ECLI:NL:RBZWB:2026:6938

ECLI:NL:RBZWB:2026:6938

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 07-07-2026
Datum publicatie 27-07-2026
Zaaknummer C/02/437375 FA RK 25-3491 en C/02/441981 FA RK 25-5900
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Echtscheiding. Beroep op verdiencapaciteit vrouw bij kinderalimentatie afgewezen. Man niet onderbouwd minder winst uit onderneming door wet DBA. Gerekend met gemiddelde winst afgelopen drie jaar. Geen correctie woonbudget. Spoorboekje vastgesteld.

Uitspraak

2. De feiten

Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:

- zij zijn op 12 juli 2013 in de gemeente Dordrecht met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen;

- uit hun huwelijk zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren:

1. [minderjarige 1] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2011,

2. [minderjarige 2] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2014;

- zij hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over een ouderschapsplan;

- zij hebben de Nederlandse nationaliteit;

- hun huwelijk is duurzaam ontwricht.

3. De verzoeken

De vrouw verzoekt, samengevat,

- echtscheiding;

- bepaling dat de minderjarigen hun hoofdverblijf zullen hebben bij haar;

- vaststelling van een zorgregeling conform het nog nader door haar in te brengen voorstel;

- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor de minderjarigen van € 633,= per maand per kind;

- vaststelling van een door de man aan haar te betalen onderhoudsbijdrage van

€ 2.000,= per maand;

- bepaling dat zij bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning voort te zetten;

- gelasten van de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke goederen zoals door haar voorgesteld in haar aanvullend verzoek, en daarbij te bepalen welk bedrag de rechthebbende wegens overbedeling van de andere partij moet ontvangen, te bepalen op welke wijze de betaling zal moeten plaatsvinden en te bepalen dat de man over het aan haar verschuldigde bedrag een wettelijke rente verschuldigd zal zijn vanaf de datum van de beschikking tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeling van de man tot voldoening aan haar van een bedrag van € 11.250,= (schaalmodelauto’s), althans een nader door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf de dag van afgifte beschikking tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeling van de man tot voldoening aan haar van een bedrag van € 65.000,= (overbedeling onderneming), althans een nader door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van indiening van dit verzoek tot aan de dag der algehele voldoening.

De man verzoekt, samengevat,

- echtscheiding;

- bepaling dat de minderjarigen hun hoofdverblijf zullen hebben bij hem, onder vaststelling van een gelijkwaardige verdeling van de zorgtaken conform een door partijen voor de zitting in te dienen gezamenlijk ouderschapsplan;

- vaststelling van een door hem te betalen onderhoudsbijdrage voor de minderjarigen van € 739,= per maand voor beide kinderen;

- gelasten van de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke goederen zoals verzocht onder VII. in zijn verweerschrift op aanvullend verzoek van 1 juni 2026;

- bij toewijzing van het voortgezet gebruik van de woning aan de vrouw vaststelling van een door de vrouw te betalen vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning van € 830,58 per maand;

- te verklaren voor recht dat de belastingschulden gemeenschapsschulden zijn en dat de vrouw gehouden is de helft daarvan te dragen;

- voor 2024 voor recht te verklaren dat hij een vergoedingsvordering heeft van

€ 44.538,= op de vrouw, primair op grond van artikel 1:96 lid 4 BW, subsidiair artikel 1:100 lid 2 BW jo. artikel 6:10 lid 2 BW, meer subsidiair artikel 3:172 BW, en de vrouw te veroordelen dit bedrag aan hem te voldoen, althans dit bedrag te verrekenen met hetgeen hij aan de vrouw verschuldigd zal zijn uit hoofde van de verdeling;

- voor 2025 de vermoedelijke belastingschuld van € 42.615,= toe te rekenen aan

hem onder de voorwaarde dat de vrouw de helft aan hem voldoet ad € 21.307,50 en

dat dit bedrag wordt verrekend met hetgeen hij aan de vrouw verschuldigd is uit

hoofde van de verdeling;

- de nog terug te betalen coronasteun per peildatum ad € 6.827,= toe te delen aan hem onder de voorwaarde dat de vrouw de helft aan hem voldoet ad

€ 3.413,50 en dat dit bedrag wordt verrekend met hetgeen hij aan de vrouw

verschuldigd is uit hoofde van de verdeling.

4. De beoordeling

Echtscheiding

Beide partijen verzoeken de rechtbank de echtscheiding uit te spreken. De rechtbank acht partijen ontvankelijk in hun echtscheidingsverzoek. Hoewel er geen door beide partijen ondertekend ouderschapsplan is ingediend, hebben partijen zoals onderstaand zal blijken inmiddels overeenstemming over het hoofdverblijf van de kinderen en zullen partijen gaan starten met systeemtherapie, onder meer voor het verbeteren van de oudercommunicatie.

Het verzoek tot echtscheiding zal als op de wet gegrond en over en weer niet weersproken worden toegewezen.

Hoofdverblijf

Tijdens de zitting stemt de man in met het verzoek van de vrouw om het hoofdverblijf van de kinderen bij haar te bepalen. Gelet op de instemming van de man wijst de rechtbank het verzoek van de vrouw toe. Voor de rechtbank is ook niet gebleken dat het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw niet in hun belang zou zijn. Het verzoek van de man wordt daarmee afgewezen.

Zorgregeling

De huidige feitelijke situatie is dat de vrouw met de kinderen verblijft in de echtelijke woning in [plaats 1] en dat de man een appartement huurt in Breda. Beide partijen zijn afkomstig uit [plaats 3] en hebben daar eerder samen met de kinderen gewoond. Zij hebben allebei het voornemen om terug te verhuizen naar [plaats 3] dan wel regio [plaats 4] . Omdat partijen het gezamenlijk gezag hebben over hun kinderen, is voor een dergelijke beslissing de instemming nodig van beide partijen. Partijen geven elkaar die instemming reeds thans op voorhand zodat beide partijen zich in deze regio kunnen gaan vestigen zodra zij beschikken over passende woonruimte.

In de beschikking voorlopige voorzieningen van 17 september 2025 zijn partijen een zorgregeling overeengekomen waarbij de kinderen in de oneven weken van vrijdag 16.30 uur tot zondag 19.00 uur bij de man verblijven, en iedere vrijdag van 7.00 uur tot 16.30 uur komt de man naar de echtelijke woning toe om voor de kinderen te zorgen.

Tijdens de zitting geven partijen aan dat voornoemde voorlopige voorzieningenregeling in de praktijk is gewijzigd. De huidige regeling is dat de kinderen in de even weken van vrijdag tussen 20.00 uur en 21.00 uur (na het sporten van [minderjarige 2] ) naar de man toe gaan tot zondag 19.00 uur. Het contact iedere vrijdag overdag is vervallen. Dit omdat de vrouw op die dag niet meer werkt en ziek thuis is.

De rechtbank heeft tijdens de zitting met partijen en de Raad besproken dat het lastig is, voor zowel partijen in het overleg, als voor de rechtbank om te kunnen beslissen over een definitieve zorgregeling. Dit omdat partijen allebei nog moeten gaan verhuizen en de hulpverlening voor partijen en voor de kinderen nog in de beginfase zit.

Partijen hebben daarop de afspraak gemaakt dat zodra zij allebei zijn verhuisd (en mede afhankelijk van de uitkomst van de hulpverlening) zij in alle openheid zullen proberen om samen afspraken te maken over welke zorgregeling dan mogelijk is (uitgaande van een situatie dat partijen dicht bij elkaar wonen). Dit betekent niet dat een van partijen zijn rechten prijsgeeft. Partijen zijn het erover eens dat de verhuizing een wijziging van omstandigheden in de zin van de wet is. Er is dus altijd de mogelijkheid dat als partijen er samen niet uitkomen, de meest gerede partij zich wendt tot de rechtbank voor een (definitieve) beslissing over de zorgregeling met ingang van het moment dat een van beide ouders in de regio [plaats 4] woonachtig is.

De rechtbank zal voor nu wel beslissen over de regeling die geldt totdat de woonsituatie van beide partijen is gewijzigd en partijen nog geen andersluidende definitieve afspraken hebben gemaakt. De man heeft er namelijk moeite mee dat de voorlopige voorzieningenregeling beperkt is en hij wenst dat deze wordt hervat, waarbij hij vindt dat in de week dat de weekendregeling niet geldt er in ieder geval ook een contactmoment moet zijn tussen hem en de kinderen.

De rechtbank volgt het advies van de Raad dat het in het belang is van de kinderen dat er in de week dat de weekendregeling niet geldt een contactmoment is tussen de man en de kinderen. Ook om de continuïteit in de regeling te bewaren. Van dit extra contactmoment was ook sprake in de voorlopige voorzieningenregeling. Hoewel [minderjarige 2] op dit moment wat weerstand lijkt te vertonen richting de man, verwacht de Raad dat gelet op de hulp die [minderjarige 2] zal krijgen zijn mening nog zal veranderen. [minderjarige 2] heeft aangegeven dat hij op dit moment niet langer dan een hele week naar de man toe wil, maar daar is bij deze regeling geen sprake van en zoals onderstaand zal blijken is daar bij de verdeling van de zomervakantie dit jaar ook rekening mee gehouden. De rechtbank ziet geen reden waarom de regeling niet uitgebreid zou kunnen worden.

De rechtbank zal de volgende regeling bepalen

- de kinderen verblijven bij de man in de even weken van vrijdag 18.30 uur (na het avondeten) tot zondag 19.00 uur;

- in de andere week op vrijdag vanaf 14.30 uur (als [minderjarige 2] uit school is) tot 19.00 uur (de man brengt [minderjarige 2] naar zijn sporttraining toe en brengt [minderjarige 1] naar de vrouw toe).

Gelet op voornoemde beslissing over de zorgregeling, wijst de rechtbank het verzoek van de man tot een gelijkwaardige zorgregeling en het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een regeling waarbij de kinderen in de even weekenden van vrijdag 20.30/21.00 uur (na sporten [minderjarige 2] ) tot en met zondag 19.00 uur bij de man verblijven, af. Zoals in 4.6. is overwogen geeft geen van partijen zijn rechten prijs en zullen partijen als zij zijn verhuisd samen in gesprek gaan over een regeling die dan het meest passend is.

Vakanties

De vrouw heeft als productie 35 een voorstel ingediend voor de verdeling van de vakanties en feestdagen. Tijdens de zitting is dit voorstel besproken. Over de meivakantie en de komende zomervakantie zijn partijen het eens geworden. Over de andere vakanties zal de rechtbank beslissen.

Voorjaars- en herfstvakantie

De vrouw stelt voor dat deze vakanties zo worden verdeeld, dat ieder zijn/haar eigen weekend behoudt en dat de doordeweekse dagen om het jaar worden gewisseld. In de even jaren zijn de kinderen de doordeweekse dagen in de herfstvakantie bij de man en in de voorjaarsvakantie bij haar (in de oneven jaren is dit omgewisseld).

De man stelt voor dat de kinderen de gehele week bij één ouder verblijven, zodat die ouder ook op vakantie kan in die week. En dan de voorjaars- en de herfstvakantie om en om te verdelen.

De rechtbank volgt het voorstel van de man en zal bepalen dat:

- in de even jaren de kinderen in de voorjaarsvakantie bij de vrouw verblijven (en in de oneven jaren bij de man);

- in de even jaren de kinderen in de herfstvakantie bij de man verblijven (en in de oneven jaren bij de vrouw),

waarbij de week zal beginnen om zaterdag 10.00 uur tot de zaterdag daarop 10.00 uur. Deze verdeling wordt het meest in het belang van de kinderen geacht.

Meivakantie

De man stemt in met het voorstel van de vrouw over de meivakantie. De regeling houdt in als volgt:

- tijdens de meivakantie verblijven de kinderen de eerste week bij een ouder vanaf vrijdagavond tot en met zaterdag 18.00 uur (in het midden van de vakantie);

- vervolgens verblijven de kinderen van zaterdag 18.00 uur tot en met zondag 19.00 uur in het laatste weekend bij de andere ouder;

- de man is in de meivakantie jarig. De kinderen verblijven ieder jaar in de meivakantie bij de man in de week waarin hij jarig is en de andere week verblijven zij dan bij de vrouw (waarbij de weken zijn opgesplitst zoals hiervoor genoemd).

Zomervakantie

Partijen zijn voor de zomervakantie van dit jaar, in 2026, overeengekomen dat gelet op de situatie en wens van [minderjarige 2] , de zomervakantie zo wordt verdeeld dat de kinderen om en om één week bij een ouder verblijven. De rechtbank stelt het wisselmoment vast op vrijdag om 18.00 uur.

Over de verdeling van de zomervakanties in de jaren daarna hebben partijen geen overeenstemming. De man is voor dit jaar akkoord, maar niet met de verdeling op die manier voor de jaren daarna. Hij wil in ieder geval een verdeling van 2-1-2-1 zodat het mogelijk is om op vakantie te gaan met de kinderen. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen de verdeling van de toekomstige zomervakanties nog nader samen zullen bespreken. Mogelijk kan dit ook bij de hulpverlening. De rechtbank overweegt wel dat het uitgangspunt zou moeten zijn dat de zomervakantie bij helfte wordt verdeeld, waarbij een 2-1-2-1 verdeling het minimale zou moeten zijn zodat beide ouders een langere tijd met de kinderen weg kunnen naar het buitenland.

Kerstvakantie

De vrouw stelt voor dat partijen de kerstvakantie in onderling overleg bij helfte verdelen. Dit omdat beide kinderen in deze vakantie jarig zijn, en de kerstdagen en oud en nieuw verdeeld moeten worden.

De man wil het liefst de vakantie verdelen, ieder een week, zodat hij dan met de kinderen op vakantie zou kunnen.

De rechtbank zal de verdeling van de kerstvakantie als volgt bepalen nu deze in hun belang geacht wordt:

- de kinderen verblijven in de even jaren vanaf de start van de vakantie, dus uit school, tot en met eerste kerstdag bij de vrouw, en vanaf tweede kerstdag om 10.00 uur bij de man tot nieuwjaarsdag 10.00 uur, en dan bij de vrouw tot het einde van de vakantie.

(oneven jaren omgedraaid)

De rechtbank zal bovenstaande verdeling van de vakanties in het dictum vastleggen. De andersluidende verzoeken van de vrouw wijst de rechtbank af. Het staat partijen uiteraard vrij om in onderling overleg af te wijken van de beslissing van de rechtbank. Partijen moeten het daar dan wel allebei over eens zijn.

Kinderalimentatie

Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.

Behoefte minderjarigen

Bij de berekening van kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dit wordt ook wel de ‘behoefte’ van het kind genoemd. Het uitgangspunt bij het becijferen van deze behoefte is het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen.

Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de kinderen € 850,= per maand per kind bedraagt in 2025. Dit bedrag volgt uit de tabel eigen aandeel kosten van kinderen bij een gemaximeerd gezinsinkomen van € 7.500,= netto per maand. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt die totale behoefte € 1.778,20 per maand in 2026, zijnde afgerond € 889,= per maand per kind.

Draagkracht vrouw

Vervolgens moet worden berekend wat het aandeel van partijen is in de behoefte van de kinderen. Dit wordt ook de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. De rechtbank sluit daarvoor aan bij ieders huidig netto besteedbaar inkomen. De draagkracht van partijen wordt daarna vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in de eerder genoemde aanbevelingen.

De vrouw heeft als productie 28 een draagkrachtberekening ingediend. Daaruit volgt een draagkracht van € 124,= per maand. Dit is gebaseerd op de Ziektewetuitkering die zij sinds 10 maart 2026 ontvangt en rekening houdend met een bedrag aan kindgebonden budget. De man betwist de ingediende berekening niet en ook niet het feit dat de vrouw nu een uitkering ontvangt. Wel stelt hij zich op het standpunt dat de vrouw uiteindelijk weer een hoger inkomen moet kunnen genereren en doet hij - naar de rechtbank begrijpt - een beroep op de verdiencapaciteit van de vrouw, vanaf een door de rechtbank te bepalen datum.

De rechtbank overweegt dat bij het aannemen en rekenen met een verdiencapaciteit bij de vrouw als verzorgende ouder terughoudendheid past. Als de vrouw niet (onmiddellijk) in staat is om de haar toegerekende verdiencapaciteit te benutten, komen de gevolgen daarvan voor rekening van de kinderen, want dan wordt niet volledig in hun behoefte voorzien. Dit terwijl het wettelijke uitgangspunt nu juist is dat kinderen behoeftig zijn en zoals hierna blijkt de man en de vrouw samen voldoende draagkracht hebben om in de behoefte te voorzien. De rechtbank gaat in het kader van de kinderalimentatie dan ook voorbij aan het beroep van de man op een (toekomstige) verdiencapaciteit van de vrouw.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank de onweersproken door de vrouw als productie 28 ingediende berekening volgt en de draagkracht van de vrouw bepaald op € 124,= per maand.

Draagkracht man

De man heeft een eenmanszaak met de handelsnaam [eenmanszaak] . Tussen partijen is niet in geschil dat de winst uit onderneming van de man de afgelopen jaren bedroeg:

- € 108.041,= in 2021;

- € 142.168,= in 2022;

- € 169.367,= in 2023;

- € 203.514,= in 2024;

- € 118.507,= in 2025.

Ook is tussen partijen niet in geschil dat 2025 geen representatief jaar is. De man heeft als gevolg van een operatie in dat jaar een tijd niet kunnen werken en de scheiding heeft een rol gespeeld.

Partijen zijn het er niet over eens van welk bedrag aan winst uit onderneming uit te gaan. In hun processtukken zijn partijen hier allebei uitvoerig op ingegaan.

De man stelt primair dat gerekend moet worden met € 100.000,= bruto per jaar. Subsidiair verzoekt hij rekening te houden met een reservering van 10% van de netto-omzet voor opdrachtloze periodes, een AOV-premie en een pensioenreservering van € 300,= per maand. Tijdens de zitting stelt de man subsidiair dat gerekend moet worden met de winst in 2025.

De man stelt dat zijn inkomen in de toekomst lager is dan in de voorgaande jaren en dat om die reden gerekend moet worden met het door hem gestelde inkomen. Hier zijn verschillende oorzaken voor. Hij ondervindt de gevolgen van de Wet DBA. Opdrachtgevers zijn terughoudender geworden in het inhuren van zelfstandigen, de tarieven zijn gedaald, het aantal opdrachten is teruggelopen en opdrachten worden vaker voortijdig beëindigd. Waar hij in eerdere jaren ook meer dan 40 uur per week kon werken, wordt hij in huidige opdrachten geconfronteerd met een maximering op 40 uur per week. Sinds de scheiding ligt daarnaast zijn nadruk meer op de zorg voor de kinderen, waardoor hij ook minder uren kan werken.

Gelet op deze oorzaken, die niet zijn te herleiden tot normale conjuncturele schommelingen, moet de rechtbank rekening houden met zijn actuele lagere inkomen en is een gemiddelde van zijn winst van de afgelopen drie jaren niet representatief. De rechtbank moet ook terughoudendheid betrachten bij het corrigeren van bedrijfseconomische beslissingen van de ondernemer. Hij handelt conform goed koopmansgebruik.

De vrouw voert verweer tegen het standpunt van de man. Zij stelt primair dat uitgegaan moet worden van € 169.367,= bruto per jaar, en subsidiair van € 150.000,= bruto per jaar.

De gemiddelde winst uit onderneming bedroeg de afgelopen drie jaren volgens de vrouw ter zitting € 163.796,= bruto en in de afgelopen vier jaren (2022 tot en met 2025) € 158.389,= bruto. Dat is het feitelijk inkomen dat de man genereert. De zorgtaken die de man heeft zijn niet dusdanig dat hij daardoor zijn werk anders heeft moeten inrichten. Of er sprake is van verlaagde uurtarieven ten opzichte van het verleden is niet te controleren. De man heeft hiervan geen stukken ingediend. Zelfs als je alleen kijkt naar het jaar 2025, bedroeg de winst al € 118.507,= terwijl dat jaar niet representatief is. Het is dan ook niet realistisch om te rekenen met € 100.000,= bruto per jaar. De man heeft ook geen prognoses ingediend en ook geen stukken waaruit de effectieve gevolgen van de wet DBA voor hem blijken. Met reserveringen voor pensioen en een premie voor arbeidsongeschiktheid dient primair geen rekening te worden gehouden, subsidiair met lagere bedragen dan genoemd door de man. Deze lasten zijn er feitelijk niet en ook tijdens het huwelijk van partijen zijn deze voorzieningen nooit getroffen.

De rechtbank overweegt als volgt. Het ligt op de weg van de man om inzicht te verschaffen in zijn bedrijfsvoering en actuele financiële positie en zijn prognose. Hoewel de man stelt dat hij, voornamelijk als gevolg van de wet DBA, niet meer de winst van de afgelopen jaren kan genereren en dit ook niet meer van hem verwacht kan worden, heeft hij dit naar het oordeel van de rechtbank, afgezet tegen de gemotiveerde betwisting van de vrouw, niet onderbouwd.

De man stelt in zijn verweerschrift op zelfstandige verzoeken van 1 juni 2026 zelf dat het jaar 2025 geen representatief jaar was vanwege de scheiding en zijn operatie. Zijn omzet in het tweede kwartaal van 2025 bedroeg naar eigen zeggen slechts € 10.339,= bruto. Desondanks bedroeg zijn winst in 2025 nog steeds € 118.507,= bruto per jaar. De man heeft verder niet met stukken aangetoond waaruit zou moeten blijken dat hij op dit moment en voor de toekomst nog “maar” € 100.000,= bruto per jaar zou kunnen verdienen. Hij heeft geen prognoses ingediend, en evenmin - zoals de vrouw ook aanvoert - stukken waaruit blijkt dat de wet DBA op dit moment concrete gevolgen voor hem heeft, zoals lagere uurtarieven, kortere opdrachten en beperktere uren (in vergelijking met de voorgaande jaren). Ook heeft de man niet aangetoond dat de zorgtaken die hij eerder op de vrijdag had, zijn winst hebben gedrukt.

Tijdens de zitting verklaart de man nog dat hij op dit moment zonder opdracht zit. Op de vraag van de rechtbank of hij overweegt in loondienst te gaan heeft de man geantwoord dat zijn ambitie hoog is en hij uitdaging nodig heeft in zijn werk. Als hij in dienst zou gaan zou hij een salaris kunnen vragen van € 7.000,= bruto per maand (exclusief vakantietoeslag), maar dat inkomen vindt hij eigenlijk te laag. Een inkomen in loondienst zou neerkomen op

€ 90.000,= bruto per jaar. Gelet op de stijging van de winst in de jaren 2022 tot en met 2024, en de naar eigen zeggen hoge ambitie van de man, acht de rechtbank de man ook in staat om meer winst te genereren dan € 100.000,= bruto per jaar.

Daarentegen acht de rechtbank het primaire standpunt van de vrouw om alleen uit te gaan van de winst in 2023 van € 169.367,= bruto niet reëel en representatief.

Het bovenstaande in aanmerking nemende ziet de rechtbank aanleiding om als uitgangspunt te nemen het gemiddelde van de afgelopen drie jaren van € 163.796,= bruto, daarbij rekening houdend met een bedrag dat de man eventueel nodig heeft als buffer. De rechtbank zal voor het bepalen van de draagkracht van de man daarom uitgaan van een winst uit onderneming van € 150.000,= bruto per jaar. In zoverre wordt daarmee het subsidiaire standpunt van de vrouw gevolgd. Met de inhouding van een maandelijks bedrag aan premie arbeidsongeschiktheidsverzekering en een pensioenreservering houdt de rechtbank geen rekening. De man erkent tijdens de zitting dat hij deze lasten niet heeft.

De rechtbank houdt rekening met de toepasselijke ondernemersaftrek (zelfstandigenaftrek) en mkb-winstvrijstelling, en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Verder is de op aanslag te betalen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet in aanmerking genomen.

Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag ter hoogte van € 7.460,= per maand.

De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 2.700,= per maand.

Draagkrachtvergelijking

De verdeling van de kosten van de kinderen over de man en de vrouw wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen, oftewel:

het aandeel van de man bedraagt: € 2.700 / € 2.824 x € 1.778 = € 1.700,=

het aandeel van de vrouw bedraagt: € 124 / € 2.824 x € 1.778 = € 78,=

Zorgkorting

Partijen zijn het eens over toepassing van een zorgkorting van 25%. Nu de behoefte van de kinderen € 1.778,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van

€ 445,= per maand.

Bijdrage man

Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 1.255,= per maand, zijnde € 627,50 per maand per kind.

Partneralimentatie

Huwelijksgerelateerde behoefte

Bij de berekening van de partneralimentatie moet eerst worden vastgesteld welk bedrag de vrouw maandelijks nodig heeft om haar kosten van te kunnen betalen, de zogenoemde ‘huwelijksgerelateerde behoefte’. Voor de vaststelling van die huwelijksgerelateerde behoefte is een vuistregel ontwikkeld, de hofnorm. De hofnorm gaat ervan uit dat ieder van partijen 60% van het voormalig netto besteedbaar gezinsinkomen nodig heeft om na het uiteengaan van te leven, omdat partijen hun kosten niet meer met elkaar kunnen delen.

Partijen zijn het eens over toepassing van deze hofnorm. Voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen.

Vaststaat dat partijen in maart 2025 feitelijk uit elkaar zijn gegaan. De man stelt dat er gerekend moet worden met de inkomsten van partijen in 2025. De vrouw heeft gerekend met de winst uit onderneming van de man in 2023 en met haar inkomen in 2024.

De rechtbank is van oordeel dat de inkomens van partijen in 2025 niet bepalend waren voor het gezinsinkomen, aangezien partijen begin van dat jaar al gescheiden zijn gaan leven. Ook acht de rechtbank het aan de zijde van de man niet representatief om enkel te rekenen met zijn winst uit onderneming in 2023.

De rechtbank ziet daarom aanleiding om het gezinsinkomen te bepalen op basis van de gemiddelde inkomsten van partijen in 2022 tot en met 2024 (en rekent met de tarieven 2024-2).

De gemiddelde bruto winst uit onderneming over de jaren 2022 tot en met 2024 van de man bedroeg € 171.683,= per jaar (€ 142.168,= + € 169.367,= + € 203.514,= / 3)

In fiscale zin houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde ondernemersaftrek (zelfstandigenaftrek) en mkb-winstvrijstelling, en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Verder is de op aanslag te betalen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet in aanmerking genomen.

Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man ten tijde van de samenleving op een bedrag van € 8.500,= per maand.

Uit de ingediende aangiften 2022 tot en met 2024 volgt dat het gemiddelde inkomen van de vrouw € 15.429,= bruto per jaar bedroeg (€ 11.219,= + € 12.317,= + € 22.751,=).

In fiscaal opzicht wordt rekening gehouden met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.

Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de vrouw ten tijde van de samenleving op een bedrag van € 1.286,= per maand.

Het NBGI van partijen ten tijde van de samenleving komt dan op € 9.786,= per maand.

Van dit bedrag moeten de kosten van de kinderen eraf worden gehaald. In 2024 is voor het bepalen van de behoefte van de kinderen de behoeftetabel gemaximeerd bij een gezinsinkomen van € 6.000,= of meer. De kosten van de kinderen zouden dan € 1.470,= per maand bedragen. In 2025 is bij de behoeftetabel de inkomensgrens verhoogd tot € 7.500,= of meer. De kosten van de kinderen bedragen dan € 1.700,= per maand. De rechtbank vindt het passend om met dit laatste bedrag rekening te houden. Dit omdat partijen het over dit bedrag eens zijn en zij het erover eens zijn dat hun gezinsinkomen boven de € 7.500,= ligt.

De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan € 4.852,= netto per maand in 2024 (€ 9.786,= - € 1.700,= x 60%).

Rekening houdend met de wettelijke indexeringen bedraagt die behoefte in 2026 € 5.405,= netto per maand.

Aanvullende behoefte vrouw

Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of sprake is van behoeftigheid van de vrouw. Dat is het geval als de vrouw niet voldoende eigen inkomsten heeft om volledig in haar eigen behoefte te kunnen voorzien en zij deze inkomsten ook in redelijkheid niet kan verwerven.

De vrouw heeft als productie 28 een draagkrachtberekening ingediend. Zij rekent met het bedrag van € 448,= bruto per week dat zij ontvangt aan Ziektewetuitkering. Over het beroep van de man op verdiencapaciteit stelt de vrouw dat zij nooit meer zal verdienen dan

€ 2.750,= bruto per maand, wat betekent dat zij altijd een aanvullende behoefte heeft. Ook wordt met voornoemd inkomen nog steeds hoger uitgekomen dan het bedrag wat zij nu verzocht heeft aan partneralimentatie.

De man doet een beroep op de verdiencapaciteit van de vrouw. Hij stelt dat zij

€ 32.000,= bruto per jaar moet kunnen verdienen. De vrouw heeft aangetoond bij de gemeente Breda dit inkomen te kunnen verdienen op basis van 24 uur per week. [minderjarige 2] gaat al bijna naar de middelbare school en is toenemend zelfstandig. Dat de vrouw nu stelt niet te kunnen werken heeft zij niet met objectieve en recente medische stukken onderbouwd.

De rechtbank overweegt dat de beoordeling van het beroep van de man op de verdiencapaciteit van de vrouw in het midden kan blijven.

Uitgaande van haar Ziektewetuitkering van € 477,= bruto per week bedraagt haar netto besteedbaar inkomen € 1.551,= per maand. Haar netto aanvullende behoefte bedraagt dan

€ 3.817,= per maand (zijnde € 7.413,= bruto per maand).

Als gerekend wordt met een inkomen van € 32.000,= bruto per jaar bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de vrouw € 2.144,= per maand. Haar netto aanvullende behoefte bedraagt dan € 3.198,= per maand (zijnde € 6.269,= bruto per maand).

Ook als het standpunt van de man zou worden gevolgd, heeft de vrouw een aanvullende behoefte die veel hoger ligt dan het bedrag dat zij verzoekt aan partneralimentatie. Onderstaand zal verder blijken dat de draagkracht van de man de beperkende factor is.

Draagkracht man

Voor wat betreft het netto besteedbaar inkomen van de man gaat de rechtbank uit van een bedrag van € 7.460,= per maand, zoals onder rechtsoverweging 4.32. is vermeld.

De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 2.314,= per maand.

De vrouw heeft nog gesteld dat als uit de berekening een lager door de man te betalen bedrag volgt dan door haar verzocht, een correctie moet plaatsvinden op het woonbudget. Zij gaat ervan uit dat de werkelijke woonlasten van de man fors lager zijn.

In de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie staat dat als sprake is van een tekort aan draagkracht om de in behoefte te voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van een onderhoudsplichtige duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget, er reden kan zijn om met een bedrag lager dan het woonbudget te rekenen. De man zal nog gaan verhuizen, zodat onduidelijk is wat zijn woonlasten zullen gaan worden. De rechtbank gaat niet vooruitlopen op deze toekomstige situatie. De rechtbank geeft (de advocaten van) partijen in overweging om als de woonsituatie van de man is gewijzigd, hier nader het gesprek over te voeren.

De rechtbank houdt voorts rekening met de hiervoor becijferde kinderbijdrage, inclusief zorgkosten, van in totaal € 1.700,= per maand.

Bijdrage man

Op grond van voormelde financiële omstandigheden en rekening houdend met alle fiscale gevolgen acht de rechtbank bij de man de draagkracht aanwezig om, naast voormelde kosten van de minderjarigen, € 984,= per maand te voldoen ten behoeve van de vrouw. Daarbij wordt het fiscale voordeel dat de man ontvangt door de betaling van de bijdrage aan de vrouw, geheel aan de vrouw toegekend

Conclusie kinder- en partneralimentatie (en ingangsdatum)

De rechtbank bepaalt de ingangsdatum voor zowel de kinder- als de partneralimentatie op de datum van de notariële overdracht van de woning aan een derde. Dit omdat partijen in de voorlopige voorzieningenprocedure in onderling overleg afspraken hebben gemaakt over deze onderhoudsbijdragen, uitgaande van de huidige woonsituaties van partijen. Zij geven uitvoering aan de wijze van betaling van de lasten zoals weergegeven in de door de man als productie 1 ingediende kostenopgaaf. De rechtbank overweegt dat het voor partijen het meest wenselijk zal zijn dat zij hier uitvoering aan blijven geven, totdat hun woonsituaties zijn veranderd.

Uit de wet volgt dat partneralimentatie niet eerder kan ingaan dan de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Gelet op de door de rechtbank in rechtsoverweging 4.63. genomen beslissing over de termijnen voor de verdeling van de echtelijke woning, zal daar geen sprake van zijn.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het door de man te betalen bedrag aan kinderalimentatie vaststellen op € 627,50 per maand per kind en het door hem te betalen bedrag aan partneralimentatie op € 984,= per maand, beiden met ingang van de datum van de notariële overdracht van de woning aan een derde.

De verzoeken van de vrouw tot vaststelling van een bedrag aan kinderalimentatie van

€ 633,= per maand per kind en een bedrag aan partneralimentatie van € 2.000,= per maand, worden in zoverre toegewezen. Het verzoek van de man tot vaststelling van een door hem te betalen bedrag van € 739,= per maand voor beide kinderen wordt afgewezen.

De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.

Verdeling huwelijksgemeenschap

Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opstellen en zij zijn vóór 1 januari 2018 getrouwd. Dat betekent dat door het huwelijk van partijen een wettelijke algehele gemeenschap van goederen is ontstaan.

Door de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding is die gemeenschap op

1 juli 2025 ontbonden. Dat betekent in beginsel dat de goederen die partijen op die datum (de zogenoemde ‘peildatum’) hadden, moeten worden verdeeld. Van de schulden die zij op de peildatum hadden, moet worden vastgesteld wie onderling welk deel daarvan moet betalen (ook wel de ‘interne draagplicht’ genoemd).

Partijen zijn het erover eens dat op de peildatum de volgende goederen en schulden tot de gemeenschap behoren:

a. de woning aan [adres] in [plaats 1] ;

b. de hypothecaire aflossingsvrije geldlening bij MUNT hypotheken met [nummer 1] , van € 186.000,= per 1 mei 2026;

c. de hypothecaire annuïtaire geldlening bij MUNT hypotheken met [nummer 2] , van € 209.929,70 per 1 mei 2026;

d. de inboedel van de hiervoor genoemde woning;

e. het saldo op de betaalrekening bij de ABN AMRO op naam van de man met nummer [iban 1] ;

f. het saldo op de spaarrekening bij de ABN AMRO op naam van de man met [iban 2] ;

g. het saldo op de betaalrekening bij de ABN AMRO op naam van de vrouw met nummer [iban 3] ;

h. het saldo op de spaarrekening bij de ABN AMRO op naam de vrouw met nummer [iban 4] ;

i. de auto van het merk Renault Twingo met [kenteken 1] ;

j. de auto van het merk Audi cabriolet met [kenteken 2] ;

k. de elektrische fiets van de man;

l. de fiets van de vrouw;

m. de activa en passiva van de eenmanszaak met de handelsnaam [eenmanszaak] ;

n. de schaalmodelauto’s en de horloges;

o. de belastingschulden;

p. [de hond] .

Ad. a. tot en met c.: de echtelijke woning en de hypothecaire geldleningen

Partijen zijn het erover eens dat de woning moet worden verkocht aan een derde. De vrouw is financieel ook niet in staat om de woning over te nemen. Verder is de man het eens met de door de vrouw voorgestelde drie makelaarskantoren, met het verzoek om de woning te komen bekijken en met een verkoopplan te komen. Ook zijn partijen het erover eens dat de verkoopkosten bij helfte worden gedragen en dat de verkoopopbrengst (na aflossing van de hypothecaire leningen) bij helfte wordt gedeeld.

Tijdens de zitting komen partijen nog overeen dat de vrouw in de woning kan blijven zolang deze niet is verkocht (en notarieel overgedragen aan een derde). Als de vrouw eerder andere woonruimte vindt, heeft de man de mogelijkheid om in de woning te verblijven. Verder spreken partijen af dat zij de eventueel te maken kosten voor het verkoopklaar maken van de woning vooraf met elkaar afstemmen. In beginsel zal de man zoveel mogelijk in eigen beheer gaan doen. Als er kosten moeten worden gemaakt voor een externe partij, zal de man deze kosten voorschieten en zal de door de vrouw te betalen helft worden verrekend bij de notariële overdracht van de woning.

Tussen partijen is in geschil wanneer de woning te koop moet worden gezet en wat de oplevertermijn moet zijn.

De vrouw wil dat partijen de aankomende zomervakantie gebruiken om de woning te koop te zetten en dat richting de kopers wordt gecommuniceerd dat de oplevertermijn 6 maanden bedraagt, te rekenen vanaf de datum van ondertekening van het voorlopig koopcontract.

De man vindt de door de vrouw verzochte termijnen te lang. Hij wil dat de rechtbank reële termijnen bepaald voor de verkoop. Als dat gebeurt, trekt hij zijn verzoek om een gebruiksvergoeding in.

De rechtbank zal hieronder beslissen over de termijnen en een ‘spoorboekje’ vaststellen voor de verkoop en levering van de woning aan een derde.

Spoorboekje

Partijen zullen de woning aan [adres] in [plaats 1] als volgt verkopen en leveren aan een derde:

- beide partijen zijn verplicht om uiterlijk 1 augustus 2026 een gezamenlijke opdracht te verstrekken aan een makelaar voor de verkoop van de woning;

- partijen nemen tijdig voor voornoemde datum contact op met de volgende makelaarskantoren, met het verzoek om de woning te komen bekijken en met een verkoopplan te komen:

- [makelaar 1] B.V. uit [plaats 5] ;

- [makelaar 2] uit [plaats 1] ;

- [makelaar 3] uit [plaats 1] ;

- partijen kiezen samen welke makelaar zij uiterlijk 1 augustus 2026 de opdracht tot verkoop verstrekken;

- als partijen het niet eens zijn over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning zal de makelaar partijen bindend adviseren;

- partijen zullen in de maand augustus 2026 de woning verkoopklaar maken;

-eventueel door een externe te maken kosten voor het verkoopklaar maken van de woning stemmen partijen vooraf met elkaar af. De man zal deze kosten volledig voorschieten en de door de vrouw daarvan te betalen helft wordt verrekend bij de notariële overdracht van de woning;

-uiterlijk op 1 september 2026 moet de woning te koop staan;

- partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt;

- beide partijen zijn gehouden aan de verkoop en de daaropvolgende notariële overdracht mee te werken;

- de oplevertermijn zal drie maanden bedragen vanaf de datum van ondertekening van het voorlopig koopcontract tot aan de notariële overdracht van de woning;

- als de kopers een langere termijn willen en beide partijen stemmen hiermee in dan kan die langere oplevertermijn worden aangehouden;

- iedere partij is gehouden de helft van de kosten van de makelaar en de overige kosten voor de verkoop en levering aan een derde te dragen;

- na verkoop en overdracht van de woning aan een derde wordt de verkoopopbrengst, na aflossing van de hypothecaire geldleningen en betaling van de kosten van verkoop en overdracht, bij helfte tussen partijen verdeeld;

- de vrouw verblijft op dit moment in de woning en kan in de woning blijven wonen zolang de woning niet is verkocht en overgedragen aan een derde;

- als de vrouw eerder andere woonruimte vindt, kan de man in de woning verblijven.

De rechtbank zal onderstaand in het dictum de wijze van verdeling van de echtelijke woning gelasten (conform het spoorboekje). De andersluidende verzoeken van partijen worden afgewezen. Gelet op de afspraak tussen partijen dat de vrouw in de woning kan blijven tot aan de notariële overdracht, beschouwt de rechtbank haar verzoek tot het voortgezet gebruik hiermee als ingetrokken. Gelet op de termijnen die de rechtbank heeft bepaald, beschouwt de rechtbank het verzoek van de man tot een gebruiksvergoeding daarmee ook als ingetrokken. Beide verzoeken worden afgewezen.

Ad. d. tot en met p.

Partijen hebben over alle overige bestanddelen van de huwelijksgemeenschap, genoemd onder d. tot en met p. overeenstemming bereikt op de zitting.

Zij hebben de volgende afspraken gemaakt:

Inboedel

- voor de verdeling van de inboedelgoederen van de echtelijke woning volgen partijen de door de vrouw als productie 37 ingediende boedellijst (daarin reageert zij in rood op de door de man gemaakte boedellijst);

- hierop zijn de volgende uitzonderingen gemaakt. De Sony TV wordt aan de vrouw toebedeeld en de Philips TV aan de man. Verder wordt de loungeset aan de man toebedeeld, inclusief de kussens en de kussenbox;

- de verdeling van de inboedelgoederen vindt plaats zonder nadere verrekening;

- de verdeling vindt uiterlijk plaats bij de overdracht van de echtelijke woning aan een derde.

Saldi bankrekeningen

- partijen verdelen het saldo van de bankrekeningen met [eindcijfers] per de peildatum (1 juli 2025) bij helfte.

De auto’s

- de auto Renault Twingo wordt toebedeeld aan de vrouw, en de auto Audi aan de man, zonder nadere verrekening.

De fietsen

- de elektrische fiets wordt toebedeeld aan de man en de fiets aan de vrouw, zonder nadere verrekening.

De activa en passiva van de eenmanszaak (en in samenhang daarmee de belastingschulden)

- de activa en passiva van de eenmanszaak worden toebedeeld/toegerekend aan de man, onder vrijwaring van de vrouw;

- partijen schakelen samen een accountant in en zij zullen aan de accountant de opdracht verstrekken om (bindend) vast te stellen wat de waarde is van de activa van de eenmanszaak op de peildatum en om vast te stellen wat de passiva (de belastingschulden) van de eenmanszaak is op de peildatum;

- ieder van partijen is gerechtigd tot de helft van de waarde van de activa op de peildatum en is voor de helft draagplichtig voor de op de peildatum aanwezige passiva;

- de accountant zal bindend advies geven over wat er onder aan de streep overblijft, dus of de man ter verrekening een bedrag aan de vrouw moet betalen, dan wel dat de vrouw ter verrekening aan de man een bedrag moet betalen;

- de man zal alle gegevens die de accountant nodig heeft aanleveren;

- partijen betalen de kosten voor de accountant ieder voor de helft;

- aanslagen tot en met de peildatum (1 juli 2025) worden betaald door degene op wiens naam de aanslag staat, maar de onderlinge draagplicht is ieder de helft;

- als de man na de peildatum al meer dan de helft heeft betaald van een belastingschuld, heeft hij voor dat gedeelte regres op de vrouw. In het bindend advies zal met eventuele betalingen rekening worden gehouden en zal wordt vastgesteld welk bedrag per saldo nog verschuldigd is aan de ander.

De schaalmodelauto’s en de horloges

- de horloges worden toebedeeld aan de man, met uitzondering van het horloge van het merk Breitling. Dit horloge wordt toebedeeld aan de vrouw. Er vindt geen nadere verrekening plaats;

- de schaalmodelauto’s worden toebedeeld aan de man, tegen vergoeding van € 5.000,= door de man aan de vrouw.

[de hond]

- [de hond] wordt toebedeeld aan de vrouw;

- de hond zal 1 keer per maand, als de man contact heeft met de kinderen, meegaan;

- als partijen straks allebei in (omgeving) [plaats 3] wonen, zullen zij de situatie opnieuw bekijken.

De rechtbank zal de hierboven weergegeven tussen partijen gemaakte afspraken (met betrekking tot de genoemde bestanddelen onder d. tot en met p.) niet opnemen in het dictum, omdat er gelet op de overeenstemming geen taak meer is weggelegd voor de rechter. Dat is bepaald in artikel 3:185 BW. De afspraken die partijen hebben gemaakt zijn tussen hen wel bindend en zij moeten daar uitvoering aan geven.

Gelet op de bereikte overeenstemming beschouwt de rechtbank alle andersluidende verzoeken van partijen over de verdeling van de huwelijksgemeenschap (waaronder de verzoeken van de vrouw over de schaalmodelauto’s en de onderneming en de verzoeken van de man die zien op de belastingschulden) en de vergoedingsvordering van de man (over de belastingschulden) als ingetrokken, en wijst deze verzoeken daarom af.

Proceskosten

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op 12 juli 2013 in de gemeente Dordrecht met elkaar gehuwd;

bepaalt dat de minderjarigen

1. [minderjarige 1] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2011,

2. [minderjarige 2] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2014,

hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw;

bepaalt dat de man en de minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar als volgt:

- de kinderen verblijven bij de man in de even weken van vrijdag 18.30 uur (na het avondeten) tot zondag 19.00 uur;

- in de andere week op vrijdag vanaf 14.30 uur (als [minderjarige 2] uit school is) tot 19.00 uur (de man brengt [minderjarige 2] naar zijn sporttraining toe en brengt [minderjarige 1] naar de vrouw toe),

zulks met inachtneming van de in rechtsoverweging 4.6. weergegeven tussen partijen gemaakte afspraak als (een van) beiden verhuisd is naar (omgeving) [plaats 3] ;

bepaalt de verdeling van de schoolvakanties tussen partijen en de minderjarigen als volgt:

Voorjaars- en herfstvakantie

- de kinderen verblijven in de even jaren in de voorjaarsvakantie bij de vrouw (en in de oneven jaren bij de man);

- de kinderen verblijven in de even jaren in de herfstvakantie bij de man (en in de oneven jaren bij de vrouw);

waarbij de week zal beginnen om zaterdag 10.00 uur tot de zaterdag daarop 10.00 uur;

Meivakantie

- tijdens de meivakantie verblijven de kinderen de eerste week bij een ouder vanaf vrijdagavond tot en met zaterdag 18.00 uur (in het midden van de vakantie);

- vervolgens verblijven de kinderen van zaterdag 18.00 uur tot en met zondag 19.00 uur in het laatste weekend bij de andere ouder;

- de man is in de meivakantie jarig.

De kinderen verblijven ieder jaar in de meivakantie bij de man in de week waarin hij jarig is en de andere week verblijven zij dan bij de vrouw (waarbij de weken zijn opgesplitst zoals hiervoor genoemd).

Zomervakantie

- tijdens de zomervakantie 2026 verblijven de kinderen om en om één week bij een ouder, waarbij het wisselmoment plaatsvindt op vrijdag om 18.00 uur,

zulks met inachtneming van wat is overwogen over de volgende zomervakanties in rechtsoverweging 4.16.;

Kerstvakantie

- de kinderen verblijven in de even jaren vanaf de start van de vakantie, dus uit school, tot en met eerste kerstdag bij de vrouw, en vanaf tweede kerstdag om 10.00 uur bij de man tot nieuwjaarsdag 10.00 uur, en dan bij de vrouw tot het einde van de vakantie.

(in de oneven jaren is dit omgedraaid);

bepaalt dat de man met ingang van de datum van de notariële overdracht van de woning aan een derde voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 627,50, (zeshonderdzevenentwintig euro en vijftig cent) per maand per kind;

bepaalt dat de man met ingang van de datum van de notariële overdracht van de woning aan een derde aan de vrouw voor levensonderhoud bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 984,= (negenhonderdvierentachtig euro) per maand;

gelast de navolgende wijze van verdeling van de echtelijke woning aan [adres] in [plaats 1] :

- beide partijen zijn verplicht om uiterlijk 1 augustus 2026 een gezamenlijke opdracht te verstrekken aan een makelaar voor de verkoop van de woning aan een derde;

- partijen nemen tijdig voor voornoemde datum contact op met de volgende makelaarskantoren, met het verzoek om de woning te komen bekijken en met een verkoopplan te komen:

- [makelaar 1] B.V. uit [plaats 5] ;

- [makelaar 2] uit [plaats 1] ;

- [makelaar 3] uit [plaats 1] ;

- partijen kiezen samen welke makelaar zij uiterlijk 1 augustus 2026 de opdracht tot verkoop verstrekken;

- als partijen het niet eens zijn over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning zal de makelaar partijen bindend adviseren;

- partijen zullen in de maand augustus 2026 de woning verkoopklaar maken;

-eventueel door een externe te maken kosten voor het verkoopklaar maken van de woning stemmen partijen vooraf met elkaar af. De man zal deze kosten volledig voorschieten en de door de vrouw daarvan te betalen helft wordt verrekend bij de notariële overdracht van de woning;

-uiterlijk op 1 september 2026 moet de woning te koop staan;

- partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met

degene die de hoogste prijs biedt;

- beide partijen zijn gehouden aan de verkoop en de daaropvolgende notariële overdracht mee te werken;

- de oplevertermijn zal drie maanden bedragen vanaf de datum van ondertekening van het voorlopig koopcontract tot aan de notariële overdracht van de woning;

- als de kopers een langere termijn willen en beide partijen stemmen hiermee in dan kan die langere oplevertermijn worden aangehouden;

- iedere partij is gehouden de helft van de kosten van de makelaar en de overige kosten voor de verkoop en levering aan een derde te dragen;

- na verkoop en overdracht van de woning aan een derde wordt de verkoopopbrengst, na aflossing van de hypothecaire geldleningen en betaling van de kosten van verkoop en overdracht, bij helfte tussen partijen verdeeld;

- de vrouw verblijft op dit moment in de woning en kan in de woning blijven wonen zolang de woning niet is verkocht en overgedragen aan een derde;

- als de vrouw eerder andere woonruimte vindt, kan de man in de woning verblijven;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van Coolwijk, en, in tegenwoordigheid van mr. Schröder, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand