er wordt onderzocht of de vrijheden van de moeder langzaam kunnen worden opgebouwd. Voor [minderjarige] is er geen sprake van code rood. Zij kan naar school, naar de grootmoeder in het weekend en kan contact onderhouden met de vader. Het contact tussen de vader en [minderjarige] verliep voorheen goed, maar de vader heeft de omgang nu al een aantal weken afgezegd. Drie weken geleden heeft de vader aangegeven dat hij op vakantie zou gaan. Inmiddels zou hij terug moeten zijn. De GI weet echter niet waar de vader verblijft, komen de berichten van de GI bij de vader niet aan en is er geen mogelijkheid voor de GI om met de vader in contact te komen. Gelet op deze ontwikkelingen zullen de mogelijkheden voor het contact tussen de vader en [minderjarige] opnieuw moeten worden onderzocht. De GI vindt het nog altijd belangrijk om middels een persoonlijkheidsonderzoek zicht te verkrijgen op hoe de vader zich verhoudt tot de moeder en hoe hij in het leven staat om te zien wat hij [minderjarige] kan bieden. De vader weigert echter daaraan mee te werken. Zolang dit onderzoek niet wordt afgenomen, ziet de GI in geen mogelijkheid om het contact uit te breiden naar onbegeleid contact.

Door en namens de vrouw is ingestemd met het resterende deel van het verzoek. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en er zijn gronden die maken dat de GI nog langer betrokken moet blijven. Er is sprake van kind-eigen problematiek bij [minderjarige] . Zij heeft te kampen met een taal- en spraakachterstand. Daarnaast is er problematiek gelegen in de onderlinge verhoudingen tussen de ouders. Die verhouding is de afgelopen periode nog meer onder spanning komen te staan. De vader kan [minderjarige] niet bieden wat zij nodig heeft en de moeder moet voor nu in [woongroep] blijven, omdat zij op dit moment onvoldoende in staat is om op eigen benen te staan met [minderjarige] . De moeder zit inmiddels al zo’n vijf maanden in code rood. De restricties staan ongeveer gelijk aan hetgeen wordt gehanteerd binnen bijvoorbeeld een Safegroep van Veilig Thuis. Haar vrijheden worden stap voor stap uitgebreid. De moeder moet wennen aan de vrijheden. Het gaat nu goed met de moeder en [minderjarige] bij [woongroep] . Eerder ervaarde de moeder veel stress. Door de code rood is de moeder meer tot rust gekomen en zij ziet dat het dan ook met [minderjarige] beter gaat. De moeder erkent dat zij soms misstappen zet, maar zal altijd voor [minderjarige] blijven vechten. De vader heeft een aandeel gehad in de code rood van de moeder. Kort na de vorige zitting is er contact geweest waarbij de vader de moeder min of meer heeft gedwongen om de borstimplantaten die de moeder tijdens de relatie heeft gehad, aan de vader terug te betalen. Als gevolg daarvan heeft de moeder zich moeten prostitueren onder leiding van de vader. De moeder denkt daarbij dat er sprake is van een netwerk. Hiermee heeft de vader de moeder in onveiligheid gebracht. De moeder benadrukt dat [minderjarige] hier niet bij aanwezig was. [minderjarige] was op die momenten bij haar grootouders. Het is bovendien enkel de moeder die beperkt wordt in haar vrijheden. De vader heeft [minderjarige] nu al zeven weken niet gezien en [minderjarige] is hier erg verdrietig door. De moeder heeft ernstige zorgen over dit contact gelet op alles wat er speelt. Ook kan niet worden uitgesloten dat de vader op het moment vast zit en daarom niet bereikbaar is. De moeder heeft in maart 2026 aangifte gedaan tegen de vader, er is geen contact meer geweest met de vader en de vader verschijnt al een aantal weken niet op de omgangsmomenten. Los van hoe de strafzaak jegens de vader zal verlopen en de veiligheidsrisico’s voor de moeder en [minderjarige] , is het de vraag hoe de omgang verder zou kunnen worden vormgegeven gelet op het ontbreken van het persoonlijkheidsonderzoek en het afzeggen van de omgangsmomenten. De moeder zal binnen een week na de zitting een procedure aanhangig te maken om de omgang tussen de vader en [minderjarige] op te schorten. Het kan daarbij helpend zijn om de ondertoezichtstelling voor een kortere duur te verlengen, omdat er op het moment nog veel onduidelijkheid bestaat over de situatie van de vader.

Namens de vader is, bij brief van 25 juni 2026, aangegeven dat hij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het resterende deel van het verzoek. De vader stelt zich op het standpunt dat het wederom en helaas een herhaling van zetten is. De vader maakt zich nog veel zorgen over [minderjarige] en de situatie bij en met de moeder. De vader is van mening dat [minderjarige] wel degelijk betrokken is geraakt bij de terugval van de moeder. Als gevolg van het maken van een verkeerde keuze door moeder, is er sprake geweest van een code rood binnen [woongroep] , hetgeen betekende dat zowel moeder als [minderjarige] in vrijheid volledig werden beperkt en niet naar buiten konden. Daarnaast stelt vader zich op het standpunt dat het verblijf van [minderjarige] met de moeder bij [woongroep] inmiddels een permanent verblijf is geworden, hetgeen niet in het belang van [minderjarige] is. De vader constateert dat er, vanwege het wederom geven van een laatste kans aan de moeder, voorbij wordt gegaan aan wat [minderjarige] daadwerkelijk nodig heeft, namelijk een voorspelbare en veilige omgeving. Verder is er tot op heden helaas nog geen vooruitgang geboekt voor wat betreft de opbouw van het contact tussen de vader en [minderjarige] . Er is geen instantie die bij de vader een persoonlijkheidsonderzoek zal afnemen, enkel en alleen omdat de GI dit vraagt. Dit zal dan ook niet worden uitgevoerd. Het is daarom van groot belang dat de GI zich conformeert aan hetgeen in de tussenbeschikking van 23 december 2026 door de rechtbank is overwogen. Tot op heden is er niet gewerkt naar een uitbreiding van de (on)begeleide zorgregeling. Het contact tussen de vader en [minderjarige] gaat nog steeds erg goed. De (enkele) keren dat vader niet aanwezig is, was zeker geen onwil, maar onmacht. Ook de omgangsbegeleiding heeft al een aantal keren aangegeven dat het in het belang is van [minderjarige] dat het contact wordt uitgebreid. De vader vindt het dan ook zeer kwalijk dat er nog steeds geen plan is gemaakt voor uitbreiding van de regeling en dat de GI, zolang er geen persoonlijkheidsonderzoek wordt afgenomen, niet zal toewerken naar onbegeleid contact.

5. De nadere beoordeling

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen

Inhoudelijke beoordeling

Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. De zorgen over [minderjarige] zijn nog immer niet weggenomen. Hoewel de moeder eerder een positieve ontwikkeling liet zien, heeft zij de afgelopen periode een terugval gehad in oud schadelijk gedrag. De moeder heeft zich opnieuw in een verkeerd netwerk begeven en het lukt de moeder nog onvoldoende om de keuzes te maken die in het belang van [minderjarige] zijn. De moeder heeft [minderjarige] hier weliswaar feitelijk buiten weten te houden, maar de consequenties die als gevolg daarvan aan de moeder zijn opgelegd, raken [minderjarige] ook indirect. Het zal voor [minderjarige] immers ingrijpend zijn dat haar moeder inmiddels al vijf maanden geen vrijheden heeft binnen [woongroep] . Ondanks dat de moeder nadien kennelijk de juiste stappen heeft gezet om uit het netwerk te geraken, kan de moeder nog niet in staat worden geacht om [minderjarige] zelfstandig een veilige basis te bieden. Daarnaast is gebleken dat het de vader ook de afgelopen periode niet is gelukt om een persoonlijkheidsonderzoek te doen. Ook lukt het de vader de afgelopen weken opnieuw niet om de afspraken omtrent het contact met [minderjarige] consequent na te komen. De vader is al een aantal weken niet bereikbaar voor de GI. Dit geeft opnieuw ernstige zorgen over het gedrag van de vader. De toelichting namens de moeder over de rol van de vader in de terugval van de moeder, baart de kinderrechter in dat kader eveneens zorgen. Hierdoor bestaat er nog steeds onzekerheid over welke rol de vader in het leven van [minderjarige] kan gaan innemen en hoe een uiteindelijke omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] er uit kan zien. Daarbij benadrukt de kinderrechter dat de hulpvraag van [minderjarige] en het belang van [minderjarige] daarin leidend blijft.

Om al deze zorgen weg te nemen vindt de kinderrechter het noodzakelijk dat ook de komende periode hulp en regie in een gedwongen kader betrokken blijft. Hier zijn alle betrokkenen het gelukkig ook over eens. Het lukt de ouders immers niet om zonder de tussenkomst van de hulpverlening en de GI met elkaar te communiceren en het ouderschap voor [minderjarige] vorm te geven. De verstandhouding tussen de ouders is verstoord en is de afgelopen periode verder onder druk komen te staan. De gestelde doelen in het kader van de ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald en voorkomen moet worden dat de ingezette hulpverlening voortijdig wordt beëindigd. De hulpverlening voor [minderjarige] bevindt zich nog in de opstartende fase en van daaruit moet worden onderzocht welke vorm van onderwijs het meest passend is voor [minderjarige] . Ook blijft continue begeleiding van de moeder noodzakelijk en dient er meer zicht te worden verkregen op de onvoorspelbaarheid van de vader in zijn gedrag en in het contact met [minderjarige] . De ontwikkeling en de veiligheid van [minderjarige] is (vooralsnog) het beste geborgd binnen het kader van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter vindt het dan ook in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de GI ook de komende periode zicht houdt op haar welbevinden en regie blijft voeren over de hulpverlening.

De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter sluit zich daarbij aan bij de tijdens de zitting besproken doelen en geeft aan de GI de opdracht mee om te werken aan:

- het inzetten van passende hulpverlening voor [minderjarige] (vooralsnog in de vorm van de inzet van [hulpverlening] ) en het onderzoeken welke vorm van onderwijs passend is voor [minderjarige] ;

- het continueren en verdiepen van de begeleiding van de moeder, zodat zij blijvend wordt ondersteund;

- het blijven proberen om te komen tot het afnemen van een persoonlijkheidsonderzoek bij de vader, zodat er inzicht ontstaat in zijn ondersteuningsbehoeften en passende begeleiding kan worden ingezet;

- het onderzoeken van de mogelijkheden en beperkingen voor het contact tussen de vader en [minderjarige] en indien mogelijk het vergroten van de betrouwbaarheid en voorspelbaarheid van de contacten tussen de vader en [minderjarige] .

- het toetsen van de mogelijkheden om de onderlinge samenwerking tussen de ouders te verbeteren, met het belang en het welzijn [minderjarige] als uitgangspunt.

Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de duur van drie maanden. De kinderrechter vindt namelijk opnieuw een tussentijds evaluatiemoment wenselijk. Dit houdt verband met de onduidelijkheid die de afgelopen weken is ontstaan over waar de vader heeft verbleven en nu verblijft en waarom hij de contactmomenten met [minderjarige] niet is nagekomen. Het resterende deel van het verzoek zal de kinderrechter aanhouden. De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk op de hierna te melden pro forma datum de kinderrechter en (de advocaten van) de ouders schriftelijk te informeren over het verloop van de maatregel en of zij het resterende verzoek al dan niet handhaaft.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6. De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 28 juni 2026 en tot 28 september 2026;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de beslissing ten aanzien van het resterende deel van het verzoek aan tot 27 augustus 2026 PRO FORMA , met het verzoek aan de GI om dan te rapporteren zoals overwogen onder 5.7;

behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 13 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Palings als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand