RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448841 / JE RK 26-960
Datum uitspraak: 29 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2019 in [geboorteplaats 3] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. W.J. Jurgers te Bergen op Zoom.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de oma] ,
hierna te noemen: de oma,
wonende te [woonplaats] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 juni 2026,
de brief van de GI van 1 juni 2026, verzoek advies verlengen ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing na 2 jaar,
de brief van de Raad van 1 juni 2026, zijnde toetsing voorgenomen besluit verleninging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing na 2 jaar.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI;
- de oma.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd en zij zijn uitgenodigd voor een zogenaamd kindgesprek met de kinderrechter. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hiervan geen gebruik gemaakt.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft, gelet op de nauwe samenhang, gelijktijdig plaatsgevonden met de behandeling van het verzoek van de GI tot verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige 3] . Dit verzoek is geregistreerd onder het nummer met kenmerk: C/02/448840 / JE RK 26-959. Op dat verzoek zal bij separate beschikking worden beslist.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 december 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengd tot 9 juli 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging om [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg verleng van 9 december 2025 tot 9 juli 2026.
Op grond van voormelde machtiging verblijven de minderjarigen bij de oma.
3. Het verzoek en het standpunt van de verzoeker
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI heeft in de stukken en tijdens de zitting naar voren gebracht dat een verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing voor de minderjarigen noodzakelijk is. De GI erkent dat er sprake is van een positieve ontwikkeling aan moeders zijde, maar stelt tegelijkertijd dat het een prille ontwikkeling betreft die gemonitord moet worden in hoeverre deze bestendig is. Moeder is gekend met de diagnose schizofrenie met psychotische klachten. De afgelopen 7 jaar laat een patroon zien van terugkerende instabiliteit bij de moeder. Moeder blijft vanwege haar psychische problematiek kwetsbaar. De zorgen zijn met name gelegen in de vrijwillige medicatie inname die van groot belang is voor het (blijven) stabiliseren van moeders gemoedstoestand. De zorgmachtiging zal na 7 jaar eindigen en het is belangrijk dat eerst wordt bekeken hoe dit de komende maanden zal gaan. Het is daarnaast belangrijk dat er voor de minderjarigen een toekomstperspectief wordt vastgesteld en dat de Raad onderzoek gaat doen. De focus moet het komende jaar op de minderjarigen liggen. Alle minderjarigen zijn erg aan elkaar gehecht en kunnen bij oma blijven wonen. Verder is er dagopvang aangevraagd om de oma te kunnen ontlasten. Dit is helaas nog niet goedgekeurd door de gemeente. Hier gaat veel mis. Dit is wel belangrijk omdat de zorg voor alle kinderen zwaar is voor de oma. Hier zal verder aan gewerkt worden. Verder is met de moeder en de oma besproken dat het fijn zou zijn dat moeder en oma dicht bij elkaar kunnen wonen De GI zet zich hier voor in en er vinden gesprekken plaats met de woningbouwvereniging. Dit plan dient verder te worden uitgewerkt.
4. De standpunten
De Raad heeft in voormelde brief geadviseerd om de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] na twee jaar te verlengen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Raad dit advies gehandhaafd. Verder onderschrijft de Raad het standpunt van de GI dat er onderzoek moet worden gedaan naar het toekomstperspectief van de minderjarigen en dat dit bepaald moet gaat worden.
Door en namens de moeder is tijdens de zitting naar voren gebracht dat zij achter het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , bij oma staat. Verder licht de moeder toe dat het goed met haar gaat. De zorgmachtiging wordt niet verlengd. Ze neemt de medicatie trouw in en ze zal dit ook blijven doen. De moeder erkent dat er in het verleden meermalen sprake was van een terugval, maar is ervan overtuigd nu stabiel te zullen blijven.. Het gaat inmiddels al een tijd goed en de moeder wil dit vasthouden. Om die reden wordt ook de zorgmachtiging in juli 2026 beëindigd. Ze werkt mee met de GI en aan Goed Genoeg Ouderschap en zou graag zien dat er een uitbreiding volgt voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Daarnaast zou het helpend zijn als de oma zo snel mogelijk naar [plaats] zou kunnen verhuizen in de buurt van de moeder en dat hier urgentie voor wordt gegeven.
De oma heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat zij achter het verzoek van de GI staat. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] kunnen nu als in de verdere toekomst bij haar blijven wonen. De oma geeft verder aan dat het fijn zou zijn als ze bij de moeder in de buurt kan gaan wonen. Op deze manier kan de oma de moeder ook vaker zien, maar ook zien of het goed gaat met de moeder.
5. De beoordeling
Wat zegt de wet?
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Wat vindt de kinderrechter?
De kinderrechter is op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling van oordeel dat er nog steeds sprake is van een situatie waarin er ernstige zorgen zijn dat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling wordt nog steeds voldaan. Daartoe wordt overwogen dat de moeder mooie stappen heeft gezet door medicatiegetrouw te blijven en (mee) te werken aan het bevorderen van haar psychische gezondheid. Dit heeft ertoe geleid dat de zorgmachtiging in juli 2026 zal eindigen. Dit betreft echter een positieve, maar een prille en nog geen duurzame ontwikkeling. Het is belangrijk dat de komende maanden blijvende alertheid is op de psychische stabiliteit van de moeder en dat er wordt gemonitord of zij deze weet vast te houden.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt – onweersproken- de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor de duur van een jaar.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. Zowel de moeder als de oma staan achter het voortduren van de uithuisplaatsing. Ook de Raad staat nog steeds achter de uithuisplaatsing. De kinderrechter zal dan ook -onweersproken- het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing bij de oma verlengen voor de duur van een jaar. Gelet op de reeds verstreken termijn dat de minderjarigen al bij oma wonen, is het belangrijk dat er duidelijkheid komt over het toekomstperspectief. Dit biedt alle belanghebbenden rust en duidelijkheid. Verder merkt de kinderrechter op dat het in deze situatie -waarin de oma een dermate grote opvoedrol voor de minderjarigen vervuld- het niet alleen wenselijk, maar onder de gegeven omstandigheden ook noodzakelijk is dat de oma en de moeder dichter bij elkaar kunnen gaan wonen. De moeder kan haar moederschap invullen en er ontstaat zo meer ruimte voor haar rol in de opvoeding. De moeder zal die rol dan op een voor de minderjarigen meest gewenste wijze kunnen invullen. Tenslotte is het van belang dat de belastbaarheid van oma niet wordt overschreden en hiervoor is het noodzakelijk dat er zo spoedig mogelijk extra kinderopvang wordt geregeld. Instanties zoude hier voortvarend te werk mogen gaan.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van 9 juli 2026 tot 9 juli 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg (zijnde bij oma moederszijde) van 9 juli 2026 tot 9 juli 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026 door mr. Van Leuven, kinderrechter, in aanwezigheid van Akkermans-Bruijs als griffier, en op schrift gesteld op 8 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.