RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448975 / JE RK 26-995
Datum uitspraak: 26 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, hierna te noemen de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 juni 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder (telefonisch);
- een vertegenwoordiger van de Raad.
De kinderrechter stelt vast dat de GI behoorlijk is opgeroepen maar niet is verschenen.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hiervan geen gebruik gemaakt.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
De ouders hebben een co-ouderschapsregeling, maar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen op dit moment bij hun moeder.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
Door de Raad is middels het verzoek en op de zitting, kort samengevat, aangevoerd dat er grote zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De ouders zijn in 2021 gescheiden en tussen hen is een patroon ontstaan waarin zij elkaar kwijt zijn in het ouderschap. Het lukt hen niet om met elkaar in gesprek te gaan en afspraken te maken over de kinderen. De ouders zijn het vertrouwen in elkaar kwijt en het lukt hen niet dit op te lossen. De vader laat daarbij grensoverschrijdend gedrag zien door zich boos, verwijtend en dreigend richting de moeder, de kinderen en hulpverlening te uiten, waardoor de hulpverlening van [hulpverlening] is gestopt en aan de vader een contact- en gebiedsverbod aangaande de moeder is opgelegd. Onder andere door de langdurige spanningen tussen de ouders is de draagkracht van de moeder sterk verminderd. Het is zorgelijk dat het de moeder onvoldoende lukt om consequent te zijn in het navolgen van de regels. Bij de vader is het zorgelijk dat het hem niet lukt om de samenwerking aan te gaan, en dat er onvoldoende zicht is op zijn opvoedvaardigheden en in de reden waarom de kinderen sinds november 2025 hebben aangegeven niet meer bij de vader te willen blijven slapen (in tegenspraak tot de co-ouderschapsregeling die de ouders hebben afgesproken). De Raad merkt hierbij op dat de focus van de hulpverlening bij de vader de afgelopen periode vooral heeft gelegen op het begrenzen van het gedrag van de vader, zonder dat gekeken werd naar de achterliggende redenen hiervoor. Dit moet anders.
De kinderen hebben enorm last van de spanningen tussen de ouders, zij zitten in een loyaliteitsconflict en lopen vast in hun algehele en cognitieve ontwikkeling. [minderjarige 2] is langdurig ernstig overbelast wat zich onder andere uit in terugtrekken en afnemende motivatie. Hij houdt zich bezig met wat speelt tussen de ouders, en het lukt ouders niet meer hem te begrenzen. Bij de moeder krijgt hij te veel verantwoordelijkheid en bij de vader wordt hij belast met volwassen zaken. Ook is hij uitgevallen van school, inmiddels is hij wel bezig met re-integreren. [minderjarige 1] stagneert mogelijk ook in haar sociaal-emotionele ontwikkeling. Mogelijk is sprake van emotionele verwaarlozing, onder andere doordat de focus de afgelopen periode vooral heeft gelegen bij de zorgen rondom [minderjarige 2] . Zij wordt regelmatig blootgesteld aan de spanningen tussen de ouders en laat fysieke en emotionele signalen zien zoals terugtrekken, het uiten van zorgen over gedrag van haar ouders en zij uit depressieve gevoelens waarvoor zij geen hulp wil. Ook is mogelijk sprake van een eetstoornis. Het lukt [minderjarige 1] niet meer om naar school te gaan en speelt de ouders tegen elkaar uit.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd en het is de ouders binnen het vrijwillige kader niet gelukt om de zorgen te laten afnemen. Het gedwongen kader lijkt nodig om de impasse tussen de ouders te doorbreken en te zorgen dat de ouders leren constructief met elkaar samen te werken. De Raad handhaaft het verzoek om ondertoezichtstelling.
Door de moeder is op de zitting, kort samengevat, aangevoerd dat zij zich kan vinden in het verzoek. De moeder heeft het gevoel dat haar gezag door alle negativiteit wordt ondermijnd en ziet graag verandering in de situatie voor haar kinderen. De moeder merkt hierbij op dat [minderjarige 1] onlangs heeft aangegeven behoefte te hebben om met iemand te praten, en dat zij hiervoor contact met de gemeente heeft opgenomen. De moeder hoopt dat [minderjarige 1] volgend schooljaar opnieuw kan starten aan de brugklas.
Door de vader is op de zitting, kort samengevat, aangevoerd dat hij het niet eens is met het rapport van de Raad, maar dat hij zich wel kan vinden in het verzoek. De vader is niet boos maar verdrietig, hij ziet de kinderen kapot gaan. De reden dat de kinderen niet langer bij hem willen slapen is omdat hij maar één slaapkamer heeft en zij niet langer bij elkaar op de kamer willen slapen, dat vindt de vader begrijpelijk. De vader vraagt al jaren om verandering maar er gebeurt niets. De vader heeft het gevoel te worden tegengewerkt door de moeder. De vader vraagt de moeder hem niet langer tegen te werken en de regels en het convenant na te leven, in het belang van de kinderen.
5. De beoordeling
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zodanig opgroeien dat zij in hun ontwikkeling worden bedreigd. De ouders zijn in een ouderstrijd beland en het lukt hen niet om constructief over de kinderen te communiceren. Ook zijn er zorgen over de thuissituaties van de ouders, zo lukt het de moeder onvoldoende consequent te zijn in het naleven van afspraken en uit de vader zich boos over de gehele situatie. De kinderen hebben last van de situatie, met zorgen over schoolgang, omgaan met emoties en gevoelens en een loyaliteitsconflict als gevolg. De jarenlange vraag om hulp en inzet van hulpverlening heeft niet geleid tot verbetering van de situatie voor de kinderen. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat betrokkenheid van een onafhankelijke derde, zijnde de GI, noodzakelijk is, zodat deze de regie kan gaan voeren over de noodzakelijk geachte hulpverlening. De kinderrechter verwacht wel dat het de ouders binnen een voor de kinderen aanvaardbare termijn weer zal lukken om de verantwoordelijkheid voor hun verzorging en opvoeding weer te dragen. De kinderrechter zal het verzoek om ondertoezichtstelling voor de duur van één jaar – waar alle betrokkenen het mee eens zijn - dan ook toewijzen. De kinderrechter maant de ouders dat zij open en eerlijk zullen moeten opstellen in het komende proces, ook over en naar zichzelf. Het blijven wijzen naar de ander zal niet bijdragen aan het oplossen van de problemen.
Gedurende de ondertoezichtstelling dient er te worden gewerkt aan de volgende doelen:
- [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ervaren voldoende rust en veiligheid (van hun opvoeders en omgeving), wat inhoudt dat ze geen overmatige stress/spanning ervaren door de gebeurtenissen in het verleden en heden en waardoor zij deel kunnen nemen aan alledaagse taken, zoals school;
- [minderjarige 2] en [minderjarige 1] herkennen eigen emoties, gevoelens en behoeften en kunnen deze op passende wijze uiten. Dit houdt in dat ze allereerst weten hoe en waarom ze zich boos, verdrietig, angstig of blij voelen en wat ze kunnen doen als emoties hoog oplopen;
- [minderjarige 2] en [minderjarige 1] weten welke duidelijke, geldende afspraken ouders met elkaar (met hulpverlening) hebben gemaakt over hen en houden zich hier aan;
- [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ervaren rust en veiligheid en zijn geen getuige van en ervaren geen spanningen tussen ouders of in de thuissituaties bij ouders;
- [minderjarige 2] en [minderjarige 1] worden gefaciliteerd in hun leeftijds-adequate ontwikkeling (waaronder schoolgang/leertraject/dagbesteding).
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 26 juni 2026 tot 26 juni 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier, en op schrift gesteld op 9 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.