ECLI:NL:RBZWB:2026:6933

ECLI:NL:RBZWB:2026:6933

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 26-06-2026
Datum publicatie 27-07-2026
Zaaknummer C/02/441964 / JE RK 25-2034
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Verlenging OTS en MUHP in pleeggezin voor de resterende duur van zes maanden. Geen wijziging huidige pleeggezin en geen onderzoek naar overplaatsing. Wel in kaart brengen mogelijke gevolgen van loyaliteitsconflict

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/441964 / JE RK 25-2034

Datum uitspraak: 26 juni 2026

Nadere beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,

gevestigd te Amsterdam Zuidoost,

hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] (België),

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam,

[pleegouder 1] en [pleegouder 2],

hierna te noemen: de pleegouders,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

De kinderrechter merkt als informant aan:

mevrouw [de oma], de grootmoeder moederszijde (mz),

hierna te noemen: de oma.

1. Het verdere verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

de brief van de GI van 28 mei 2026;

het eindverslag van MEMO, binnengekomen bij de rechtbank op 29 mei 2026;

het eindverslag van het gezinsinterventieteam, binnengekomen bij de rechtbank op 13 mei 2026.

De nadere zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door mr. J. Coenen, waarnemend voor mr. Gruijl;

een vertegenwoordiger van de GI;

de pleegouders,

de oma van [minderjarige] .

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een brief geschreven aan de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2. De feiten

De moeder heeft het gezag over [minderjarige] .

Bij beschikking van 10 juli 2020 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI en is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend voor twee weken, met ingang van 10 juli 2020 en tot 24 juli 2020.

Bij beschikking van 23 juli 2020 is de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 10 oktober 2020. Tevens is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 14 augustus 2020, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek tot de mondelinge behandeling van 7 augustus 2020.

Bij beschikking van 5 augustus 2020 is het resterende deel van het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] afgewezen. Tevens is het primaire verzoek van de moeder toegewezen, in die zin dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] is bekort tot 6 augustus 2020.

Bij beschikking van 10 september 2020 is [minderjarige] met spoed, zonder voorafgaand horen van de belanghebbenden, uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg voor twee weken, met ingang van 10 september 2020 en tot 24 september 2020.

Bij beschikking van 23 september 2020 is [minderjarige] onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 23 september 2020 en tot 23 september 2021. Tevens is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 23 september 2020 en tot 23 maart 2021, onder aanhouding van het resterende deel.

Bij beschikking van 3 december 2020 is bepaald dat, onder voorbehoud van financiering, de moeder en de minderjarige [minderjarige] gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar iedere week op woensdagmiddag in het [gezinshuis] in [plaats] , onder begeleiding van een medewerker van het gezinshuis, waarbij het contact de ene week één uur en de andere week twee uren zal duren.

Bij beschikking van 9 maart 2022 is de beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, van 3 december 2020 gewijzigd en is bepaald dat [minderjarige] en de moeder gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar één keer per twee weken op zaterdag, startende vanaf 19 maart 2022, voor de duur van drie uur.

Bij beschikking van 3 oktober 2023 zijn de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 5 januari 2024.

Bij beschikking van 20 december 2023 zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 5 januari 2025. Voorts is bij beschikking van 20 december 2023 de beschikking van 9 maart 2022 gewijzigd en is bepaald dat [minderjarige] de moeder gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar één keer per twee weken voor de duur van minimaal twee uur, waarbij het ene bezoek plaatsvindt bij de moeder thuis en de pleegouders zorgdragen voor het vervoer en de andere keer het bezoek plaatsvindt bij de pleegouders thuis waarbij de moeder zelfstandig reist naar het pleeggezin. De dag van de omgang bij de moeder thuis vindt in beginsel plaats op de maandag en onder begeleiding van SDW. Het andere bezoek vindt plaats bij de pleegouders thuis onder begeleiding van de pleegouders.

Bij beschikking van 20 december 2024 zijn de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 5 januari 2026.

Bij beschikking van 25 februari 2025 heeft de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing van 9 december 2024 vervallen verklaard. Tevens heeft de kinderrechter bepaald dat de moeder zich tijdens gezamenlijke gesprekken met de GI, de pleegouders en de pleegzorgbegeleider ter ondersteuning mag laten bijstaan door haar advocaat, waarbij de moeder de gesprekspartner van de GI, pleegouders en de pleegzorgbegeleider blijft, maar haar advocaat zo nodig ter ondersteuning van de moeder ook het woord mag voeren en bepaalt dat de GI zo snel als mogelijk en uiterlijk binnen drie maanden opdracht moet geven aan een onafhankelijke organisatie om te werken aan herstel van de samenwerking tussen de moeder en de pleegouders door middel van goede afspraken en bemiddeling.

Bij beschikking van 18 december 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 5 januari 2026 tot 5 juli 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.

Op grond van eerdergenoemde machtiging verblijft [minderjarige] bij de pleegouders.

3. Het resterende verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van een jaar.

De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Op dit moment ligt ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin voor de periode tot 5 januari 2027.

4. De nadere standpunten

De GI handhaaft tijdens de zitting het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . Volgens de GI ontwikkelt [minderjarige] zich goed binnen het pleeggezin waar hij inmiddels al zes jaar woont en waar zijn perspectief ligt. Hoewel de samenwerking tussen de moeder en de pleegouders moeizaam verloopt en [minderjarige] daarvan last heeft, vindt de GI een nieuwe overplaatsing niet in zijn belang. De GI vindt een onderzoek naar de oma als pleegouder van [minderjarige] niet wenselijk omdat [minderjarige] daardoor opnieuw onzekerheid zou kunnen ervaren over zijn verblijfplaats. [minderjarige] zegt al veel langer dat hij het contact met moeder wil minderen.

Door en namens de moeder wordt tijdens de zitting ingestemd met een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden. De moeder stelt echter dat de huidige plaatsing in het pleeggezin door de aanhoudende spanningen tussen de moeder en de pleegouders niet langer in het belang van [minderjarige] is. Volgens de moeder raakt [minderjarige] hierdoor steeds verder klem in een loyaliteitsconflict. Zij verzoekt de kinderrechter daarom de GI op te dragen onderzoek te doen naar een plaatsing van [minderjarige] bij oma als netwerkpleegouder van [minderjarige] .

De pleegouders geven tijdens de zitting aan dat [minderjarige] zich goed ontwikkelt, zich veilig voelt in hun gezin en heeft aangegeven bij hen te willen blijven wonen. Zij erkennen dat de communicatie met de moeder moeizaam verloopt, maar stellen dat zij zich steeds hebben ingezet om deze te verbeteren. Dat is echter niet gelukt. Een overplaatsing van [minderjarige] naar een ander pleeggezin vinden zij niet in het belang van [minderjarige] omdat dit zijn stabiliteit en hechting opnieuw zou doorbreken. Een onderzoek naar overplaatsing vinden zij evenmin in het belang van [minderjarige] omdat hij dan opnieuw veel onzekerheid gaat voelen terwijl het nu goed gaat met hem. De pleegouders zijn altijd bereid [minderjarige] te brengen en halen naar de contactmomenten met de moeder.

[minderjarige] geeft in zijn brief aan de kinderrechter aan dat hij het liefst de contactregeling met zijn moeder wil aanpassen naar een keer per vier weken in plaats van een keer per twee weken. Hij heeft deze wens ook al met zijn moeder besproken. Daarnaast geeft [minderjarige] duidelijk aan dat hij niet meer bij zijn moeder wil wonen. Hij voelt zich prettig, veilig en op zijn gemak bij de pleegouders en wil daar blijven wonen. [minderjarige] vindt dat de pleegouders beslissingen over hem moeten kunnen nemen zonder hiervoor steeds toestemming van zijn moeder te hoeven vragen omdat hij bij hen woont en zij dagelijks voor hem zorgen. Tot slot zegt [minderjarige] geen last te hebben van het beperkte contact tussen de pleegouders en zijn moeder. Hij geeft aan dat de pleegouders hem altijd naar de contactmomenten met zijn moeder brengen.

5. De nadere beoordeling

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is het de kinderrechter gebleken dat de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] nog niet is weggenomen. Hoewel het goed met hem gaat binnen het pleeggezin en hij daar stabiliteit, rust en voorspelbaarheid ervaart, is er nog steeds sprake van een loyaliteitsconflict ondanks de vele inspanningen van beide kanten en hulp daarbij . Dit loyaliteitsconflict hangt samen met de aanhoudende spanningen en het gebrek aan samenwerking tussen de moeder en de pleegouders. Hierdoor bestaat het risico dat [minderjarige] zich tussen de pleegouders en de moeder geplaatst voelt en zich onvoldoende vrij kan ontwikkelen. De kinderrechter vindt het belangrijk dat [minderjarige] niet wordt belast met deze loyaliteitsproblematiek en dat hij de ruimte krijgt om een onbelaste relatie met de voor hem belangrijke volwassenen te hebben.

De kinderrechter ziet daarnaast nog zorgen over de moeder. Hoewel zij stappen heeft gezet en betrokken blijft bij [minderjarige] , is onvoldoende gebleken dat zij op dit moment in staat is hem de stabiliteit en opvoedingscontinuïteit te bieden die hij nodig heeft. [minderjarige] verblijft inmiddels al jarenlang in het pleeggezin waar hij zich goed ontwikkelt en waar sprake is van een stabiel opvoedingsklimaat. Een terugplaatsing naar de moeder is daarom op dit moment niet in zijn belang. Het belang van continuïteit en stabiliteit weegt op dit moment zwaarder dan een wijziging van zijn opvoedperspectief.

Gelet op het voorgaande vindt de kinderrechter een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk. De kinderrechter zal de verzochte machtigingen dan ook toewijzen voor de resterende duur van zes maanden.

De kinderrechter vindt het nu niet aangewezen om de GI onderzoek te laten doen naar de voor- en nadelen en mogelijkheden van een overplaatsing. [minderjarige] zou nu niet geconfronteerd mogen worden met (gedachten over) een eventuele overplaatsing omdat dit hem zou kunnen schaden. De GI hoeft daarom geen pleegzorg screeningsonderzoek bij de oma van [minderjarige] uit te zetten omdat dit nu niet aan de orde is.

Wel verwacht de kinderrechter van de GI dat zij gedurende de komende zes maanden een zorgvuldig en onderbouwd standpunt inneemt over de loyaliteitsproblematiek van [minderjarige] in relatie tot zijn welzijn zoals zich dat nu toont bij pleegouders. Daarbij dient de GI in kaart te brengen welke interventies nodig en mogelijk zijn om de mogelijke ontwikkelingsbedreiging vanuit het loyaliteitsconflict te verminderen. De GI dient zich daarbij een duidelijk standpunt te vormen over wat op dit moment het meest in het belang van [minderjarige] is. Daarbij dient de GI onder meer te beoordelen of het in zijn belang is dat hij in het huidige pleeggezin opgroeit ondanks het loyaliteitsconflict (waarbij dit zoveel mogelijk wordt verminderd en begeleid of dat andere interventies noodzakelijk zijn om dat doel te bereiken). De kinderrechter heeft daarbij de mogelijkheid van parallel solo ouderschap genoemd zodat de moeder en de pleegouders ieder vanuit hun eigen rol invulling kunnen geven aan de opvoeding en het contact met [minderjarige] , zonder dat hij wordt belast met hun onderlinge spanningen. Indien gewenst kan de GI de Raad bij het vormen van haar standpunt betrekken. [minderjarige] dient bij het vormen van het standpunt niet te worden betrokken of belast met de vraag waar hij zal opgroeien.

De kinderrechter verwacht van de GI dat zij uiterlijk 7 december 2026 bij de rechtbank een schriftelijk verslag indient over hetgeen in rechtsoverweging 5.6. is opgenomen.

Uitvoerbaar bij voorraad

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6. De verdere beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 5 juli 2026 en tot 5 januari 2027;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 5 juli 2026 en tot 5 januari 2027;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. De Beer, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier, en op schrift gesteld op 2 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand