RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448628 / JE RK 26-924
Datum uitspraak: 26 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een opheffing ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 mei 2026;
de email van de vader van 14 juni 2026;
de email van de moeder van 15 juni 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
een vertegenwoordiger van de GI via teams-verbinding;
een vertegenwoordigster van de Raad.
De vader en de moeder zijn met bericht van afwezigheid niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij de moeder.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] op te heffen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
Door de GI is middels het verzoek en op de zitting, kort samengevat, aangevoerd dat in januari 2026 door de stichting Jeugdbescherming Brabant en het Landelijk Expertiseteam Jeugdbescherming (hierna: LET), die destijds de ondertoezichtstelling uitvoerden, is vastgesteld dat de doelen van de ondertoezichtstelling zijn behaald. Zij hebben toen verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden, enkel ter monitoring van de ingezette positieve lijn. Dit verzoek is op 4 maart 2026 door de kinderrechter toegewezen, waarbij is overwogen dat in die periode moest worden gewerkt aan overdacht naar het vrijwillige kader. Voorts is op 22 april 2026 de GI aangewezen als voogdijinstelling, aangezien de samenwerking tussen de voogden van het LET en de vader dermate was verbeterd en een reguliere gezinsvoogdijinstelling weer passend werd bevonden. De ouders hebben hierop aangegeven het niet te zien zitten om kennis te maken met een nieuwe jeugdbeschermer terwijl er geen concrete doelen meer waren om aan te werken en het einde van de ondertoezichtstelling nadert. Gelet op voorgaande en de nog korte periode tot het aflopen van de ondertoezichtstelling, achten de GI en het LET opheffing van de ondertoezichtstelling op zijn plaats. Het LET heeft hierover samen met diens gedragswetenschapper een veiligheidsbeoordeling gemaakt.
De GI merkt hier inhoudelijk bij op dat het goed gaat met [minderjarige] . Ze is vrolijk, gaat graag naar school en naar de vader en is gestart met speltherapie. De ouders hebben een goede samenwerking bereikt, en kunnen de hulp inschakelen van [hulpverlening] wanneer zij ergens tegen aan lopen. [hulpverlening] is betrokken geweest bij het opstelling van het ouderschapsplan, en heeft geassisteerd in het contactherstel tussen [minderjarige] en de vader. Dit alles is naar tevredenheid verlopen. Weliswaar is de moeder ernstig ziek, zij heeft een sterk netwerk die de zorg- en opvoedingstaken van de moeder over kunnen nemen wanneer dit nodig is. Het contact tussen de ouders is zelfs zodanig verbeterd dat ook de vader hierin iets kan betekenen. De GI handhaaft het verzoek.
Door de Raad is op de zitting, kort samengevat, aangevoerd de overdracht van de ondertoezichtstelling van het LET naar de GI een bijzondere constructie te vinden. Het had meer voor de hand gelegen als het LET de laatste periode van de ondertoezichtstelling had afgemaakt. De Raad merkt op dat gegeven het dossier zij er niet 100 % van overtuigd is dat de ouders contact opnemen met [hulpverlening] wanneer dit aangewezen is. De Raad wil hierom aan de hulpverlening in het vrijwillige kader ( [hulpverlening] ) meegeven dat zij ook een monitoringsfunctie en een terugmeldingsfunctie dienen aan te nemen. [hulpverlening] dient tussendoor te blijven toetsen of de ouders de positieve lijn doorzetten.
De ouders hebben beide afzonderlijk middels email aangegeven zich te kunnen vinden in het verzoek van de GI.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:261 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling opheffen indien de grond, als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW niet langer is vervuld. De kinderrechter kan dit doen op verzoek van de GI die het toezicht heeft. Indien deze GI niet tot een verzoek overgaat, zijn de Raad, een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder bevoegd tot het doen van het verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter constateert dat de destijds binnen de ondertoezichtstelling geformuleerde hulpverleningsdoelen zijn bereikt. [minderjarige] heeft veilig en onbelast contact met beide ouders, het contact met de vader is weer hersteld en zij gaat hier graag naartoe. De ouders hebben elkaar ook weer gevonden in het ouderschap. Zij kunnen samen communiceren en afspraken maken in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] ontwikkelt zich goed, ze is vrolijk, gaat graag naar school en naar de vader en is gestart met speltherapie. Niet langer sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] .
De kinderrechter constateert voorts dat de Raad – zij het met een kritische noot – zich kan vinden in het verzoek van de GI.
Op grond van het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor de opheffing van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter zal het verzoek daarom toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige] opheffen met ingang van heden.
De kinderrechter merkt hierbij wel op het eens te zijn met de Raad dat het wenselijk is dat de in het vrijwillige kader betrokken hulpverlening, zijnde [hulpverlening] c.q. de speltherapeut van [minderjarige] , actief mee kijken of de ouders hun ingezette stijgende lijn kunnen vasthouden, en dat indien dit niet het geval is zij een terugmelding zullen doen bij de Raad.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De kinderrechter:
heft de ondertoezichtstelling van [minderjarige] op met ingang van 26 juni 2026.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier, en op schrift gesteld op 9 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.