ECLI:NL:RBZWB:2026:6940

ECLI:NL:RBZWB:2026:6940

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 26-06-2026
Datum publicatie 27-07-2026
Zaaknummer C/02/447876 / JE RK 26-785
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Afwijzen verzoek vervallen verklaring schriftelijke aanwijzing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/447876 / JE RK 26-785

Datum uitspraak: 26 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing

in de zaak van

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats 1] ,

advocaat mr. N.A.H Limbourg uit Breda,

tegen

de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING, gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats 2] .

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 mei 2026;

de brief van de GI van 3 juni 2026, ontvangen op 9 juni 2026;

de brief van de vader, ontvangen op 19 juni 2026.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder met haar advocaat;

- twee vertegenwoordigsters van de GI.

De kinderrechter stelt vast dat de vader behoorlijk is opgeroepen, maar met bericht van afwezigheid niet is verschenen.

De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. [minderjarige] heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2. De feiten

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] , de vader sinds 3 oktober 2025.

[minderjarige] woont bij zijn vader.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 maart 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 19 maart 2027. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de vader verlengd tot 19 maart 2027. Ook heeft de kinderrechter bij diezelfde beschikking een deeltijdmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de grootouders vaderszijde op iedere woensdag na school tot donderdagochtend, en eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag tot maandagochtend verleend, met ingang van 19 maart 2026 tot 19 maart 2027.

De GI heeft op 17 april 2026 in een schriftelijke aanwijzing het contact tussen de met gezag belaste ouder en [minderjarige] als volgt beperkt:

het contact tussen de moeder en [minderjarige] zal plaatsvinden één keer per maand, gedurende anderhalf uur, op een neutrale locatie en onder professionele begeleiding, en dat de telefonische contactmomenten op maandag vervallen.

3. Het verzoek

De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel vervallen te verklaren.

4. De standpunten

Namens de moeder is middels het verzoek en op de zitting, kort samengevat, aangevoerd dat de schriftelijke aanwijzing niet in het belang is van [minderjarige] . Ten tijde van de zitting van de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in maart 2026 zijn er geen zorgen besproken die erop duidden dat het contact tussen de moeder en [minderjarige] beperkt zou moeten worden. De beslissing om het contact van acht keer per maand te beperken naar één keer per maand kwam voor de moeder volledig onverwacht. De moeder is niet meegenomen in het traject voorafgaand aan de beslissing tot beperking van het contact. Met haar zijn hierover geen gesprekken gevoerd en zij is niet voorbereid op gevolgen die de zorgen over [minderjarige] op het contact tussen haar en [minderjarige] zouden kunnen hebben. Ook is de moeder van mening dat de beperking te desastreus is, er zitten nog veel stappen tussen die genomen hadden kunnen en moeten worden. Bovendien is door de kinderrechter bij de beschikking van 19 maart 2026 overwogen dat het niet in [minderjarige] zijn belang is dat er grote veranderingen in zijn leven plaatsvinden, de beperking van het contact is ook daarom niet in belang van [minderjarige] . Namens de moeder is verzocht de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren.

Door de GI is op de zitting, kort samengevat, aangevoerd dat de beslissing tot beperking van het contact weloverwogen is genomen. De GI heeft de moeder weldegelijk regelmatig betrokken bij de zorgen over [minderjarige] en heeft deze met haar besproken of een poging hiertoe gedaan. De gesprekken met de moeder lopen echter niet altijd soepel waardoor in een gesprek niet altijd tot de inhoud gekomen kan worden. Er zijn verschillende incidenten geweest, met het incident waarbij [minderjarige] naar de snelweg is gelopen en heeft uitgesproken dood te willen als laatst. Dit was een heel heftig incident waarvan [minderjarige] moet herstellen en waarvoor hij rust nodig heeft. [minderjarige] doorgaat een intensief traject waarvoor stabiliteit erg belangrijk is. Gebleken is dat het de moeder niet lukt om hierin stappen te zetten. Intern zijn alle opties besproken, ook minder grote beperkingen van het contact, maar weloverwogen is besloten dat de regeling het meest in belang is van [minderjarige] . Te zien is ook dat [minderjarige] nu meer tot rust komt en dat er minder escalaties zijn. Aan de moeder is op schrift gezet wat van haar wordt verwacht in het contact met [minderjarige] . Op het moment dat de moeder zich hieraan houdt en [minderjarige] hersteld is zal er weer worden gekeken naar de mogelijkheden tot opbouw van het contact.

5. De beoordeling

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 1:265f lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de GI, voor zover noodzakelijk met het oog op het doel van de uithuisplaatsing van een minderjarige voor de duur van de uithuisplaatsing, de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en het kind beperken. Op grond van het tweede lid van dat artikel geldt een dergelijke beslissing van de GI als een schriftelijke aanwijzing als bedoeld in artikel 1:263 BW. Artikel 1:264 BW en artikel 1:265 BW zijn van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 1:264 lid 1 BW kan de met het gezag belaste ouder de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. Het derde lid bepaalt dat een dergelijk verzoek binnen twee weken, met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt, moet worden ingediend.

Ontvankelijkheid van het verzoek

De kinderrechter dient allereerst te beoordelen of de moeder ontvankelijk is in haar verzoek. Vast is komen te staan dat aan de moeder, als gezaghebbende ouder, een schriftelijke aanwijzing is gegeven op 17 april 2026, welke kan worden gekwalificeerd als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. In dat bericht wordt een beslissing meegedeeld die een rechtsgevolg voor de moeder teweegbrengt, namelijk dat het contact tussen [minderjarige] en de moeder wordt beperkt tot één keer per maand, en dat de telefonische contactmomenten zullen vervallen. Nu de GI op 17 april 2026 een schriftelijke aanwijzing heeft gegeven en het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing op 1 mei 2026 door de rechtbank is ontvangen, voldoet het verzoek aan de termijn. De kinderrechter zal de moeder daarom ontvangen in haar verzoek.

Vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing

In de eerste plaats moet de kinderrechter beoordelen of de GI in redelijkheid tot de schriftelijke aanwijzing heeft kunnen komen. Bij de beoordeling van de noodzaak een schriftelijke aanwijzing te geven komt de GI een zekere beleidsvrijheid toe. Dit betekent dat de kinderrechter, gegeven de taak van de GI, beziet of er in de gegeven omstandigheden voldoende grond is voor het geven van een schriftelijke aanwijzing. In dit kader zijn de beginselen van behoorlijk bestuur van belang.

De vraag die allereerst moet worden beantwoord, is of de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig tot stand is gekomen. De kinderrechter constateert dat de gecertificeerde instelling een vooraankondiging van de schriftelijke aanwijzing heeft gegeven aan de moeder. Uit de schriftelijke aanwijzing blijkt dat de gecertificeerde instelling de zienswijze en de reactie van de moeder heeft meegenomen, maar dat deze niet heeft geleid tot aanpassing van de voorgenomen schriftelijke aanwijzing. Nu is getracht met de moeder in gesprek te raken over de zorgen omtrent [minderjarige] en de gevolgen hiervan, zij is geïnformeerd over de (voorgenomen) schriftelijke aanwijzing, haar een vooraankondiging is toegestuurd en zij hierop heeft mogen reageren, is de rechtbank van oordeel dat het besluit voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Dat de moeder het niet eens is met de zienswijze van de GI maakt immers niet dat sprake is van een onzorgvuldig genomen besluit.

Gelet op de inhoud van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank voorts van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing van de GI aan de moeder van 17 maart 2026 voldoende is gemotiveerd. De GI heeft naar het oordeel van de kinderrechter in de schriftelijke aanwijzing deugdelijk gemotiveerd dat het beperken van het contact tussen de moeder en [minderjarige] op dit moment in belang is van [minderjarige] . Zoals hiervoor reeds is overwogen maakt een verschil in zienswijze niet dat er sprake is van een onzorgvuldig genomen besluit, maar ook niet dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd.

De rechtbank concludeert dan ook dat de schriftelijke aanwijzing voldoende deugdelijk is voorbereid en gemotiveerd. Het verzoek om vervallen verklaring wordt afgewezen.

Volledigheidshalve overweegt de kinderrechter dat zij begrijpt dat de beslissing, hoewel zorgvuldig genomen en voldoende gemotiveerd, bij de moeder rauw op haar dak is gevallen. De kinderrechter acht het zinvol dat de moeder in de toekomst bij gesprekken wordt bijgestaan door professionele begeleiding, die er voor zorgt dat de informatie die met de moeder gedeeld wordt ook door de moeder wordt begrepen.

Gelet op het voorgaande zal als volgt worden beslist.

6. De beslissing

De kinderrechter:

wijst het verzoek om vervallen verklaring van de schriftelijke aanwijzing van 17 april 2026 af.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier, en op schrift gesteld op 10 juli 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand