ECLI:NL:RBZWB:2026:6949

ECLI:NL:RBZWB:2026:6949

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 27-07-2026
Datum publicatie 27-07-2026
Zaaknummer BRE 19/2251
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Omzetbelasting, beleggingsrisico, beroep ongegrond.

Uitspraak

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 27 juli 2026 in de zaak tussen

Fiscale Eenheid [belanghebbende], uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 5 april 2019.

Belanghebbende een bedrag van € 2.263.378 aan omzetbelasting op aangifte voldaan.

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

Op 7 oktober 2024 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat de zaak wordt aangehouden totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) arrest heeft gewezen naar aanleiding van door de rechtbank Gelderland op 6 oktober 2022 gestelde prejudiciële vragen.

Op 5 september 2024 heeft het HvJ uitspraak gedaan en antwoord gegeven op de door de rechtbank Gelderland gestelde prejudiciële vragen (hierna: het HvJ-arrest). De rechtbank heeft belanghebbende bij brief van 17 juni 2025 in de gelegenheid gesteld om haar zienswijze op het arrest van het HvJ kenbaar te maken. Bij brief van 21 juli 2025 heeft de rechtbank de inspecteur in de gelegenheid gesteld om te reageren. Belanghebbende heeft op 14 juli 2025 en 13 maart 2026 een nader stuk ingediend. De inspecteur heeft op 10 oktober 2025 een nader stuk ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens belanghebbende deelgenomen: mr. G.P. Soethoudt en als gemachtigden van belanghebbende, mr. K.R. Carton, [gemachtigde 2] en mr. E.M. van Kasteren. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] , mr. [inspecteur 2] , mr. [inspecteur 3] , mr. [inspecteur 4] , mr. [inspecteur 5] en [inspecteur 6] deelgenomen.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgesteld waarvan een afschrift gelijktijdig met de uitspraak naar partijen wordt verzonden.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende voor het juiste bedrag omzetbelasting op aangifte heeft voldaan. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

Meer specifiek is in geschil of de door belanghebbende verrichte diensten zijn vrijgesteld van omzetbelasting. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende kan worden aangemerkt als ‘een ter collectieve belegging bijeengebracht vermogen’ in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel i, ten derde, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB).

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet belanghebbende niet aan de voorwaarden om als een ter collectieve belegging bijeengebracht vermogen in voornoemde zin te worden aangemerkt en heeft belanghebbende terecht omzetbelasting op aangifte voldaan. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende is een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Zowel [organisatie 1] als [organisatie 2] en haar dochterondernemingen maken deel uit van de fiscale eenheid. [organisatie 2] is een pensioenuitvoerder en voert de pensioenregelingen uit van [organisatie 1] , [organisatie 3] , [organisatie 4] en [organisatie 5] .

Belanghebbende heeft een bedrag van € 2.263.378 aan omzetbelasting op aangifte voor het tweede kwartaal van het jaar 2015 voldaan. Tegen deze voldoening van omzetbelasting op aangifte heeft belanghebbende bezwaar gemaakt.

In het Pensioenreglement 2015 van [organisatie 1] is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:

“Artikel 2.5Deelnemers

1. Deelnemers zijn:

a. de werknemers;

b. de gewezen werknemers die recht hebben op een [organisatie 1] ArbeidsongeschiktheidsPensioen, voor zolang dat recht is toegekend;

c. de gewezen werknemers die recht hebben op een ontslaguitkering, als bedoeld in artikel 1.5 onderdeel a en c of een werkloosheidsuitkering voor zolang dat recht is toegekend;

d. de gewezen werknemers die uit hoofde van een op 31 december 2014 bestaande regeling recht hebben op een ontslaguitkering in verband met functioneel leeftijdsontslag of een uitkering uit hoofde van een bezwarende functie voor zolang dat recht is toegekend, maar niet langer dan tot de eerste dag van de maand volgende op die waarin zij 62 jaar worden;

e. degenen die op grond van artikel 16.1, eerste lid, vrijwillig deelnemen in het fonds;

f. degenen die op grond van artikel 16.2, eerste lid, de deelneming in het fonds vrijwillig

voortzetten.

(…)

Artikel 3.1Pensioengevend inkomen

1. Tot het pensioengevend inkomen behoren alle inkomensbestanddelen in geld die een werknemer uit hoofde van zijn dienstverhouding van zijn werkgever ontvangt, met uitzondering van:
2. Het pensioengevend inkomen bedraagt niet meer dan is toegestaan op basis van artikel 18ga van de Wet op de Loonbelasting 1964 voor de opbouw van aanspraken op ouderdomspensioen en het daarvan afgeleide partnerpensioen en wezenpensioen. In bijlage A bij dit reglement is dit bedrag opgenomen.

a. alle inkomensbestanddelen die op grond van fiscale wetgeving niet kunnen worden aangemerkt als pensioengevend;

b. alle inkomensbestanddelen die het karakter hebben van een onkostenvergoeding;

c. een gratificatie in verband met een ambtsjubileum;

d. vergoedingen voor variabel overwerk, tenzij in de desbetreffende rechtspositieregeling, collectieve arbeidsovereenkomst, individuele aanstelling- of individuele arbeidsovereenkomst uitdrukkelijk is bepaald dat deze pensioengevend zijn;

e. winstuitkeringen en bonussen die, wat de hoogte betreft, uitzonderlijk zijn, voor zover in de desbetreffende rechtspositieregeling, collectieve arbeidsovereenkomst, individuele aanstelling- of individuele arbeidsovereenkomst is vastgelegd dat zij voor het geheel, dan wel voor een bepaald gedeelte niet pensioengevend zijn;

f. de werkgeversbijdrage van 0,8 procent die ingevolge het Hoofdlijnenakkoord van 5 juli 2005 beschikbaar is voor levensloop, tenzij in de desbetreffende rechtspositieregeling, collectieve arbeidsovereenkomst, individuele aanstelling- of individuele arbeidsovereenkomst anders is bepaald. Als de werkgeversbijdrage meer bedraagt dan het hiervoor vermelde percentage, dan behoort het meerdere wel tot het pensioengevend inkomen, tenzij in de desbetreffende rechtspositieregeling, collectieve arbeidsovereenkomst, individuele aanstelling- of individuele

arbeidsovereenkomst anders is bepaald. Het bepaalde in de vorige volzinnen is van toepassing ongeacht of de werkgeversbijdrage voor levensloop wordt aangewend of voor verhoging van het inkomen.

Artikel 4.1Premieplicht ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen en Anw-

compensatie
1. De aangesloten werkgever is pensioenpremie voor ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen en Anw-compensatie verschuldigd voor:
1. De premiegrondslag is het pensioengevend inkomen verminderd met de franchise.
(…)

a. zijn werknemers;

b. de gewezen werknemers die met recht op een ontslaguitkering of een werkloosheidsuitkering uit zijn dienst zijn ontslagen voor zolang zij deelnemer zijn.

(…)

Artikel 4.2 Premiegrondslag, ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen en Anw-compensatie

Artikel 4.12Premievaststelling

1. De in dit hoofdstuk bedoelde premies worden door [organisatie 1] op een kostendekkend niveau vastgesteld. Deze premies worden bepaald conform de daarvoor geldende regelgeving op de wijze zoals omschreven in de actuariële en bedrijfstechnische nota, bedoeld in artikel 3, vierde lid van de statuten.
2. De door [organisatie 1] te bepalen feitelijk te betalen premies kunnen anders uitvallen dan de premies als bedoeld in het eerste lid, doordat daarin nog eventueel rekening wordt gehouden met een inhaalpremie op basis van een herstelplan of een korting in verband met de financiering uit het vrije vermogen wanneer is voldaan aan het bepaalde in artikel 10 van bijlage H bij dit reglement.

Artikel 7.5Opbouw aanspraak op ouderdomspensioen

1. De deelnemer bouwt per jaar en per dienstverhouding ouderdomspensioen op volgens de formule:

pensioengeldige tijd *1,875% * (pensioengevend inkomen -/- franchise).

Indien het pensioengevend inkomen van de deelnemer zoals bedoeld in hoofdstuk 3, lager is dan het grensbedrag uit Bijlage A bij dit reglement dan bedraagt het opbouwpercentage 1,701% en geldt een afwijkende franchise welke is opgenomen in bijlage A.

(…)

Artikel 8.3Berekening partnerpensioen

1. Het partnerpensioen bedraagt bij overlijden van de deelnemer of gepensioneerde vóór 67 jaar vijf tiende gedeelte van het ouderdomspensioen.

(…)”

In het Pensioenreglement Stichting Personeelspensioenfonds [organisatie 2] ( [organisatie 3] ) is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:

“Artikel 2 Deelnemers

In dit reglement worden de volgende soorten deelnemers onderscheiden:
vrijstelling van premiebetaling zoals bepaald in artikel 9 van dit reglement;
uitkering ontvangen van de Stichting op grond van de Bijzondere overgangsbepalingen voor deelnemers geboren vóór 1950 zoals bepaald in artikel 31 lid 3 van dit reglement en artikel 33 van het Pensioenreglement 2006.

a. Medewerkers;

b. Gewezen medewerkers die na toestemming van het bestuur gebruik gemaakt hebben van de mogelijkheid tot voortzetting zoals bepaald in artikel 24 van dit reglement;

c. Invalide medewerkers die recht hebben op voortzetting van het deelnemerschap met

d. Gewezen medewerkers die aansluitend aan hun dienstverband met de werkgever een

Artikel 4 Aanspraken

1. De deelneming geeft aanspraak op:

a. ouderdomspensioen ten behoeve van de (gewezen) deelnemer;

b. aanvullend ouderdomspensioen vanuit de voorwaardelijke aanvullingsregeling voor deelnemers geboren na 1949 onder de voorwaarden bepaald in artikel 12A;

c. partnerpensioen voor de partner van de (gewezen) deelnemer dan wel de pensioengerechtigde die ouderdomspensioen ontvangt;

d. bijzonder partnerpensioen ten behoeve van de ex-echtgeno(o)t(e) / ex-(geregistreerde) partner van de (gewezen) deelnemer dan wel de pensioengerechtigde die ouderdomspensioen ontvangt;

e. wezenpensioen ten behoeve van de kinderen van de (gewezen) deelnemer dan wel de pensioengerechtigde die ouderdomspensioen ontvangt;

f. invaliditeitspensioen ten behoeve van de deelnemer.

(…)

Artikel 5 Jaarsalaris

1. Onder jaarsalaris in de zin van dit reglement wordt verstaan het twaalfvoud van het

vaste bruto-maandsalaris per 1 januari of de latere datum van indiensttreding

(inclusief - voor zover van toepassing - de persoonlijke toeslag als bedoeld in de CAO

[organisatie 2] ) verhoogd met:

a. de vakantietoeslag;

b. de eindejaarsuitkering;

c. de variabele inkomensbestanddelen, die de deelnemer in het voorafgaande

kalenderjaar heeft genoten; en

d. de eventuele in de CAO [organisatie 2] overeengekomen eenmalige uitkeringen, die de

deelnemer in het voorafgaande kalenderjaar heeft genoten.

(…)

Artikel 6 Franchise

De franchise is dat deel van het pensioengevende jaarsalaris waarover geen pensioen

wordt opgebouwd. Bij de jaarlijkse vaststelling van de franchise baseert het bestuur zich

op de in artikel 18a Wet op de Loonbelasting 1964 vastgestelde minimum franchise. Voor

de vaststelling van de franchise wordt rekening gehouden met een eventuele

deeltijdbreuk als bedoeld in artikel 18 van dit reglement.

Artikel 7 Pensioengrondslag

1. Onder de pensioengrondslag van de deelnemer wordt verstaan het jaarsalaris als

bedoeld in artikel 5 van dit reglement, verminderd met de franchise als bedoeld in

artikel 6 van dit reglement.

(…)

Artikel 8 Premie

1. Ten aanzien van de deelnemer als bedoeld in artikel 2 onder a en, onder de
2. De cao-partijen betrokken bij de CAO [organisatie 2] Groep d.d. 12-12-2012 hebben in die cao

voorwaarden genoemd in artikel 25 lid 1 van dit reglement ten aanzien van de

deelnemer als bedoeld in artikel 2 onder d, is de werkgever maandelijks een premie

verschuldigd. De premie bedraagt een percentage van de pensioengrondslag. Dit

premiepercentage wordt jaarlijks voor aanvang van het kalenderjaar vastgesteld door

het bestuur, gehoord de adviserend actuaris.

Als in enig jaar aanzienlijke veranderingen plaatsvinden in de samenstelling van de

populatie, kan het bestuur besluiten om gedurende het jaar het premiepercentage

hieraan aan te passen.

vastgelegd dat het premiepercentage in beginsel maximaal 28% van de

pensioengrondslag bedraagt. Indien in enig jaar het premiepercentage hoger dan 28%

zou moeten worden vastgesteld, doet het bestuur hiervan melding aan de cao-

partijen. De cao-partijen zullen zich vervolgens beraden op een versobering van de

regeling. Zolang cao-partijen hierover niet nader besluiten, zal het bestuur het

premiepercentage vaststellen conform de wettelijke vereisten.

(…)

Artikel 10 Ouderdomspensioen

1. De opbouw van het jaarlijks ouderdomspensioen bedraagt met inachtneming van het

bepaalde in artikel 18a lid 2 Wet op de loonbelasting 1964 voor iedere kalendermaand

met ingang van 1 januari 2015 1,875% van een twaalfde deel van de

pensioengrondslag in die kalendermaand, tenzij dit opbouwpercentage door

toepassing van artikel 8 lid 2 wordt verlaagd. Over de kalenderjaren voor 1 januari

2015, waarin de deelnemer heeft deelgenomen aan de pensioenregeling van de

Stichting, is uitgaande van een pensioenleeftijd van 65 jaar ouderdomspensioen

opgebouwd. De tot 1 januari 2015 opgebouwde aanspraken zijn per 1 januari 2015

sekseonafhankelijk en collectief actuarieel neutraal omgezet naar pensioenaanspraken

met een standaardingangsdatum van 67 jaar.

(…)

Artikel 13 Partnerpensioen

1. De opbouw van het jaarlijks partnerpensioen bedraagt voor iedere kalendermaand
met ingang van 1 januari 2015 1,3125% van een twaalfde deel van de pensioengrondslag in die kalendermaand, tenzij dit opbouwpercentage door toepassing van artikel 8 lid 2 wordt verlaagd.
2. Indien de deelnemer voor het ingaan van het ouderdomspensioen overlijdt, wordt het

partnerpensioen vastgesteld als de som van:

• het opgebouwde partnerpensioen op de datum van overlijden;

• het bedrag waar daarnaast nog aanspraak op zou zijn verkregen, indien:

- de deelneming zou hebben voortgeduurd van de datum van overlijden tot het

moment waarop de pensioenleeftijd zou zijn bereikt; en

- over die periode als grondslag zou zijn gehanteerd voor de deelnemer geldende

pensioengrondslag op de datum van overlijden.

• het risicopartnerpensioen voor personen die op 31 december 2014 reeds deelnemer waren. Dit risicopartnerpensioen is per die datum op basis van de bijlage "berekeningssystematiek vaststelling risicopartnerpensioen o.b.v. de stand per 31 december 2014" genoemde systematiek eenmalig vastgesteld op basis van de

stand per 31 december 2014.

(…)”

In het Pensioenreglement [organisatie 5] is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:

“Artikel 1.2

Deelnemerschap

1. De bepalingen van dit reglement zijn van toepassing op degenen, die deelnemer zijn in de zin van artikel 5, eerste lid, onder a, van de statuten (de Wsw- werknemers)

(…)

Artikel 1.3

1.3.1 Pensioenaanspraken
1. Mits aan de specifieke voorwaarden wordt voldaan en voor zover in de deelnemingperiodes premie is betaald geeft de deelneming aanspraak op:

a. ouderdomspensioen aan de (gewezen) deelnemer;

b. partnerpensioen aan de partner van de (gewezen) deelnemer of gepensioneerde;

c. bijzonder partnerpensioen aan de gewezen partner van de (gewezen) deelnemer of gepensioneerde;

d. wezenpensioen aan:

- de kinderen beneden de 18-jarige leeftijd van de (gewezen) deelnemer of gepensioneerde, die tot deze (gewezen) of gepensioneerde deelnemer in familierechtelijke betrekking staan;

- de stief- en pleegkinderen beneden de 18-jarige leeftijd van de (gewezen) of gepensioneerde deelnemer, die ten tijde van zijn overlijden door hem worden verzorgd en opgevoed.

(…)

Artikel 1.6

Aanpassing van de te verwerven aanspraken

Het pensioenreglement kan worden aangepast wat betreft de in de toekomst te verwerven

pensioenaanspraken. Bij het aanpassen van het pensioenreglement volgt het fonds de voorschriften hiervoor vastgelegd in het uitvoeringsreglement van het fonds. Van aanpassing van het pensioenreglement als bedoeld in dit artikel kan met name sprake zijn als de premie voor de pensioenregeling hoger dreigt te worden dan acceptabel is voor de cao-partijen in de bedrijfstak.

Artikel 3.1

Premiepercentage
1. De aangesloten werkgever is voor elke deelnemer premie aan het fonds verschuldigd. De premie bedraagt een percentage van de pensioengrondslag als bedoeld in artikel 3.3.
2. Van de premie komt 30% ten laste van de deelnemer. De deelnemer is zijn aandeel in de premie verschuldigd aan zijn werkgever. De werkgever is verplicht bij elke loonbetaling op het loon in te houden het aandeel in de premie, dat de deelnemer aan zijn werkgever verschuldigd is ter zake van de periode, waarop de loonbetaling betrekking heeft.

Artikel 3.2

Loon/salaris
1. Onder pensioengevend loon wordt verstaan het op de datum van vaststelling van de

pensioengrondslag voor de deelnemer geldende vaste schaalsalaris op jaarbasis vermeerderd met:

a. de vakantietoeslag en

b. vaste toeslagen van structurele aard, een en ander ter beoordeling van het bestuur.

(…)

Artikel 3.3

Pensioengrondslag
1. Onder de pensioengrondslag van de deelnemer wordt verstaan: het voor hem geldende
pensioengevend loon op jaarbasis verminderd met een franchise.
2. De in het eerste lid bedoelde franchise wordt voor elk kalenderjaar door het bestuur vastgesteld. De franchise bedraagt ten minste het fiscaal minimum zoals genoemd in artikel 18a, achtste lid, onderdeel a, van de Wet op de loonbelasting 1964.

Artikel 4.1

Ouderdomspensioen
1. Het ouderdomspensioen wordt per jaar opgebouwd volgens het middelloonsysteem. Het totaal van het verzekerde ouderdomspensioen bedraagt voor elk deelnemingsjaar 1,701% van de pensioengrondslag. Bij de berekening van het ouderdomspensioen wordt uitgegaan van een pensioenleeftijd van de eerste dag van de maand waarin de leeftijd van 67 jaar wordt bereikt. Een gedeelte van een deelnemingsjaar wordt naar evenredigheid meegeteld. Het opgebouwde ouderdomspensioen kan jaarlijks verhoogd worden op grond van artikel 11.1 van dit reglement.
2. Het in de achterliggende deelnemingsjaren opgebouwde pensioen, inclusief verhogingen, is het totaal opgebouwde pensioen. Het te bereiken ouderdomspensioen is het totaal opgebouwde pensioen plus het pensioen dat de deelnemer op basis van de laatst vastgestelde pensioengrondslag nog op kan bouwen. Hierbij wordt er van uitgegaan dat de deelnemer tot de pensioendatum deelneemt in de regeling.
3. De aanspraak op ouderdomspensioen dient voor de deelnemer in elk geval steeds aan het einde van het kalenderjaar dan wel, indien dat eerder is, bij beëindiging van de deelneming, volledig te zijn gefinancierd.”

In het Pensioenreglement WIW is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:

“ARTIKEL 2

Aanspraken

1. Mits aan de specifieke voorwaarden wordt voldaan en voor zover in de deelnemingperiodes premie is betaald geeft de deelneming aanspraak op ouderdomspensioen aan de deelnemer en gewezen deelnemer. In geval van overlijden van de deelnemer en de gewezen deelnemer bestaat er generlei aanspraak op ouderdomspensioen, tenzij de (gewezen) deelnemer gebruik heeft gemaakt van de uitruilmogelijkheid als bedoeld in artikel 7A en/of in artikel 10, tweede en derde lid.

(…)

ARTIKEL 3

Loon

1. Onder loon wordt verstaan het op de datum van vaststelling van de pensioengrondslag voor de werknemer geldende vaste schaalsalaris vermeerderd met vakantietoeslag en vaste toeslagen van structurele aard, een en ander ter beoordeling van het bestuur.

Als pensioengevend loon wordt ten hoogste een bedrag van € 100.000 (2015) in aanmerking

genomen. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de indexatie van het minimumloon. Bij dienstbetrekkingen in deeltijd wordt dit bedrag verminderd overeenkomstig de deeltijd-breuk.

(…)

ARTIKEL 4

Pensioengrondslag
1. Onder de pensioengrondslag van de deelnemer wordt verstaan: het voor hem geldende loon op jaarbasis verminderd met een franchise. Indien de franchise hoger is dan het loon, dan is de pensioengrondslag gelijk aan 0.
2. De in het eerste lid bedoelde franchise wordt voor elk kalenderjaar door het bestuur vastgesteld. Daarbij wordt in beginsel de ontwikkeling van de uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet gevolgd.

ARTIKEL 5

Premie

1. De aangesloten werkgever is premie verschuldigd aan het fonds. Deze premie bedraagt een (voor alle aangesloten werkgevers gelijk) percentage van de som van de lonen van zijn werknemers. Het in de vorige volzin bedoelde percentage wordt jaarlijks voorafgaande aan het kalenderjaar, gehoord de actuaris, door het bestuur vastgesteld.

(…)

ARTIKEL 6

Aanpassing van de te verwerven aanspraken

Het pensioenreglement kan worden aangepast wat betreft de in de toekomst te verwerven

pensioenaanspraken. Bij het aanpassen van het pensioenreglement volgt het fonds de voorschriften hiervoor vastgelegd in het uitvoeringsreglement van het fonds.

Van aanpassing van het pensioenreglement als bedoeld in dit artikel kan met name sprake zijn als de premie voor de pensioenregeling hoger dreigt te worden dan acceptabel is voor de cao-partijen in de bedrijfstak.

ARTIKEL 7

Ouderdomspensioen

1. Het jaarlijkse ouderdomspensioen bedraagt 1,75% van de som van de pensioengrondslagen. Bij de berekening van het ouderdomspensioen wordt uitgegaan van een pensioenleeftijd van 65 jaar.”

In de Actuariële en Bedrijfstechnische Nota van het pensioenfonds Werk en (re)Integratie is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:

“3.3 Sturingsmiddelen

Het bestuur laat eens per drie jaar een uitgebreide ALM-studie uitvoeren (laatste ALM

november 2012). Het bestuur laat in andere jaren een minder uitgebreide ALM-studie

uitvoeren. Uit de ALM studie blijkt het effect van de diverse sturingsmiddelen. Het bestuur

van het fonds kan de volgende sturingsmiddelen inzetten als de financiële positie van het

pensioenfonds daartoe aanleiding geeft.

Extra premieverhoging

Als de financiële positie van het fonds daartoe aanleiding geeft, kan het bestuur besluiten

de te betalen premie te verhogen. Door de premieverhoging neemt het vermogen toe,

waardoor de financiële positie verbetert.

Toeslagen verminderen

Als het fonds onvoldoende middelen heeft om de aanpassing van de pensioenen te

financieren, kan het bestuur de toeslagen verlagen. Door het niet of gedeeltelijk toekennen

van de toeslag stijgen de pensioenaanspraken niet of gedeeltelijk, waardoor de financiële

positie minder of niet verslechtert.

Vermindering aanspraken

Het bestuur kan de in enig jaar toe te kennen aanspraken beperken tot hetgeen uit de

ontvangen premies financierbaar is. Dit voorkomt dat de verplichtingen harder toenemen

dan het vermogen, waardoor de financiële situatie zou verslechteren.

Beleggingsbeleid

Het beleggingsbeleid is erop gericht om - op lange termijn gezien - optimale

beleggingsopbrengsten te genereren. Het bestuur heeft daartoe een strategische beleggingsmix vastgesteld. Deze wordt ieder jaar getoetst aan de hand van ALM-modellen

(een minder uitgebreide ALM-studie) en ten minste driejaarlijks wordt een uitgebreide

ALM-studie gedaan. Het beleggingsbeleid voor enig jaar wordt jaarlijks vastgelegd in het

beleggingsplan en vastgesteld oor het bestuur. De beleggingsmix bepaalt mede de hoogte

van het vereist vermogen en daarmee de verhouding tussen TV en gewenst vermogen.

Daarom kan het bestuur - minstens in theorie - een andere beleggingsmix vaststellen om

deze verhouding gunstig te beïnvloeden.”

In de Actuariële en Bedrijfstechnische Nota van [organisatie 5] is – voor zover relevant – het volgende opgenomen:

“3.8 Sturingsmiddelen

Het bestuur van het fonds kan de volgende sturingsmiddelen inzetten indien de financiële positie van het pensioenfonds, gehoord de actuaris van het fonds, daartoe aanleiding geeft.

• Verhoging van de premie

De reglementaire premie voor de basisregeling (ouderdoms- en nabestaandenpensioen) bedraagt maximaal 31% van de pensioengrondslag voor deelnemers geboren na 1949 en voor de overige deelnemers 26% van de pensioengrondslag. Het bestuur is bevoegd, op advies van de actuaris, om jaarlijks de pensioenpremie te verhogen of verlagen. Hierin wordt het premiebeleid gevolgd uit paragraaf 3.5..

• Toeslag verminderen

Het toeslagbeleid is vermeld in hoofdstuk 3.6. In bijzondere omstandigheden is het bestuur

bevoegd om af te wijken van het toeslagbeleid.

De structurele cao-verhogingen (maatstaf voor toeslagverlening aan actieve deelnemers)

bedroegen in de afgelopen referteperiode nul%. De toeslagverlening per 1 januari 2014 aan

actieve deelnemers is, mede gegeven de financiële positie van het fonds, vastgesteld op 0%.

De prijsontwikkeling (maatstaf voor toeslagverlening aan niet-actieve deelnemers) was in de

afgelopen referteperiode 1,7%. De toeslagverlening per 1 januari 2014 aan niet-actieve

deelnemers is, gegeven de financiële positie van het fonds, vastgesteld op 0%.

• Beleggingsbeleid

Het bestuur heeft de mogelijkheid om op basis van de financiële positie van het fonds de asset-mix te wijzigen, bijvoorbeeld na uitvoering van een ALM-studie. Het bestuur van [organisatie 5] streeft ernaar om eens in de 3 jaar een ALM-studie te laten uit voeren. Gedurende het tweede halfjaar van 2012 is de laatste ALM-studie uitgevoerd. Dit heeft geleid tot enige aanpassingen in het beleggingsbeleid van 2013 naar 2014 zonder verhoging van het risico.”

Motivering

Is ten onrechte omzetbelasting op aangifte voldaan?

4. Op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel i, ten derde, van de Wet OB is het beheer van door beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens van omzetbelasting vrijgesteld (hierna: de vrijstelling). Met deze bepaling heeft de Nederlandse wetgever uitvoering gegeven aan artikel 135, eerste lid, aanhef en letter g, van de Btw-richtlijn op grond waarvan lidstaten btw-vrijstelling verlenen voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen.

Uit vaste rechtspraak van het HvJ volgt dat een instelling voor collectieve belegging in effecten (hierna: icbe) in de zin van de icbe-richtlijn moet worden aangemerkt als een gemeenschappelijk beleggingsfonds. Ook beleggingsfondsen die geen icbe zijn maar vergelijkbare kenmerken vertonen en dezelfde handelingen verrichten, moeten als gemeenschappelijk beleggingsfonds worden aangemerkt. Dit geldt ook voor beleggingsfondsen die zodanig vergelijkbaar zijn met deze instellingen dat zij ermee concurreren. Hierbij geldt als voorwaarde dat ook deze fondsen aan bijzonder overheidstoezicht onderworpen zijn.

Het HvJ heeft verder geoordeeld dat (bedrijfs)pensioenfondsen als gemeenschappelijk beleggingsfonds kunnen worden aangemerkt indien zij worden gefinancierd door pensioenontvangers, het spaargeld wordt belegd volgens het beginsel van risicospreiding en het beleggingsrisico wordt gedragen door de deelnemers.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende niet kwalificeert als een icbe. Evenmin is in geschil dat belanghebbende wordt gefinancierd door (toekomstige) pensioenontvangers en belegt volgens het beginsel van risicospreiding. Partijen houdt uitsluitend verdeeld of de deelnemers het beleggingsrisico dragen. De bewijslast dat daarvan sprake is, rust op belanghebbende.

Het beleggingsrisico

De rechtbank heeft de zaak aangehouden in afwachting van het arrest van het HvJ over de uitleg van artikel 135, eerste lid, aanhef en letter g, van de Btw-richtlijn. In zijn arrest van 5 september 2024 heeft het HvJ over het begrip ‘beleggingsrisico’ (onder meer) het volgende voor recht verklaard:

“Artikel 135, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde,

moet aldus moet worden uitgelegd dat de deelnemers aan een pensioenfonds dat uit hoofde van een collectieve pensioenregeling uitvoering geeft aan een pensioenovereenkomst die voorziet in pensioenrechten en pensioenuitkeringen waarvan het bedrag, hoewel het wordt bepaald op basis van een referentiepensioen of van de arbeidsinkomsten en het aantal dienstjaren van elke deelnemer, onder bepaalde voorwaarden kan variëren als gevolg van de resultaten van de beleggingen van dat pensioenfonds, slechts kunnen worden geacht het beleggingsrisico te dragen wanneer dat bedrag in de eerste plaats afhankelijk is van de resultaten van die beleggingen. Bij een dergelijke beoordeling is noch het aantal jaren dat een deelnemer pensioenrechten heeft opgebouwd, noch het feit dat de opbouw van pensioenrechten bij een pensioenfonds op een bepaald moment is onderbroken, relevant. De omstandigheden dat het risico individueel dan wel collectief wordt gedragen, met name in geval van faillissement, en dat een werkgever zich gedurende een bepaalde periode garant heeft gesteld voor de verwachte opbouw van de pensioenrechten, zijn wel relevante factoren, die als zodanig echter niet doorslaggevend zijn.

(…)”

Belanghebbende stelt dat de hoogte van de pensioenrechten en -uitkeringen in de eerste plaats afhankelijk is van de behaalde beleggingsresultaten. De pensioenregelingen kwalificeren, aldus belanghebbende, als collectieve beschikbare premieregelingen (CDC-regelingen). De ambitie is dat bij pensionering een uitkering wordt verstrekt ter grootte van een percentage van de gemiddelde pensioengrondslag gedurende het werkzame leven (het “middelloon”). Van een uitkeringsgarantie is geen sprake. Volgens belanghebbende staat de uiteindelijke hoogte van een pensioenuitkering niet vooraf vast en is deze afhankelijk van factoren zoals indexatie, kortingen of aanpassingen van het opbouwpercentage. Deze factoren worden geheel of gedeeltelijk bepaald door de beleggingsresultaten. Ter onderbouwing heeft belanghebbende actuariële rapportages overgelegd waaruit volgt dat de pensioenuitkeringen voor [organisatie 1] gemiddeld voor 77% bestaan uit beleggingsrendement, voor [organisatie 4] is dat voor 66% en voor [organisatie 5] voor 77%.

De inspecteur betwist dat de hoogte van de pensioenrechten en -uitkeringen in de eerste plaats afhankelijk is van de behaalde beleggingsresultaten. Volgens de inspecteur is wel sprake van een toegezegde pensioenuitkering die vanaf het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd tot aan het overlijden van de deelnemer wordt uitgekeerd. De hoogte van de pensioenuitkeringen wordt bepaald aan de hand van een formule die is gebaseerd op het aantal dienstjaren en het pensioengevend inkomen. Onder strikte voorwaarden kunnen de pensioenrechten en -uitkeringen op basis van de beleidsdekkingsgraad worden verhoogd of verlaagd. De beleidsdekkingsgraad wordt bepaald op grond van de bepalingen in de Pensioenwet en is afhankelijk van de financiële positie van het pensioenfonds.

De rechtbank stelt voorop dat doorslaggevend is of de deelnemers het beleggingsrisico dragen, in die zin dat het bedrag van de pensioenrechten en -uitkeringen afhankelijk is van de resultaten van de beleggingen. In punt 48 van het arrest van

5 september 2024 overweegt het HvJ wanneer sprake is van een door deelnemers gedragen beleggingsrisico. Daarvan is sprake indien het bedrag van de pensioenrechten en

-uitkeringen niet in ruime mate vooraf kan worden bepaald op basis van het aantal dienstjaren en het pensioengevend inkomen.

De rechtbank overweegt dat – in het geval van belanghebbende – de bedragen van de pensioenrechten en -uitkeringen in ruime mate vooraf kunnen worden bepaald op basis van het pensioengevend inkomen (op basis van een middelloonsystematiek) en het aantal dienstjaren. De hoogte van deze rechten en uitkeringen is daarmee (primair) gebaseerd op de gemaakte afspraken. Zo volgt uit de pensioenreglementen dat er vaste opbouwpercentages zijn. Het opbouwpercentage is dus niet direct afhankelijk van de daadwerkelijk behaalde beleggingsresultaten. Dat het opbouwpercentage kan worden verlaagd indien de beschikbare premie ontoereikend is, doet hieraan niet af.

De omstandigheid dat het bestuur van belanghebbende de pensioenrechten en -uitkeringen kan aanpassen, leidt niet tot een ander oordeel. Daartoe overweegt de rechtbank dat (onder meer) de door De Nederlandsche Bank vastgestelde rentetermijnstructuur wordt gebruikt bij de waardering van de pensioenverplichtingen, en daarmee ook bij de bepaling van de beleidsdekkingsgraad. Deze rentetermijnstructuur houdt geen direct verband met de door belanghebbende behaalde beleggingsresultaten. Dit betekent dat eventuele verhogingen of verlagingen van de aanspraken en uitkeringen eveneens niet rechtstreeks afhankelijk zijn van het daadwerkelijk behaalde rendement.

Met de actuariële berekeningen heeft belanghebbende aangetoond dat de beleggingsresultaten noodzakelijk zijn om de pensioenuitkeringen te kunnen financieren. Dit is naar het oordeel van de rechtbank echter niet voldoende voor het oordeel dat de deelnemers het beleggingsrisico lopen. Uit het arrest van het HvJ volgt namelijk dat de deelnemer een risico moet lopen dat vergelijkbaar is met het risico van een deelnemer in een ter collectieve belegging bijeengebracht vermogen. Dat laatste heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. Immers het enkele gegeven dat de beoogde uitkeringen alleen daadwerkelijk gedaan kunnen worden bij het behalen van bepaalde beleggingsresultaten zegt niets over of, en zo ja, in welke mate beleggingsrisico wordt gelopen door de deelnemers.

Fiscale neutraliteit

5. In zijn arrest van 5 september 2024 heeft het HvJ met betrekking tot het beginsel van fiscale neutraliteit het volgende voor recht verklaard:

Artikel 135, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112, gelezen in het licht van het beginsel van fiscale neutraliteit,

moet aldus moet worden uitgelegd dat,

om te bepalen of een pensioenfonds dat geen instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) is in aanmerking komt voor de vrijstelling van deze bepaling, niet alleen een vergelijking met een dergelijke instelling moet worden gemaakt, maar ook moet worden beoordeeld of dit pensioenfonds vanuit het oogpunt van de juridische en financiële situatie van de deelnemer ten opzichte van het pensioenfonds vergelijkbaar is met andere fondsen die geen instellingen voor collectieve belegging in effecten zijn maar door de betrokken lidstaat worden beschouwd als gemeenschappelijke beleggingsfondsen in de zin van deze bepaling.

In het onderhavige geval dient te worden beoordeeld of de pensioenregelingen, vanuit het oogpunt van de juridische en financiële situatie van de gemiddelde deelnemer, vergelijkbaar zijn met een (individuele) Defined Contribution-regeling (hierna: IDC-regeling). De bewijslast rust op belanghebbende.

Belanghebbende stelt dat zij uitvoering geeft aan CDC-regelingen. Zij heeft overigens geen feiten of omstandigheden aangevoerd met betrekking tot de juridische en financiële positie van deelnemers in andere pensioenfondsen die wel als een gemeenschappelijk beleggingsfonds zijn aangemerkt.

De inspecteur betwist dat de deelnemers in de door belanghebbende uitgevoerde pensioenregelingen juridisch en financieel in dezelfde positie verkeren als deelnemers in een IDC-regeling omdat de regelingen wezenlijk verschillen.

Gelet op het voorgaande heeft belanghebbende – tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur – niet aannemelijk gemaakt dat zij op grond van het beginsel van fiscale neutraliteit moet worden gelijkgesteld met pensioenfondsen die als gemeenschappelijke beleggingsfondsen worden aangemerkt. Dit brengt mee dat belanghebbende terecht € 2.263.378 aan omzetbelasting op aangifte heeft voldaan. De vraag of belanghebbende op grond van artikel 39bis van de Wet OB recht heeft op een aanvullende teruggaaf van € 430.227 kan daarom achterwege blijven.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf van omzetbelasting. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, voorzitter, en mr. S.A.J. Bastiaansen en mr. T.S.K.L. Tjon, leden, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.

De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen. De uitspraak is daarom alleen ondertekend door de voorzitter.

De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026080306 NLF 2026/1569 V-N Vandaag 2026/1622 FutD 2026-1409 NDFR Nieuws 2026/1244 NTFR 2026/1586 met annotatie van mr. M. Rang
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand