RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448909 / JE RK 26-982
Datum uitspraak: 26 juni 2026
Beschikking verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING te Eindhoven,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 5 juni 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder,
- de vader,
- een vertegenwoordigster van de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun ouders.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI handhaaft tijdens de zitting het verzoek en merkt op dat de ouders het afgelopen jaar grote stappen hebben gezet en dat er sprake is van een positieve ontwikkeling. De ouders staan open voor de hulpverlening en werken goed mee. Tegelijkertijd vindt de GI dat een verlenging van de ondertoezichtstelling nog noodzakelijk is. De opvoedvaardigheden van de ouders zijn nog onvoldoende in beeld, SDW is nog bezig met de begeleiding en de situatie rondom [minderjarige 2] moet nog worden gemonitord. Daarnaast wil de GI de positieve ontwikkeling waaronder het verminderen van het alcoholgebruik van de vader en de stabiliteit binnen het gezin nog enige tijd volgen voordat de ondertoezichtstelling kan worden beëindigd.
De moeder geeft tijdens de zitting aan dat het thuis stukken beter gaat. De vader is rustiger geworden, de ouders communiceren beter, zij hanteren één lijn in de opvoeding en werken nu goed samen. De moeder vindt de begeleiding van SDW helpend en staat ook open voor de ingezette hulpverlening. Volgens de moeder is het verplichte kader niet langer nodig omdat de ouders vrijwillig meewerken en zich blijven inzetten voor de kinderen. Wel ziet zij ook in dat wat extra aandacht voor [minderjarige 2] voor de komende periode nuttig is.
De vader voert aan dat hij hard heeft gewerkt aan zichzelf in de afgelopen periode. Hij heeft zijn werkstraf afgerond, volgt een agressie-regulatie training, heeft geleerd beter met zijn emoties om te gaan en drinkt aanzienlijk minder alcohol. Volgens hem is de thuissituatie echt verbeterd, is er meer rust in het gezin en communiceren de ouders beter met elkaar en met de kinderen. De vader vindt daarom dat de ondertoezichtstelling kan worden beëindigd omdat de ouders het afgelopen jaar zelf voor de positieve veranderingen hebben gezorgd en altijd bereid zijn geweest om aan de nodige hulpverlening mee te werken. Hij vindt een verlenging daarom onnodig en ziet dit als een gebrek aan vertrouwen in de door hen bereikte vooruitgang.
[minderjarige 1] geeft tijdens het gesprek met de kinderrechter aan dat hij vindt dat er weinig hulp is geweest. Alleen de begeleiding van SDW vindt hij helpend. Van de overige hulpverlening merkt hij weinig. Hij vertelt dat het goed met hem gaat op school, dat hij vrienden heeft en dat hij graag bezig is met koken, zwemmen, muziek en kickboksen. Ook gaat hij met plezier naar de zorgboerderij waar hij helpt met de dieren. [minderjarige 1] vindt de situatie thuis verbeterd. Zijn vader is rustiger geworden, er zijn minder ruzies en hij vindt dat de problemen voldoende zijn opgelost. Hij voelt zich prettig bij de huidige verdeling tussen zijn ouders en zijn opa en oma.
[minderjarige 2] merkt tijdens het gesprek met de kinderrechter op dat zij teleurgesteld is in de hulpverlening. De hulpverleners hebben weinig contact met haar en haar broer gehad, kwamen afspraken niet na en waren slecht bereikbaar. Volgens haar hebben zij de problemen vooral zelf opgelost. Zij vertelt dat het thuis inmiddels beter gaat omdat haar vader rustiger is geworden en er minder ruzies zijn. [minderjarige 2] vindt de huidige verdeling van haar verblijf tussen haar ouders en haar opa en oma prettig. Zij gaat met plezier naar school, heeft veel vriendinnen en geniet van haar hobby's, zoals boogschieten, gitaar spelen en creatieve activiteiten.
5. De beoordeling
Het wettelijk kader
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
De beoordeling
Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat het verzoek van de GI dient te worden toegewezen nu voldaan wordt aan de wettelijke criteria zoals hierboven vermeld. Dit betekent dat het verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling zal worden toegewezen voor de duur van zes maanden. Het resterende deel van het verzoek wordt aangehouden. De kinderrechter zal deze beslissing hierna toelichten.
De kinderrechter is van oordeel dat er nog steeds sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderen zijn in het verleden getuige geweest van huiselijk geweld en zijn belast geraakt door de langdurige spanningen tussen de ouders. [minderjarige 1] heeft een beschermende rol ten opzichte van zijn moeder ontwikkeld en bij [minderjarige 2] bestaan er nog zorgen over haar sociaal-emotionele ontwikkeling en haar schoolgang. Hoewel de situatie binnen het gezin aanzienlijk is verbeterd, heeft de kinderrechter nog zorgen over de bestendigheid van deze positieve ontwikkeling. De ouders hebben grote stappen gezet in hun onderlinge communicatie en opvoeding. De vader heeft aantoonbaar gewerkt aan zijn agressieregulatie en alcoholgebruik en de moeder ervaart meer rust en stabiliteit. De kinderrechter vindt het echter nog te vroeg om ervan uit te gaan dat deze positieve ontwikkeling duurzaam is, ook gelet op de voorgeschiedenis en het feit dat een terugval ten aanzien van het alcoholgebruik van de vader niet kan worden uitgesloten.
De kinderrechter is daarom van oordeel dat de ondertoezichtstelling moet worden verlengd voor de verzochte duur van zes maanden onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Deze periode biedt de gelegenheid om te beoordelen of de positieve ontwikkelingen zich voortzetten en of de veiligheid en stabiliteit binnen het gezin blijvend zijn gewaarborgd. Daarbij is het van belang dat indien zich er opnieuw zorgen voordoen de GI nog de noodzakelijke regie kan voeren en tijdig kan ingrijpen. In de komende periode moet de hulpverlening vanuit SDW worden voortgezet en kan worden beoordeeld of de positieve ontwikkelingen binnen het gezin bestendig zijn. Daarbij dient er in het bijzonder aandacht te blijven voor de opvoedvaardigheden van de ouders, de ontwikkeling van [minderjarige 1] , de schoolgang en sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige 2] en het vasthouden van de ingezette positieve veranderingen. Pas wanneer blijkt dat de ouders deze situatie duurzaam zelfstandig kunnen voortzetten, kan de ondertoezichtstelling worden beëindigd.
De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk half december 2026 een kort schriftelijk verslag aan de rechtbank toe te zenden. In dit verslag dient de GI de actuele stand van zaken ten aanzien van de ontwikkelingsbedreiging, de behaalde doelen en de resterende aandachtspunten aan te geven. Daarnaast dient de GI daarbij het gewenste procesverloop kenbaar te maken en daarbij aan te geven of een nieuwe zitting nog nodig is of dat de zaak wellicht verder schriftelijk kan worden afgedaan.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van zes maanden, te weten met ingang van 18 juli 2026 en tot 18 januari 2027;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt het resterende deel van het verzoek verlenging ondertoezichtstelling aan tot een pro forma nader te bepalen zitting begin januari 2027, bij de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, Kousteensedijk 2, 4331 JE;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier, en op schrift gesteld op 2 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.