RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448840 / JE RK 26-959
Datum uitspraak: 29 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. W.J. Jurgers te Bergen op Zoom.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de oma] ,
hierna te noemen: de oma,
wonende te [plaats 1] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 juni 2026;
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
een vertegenwoordigster van de GI,,
een vertegenwoordigster van de Raad,
de oma.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft, gelet op de nauwe samenhang, gelijktijdig plaatsgevonden met de behandeling van het verzoek van de GI tot verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] Dit verzoek is geregistreerd onder het nummer met kenmerk: C/02/448841 JE RK 26-960. Op dat verzoek zal bij separate beschikking worden beslist.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 30 juni 2025 is
[minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 9 juli 2025 tot 9 juli 2026.
Daarnaast is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in voorziening voor pleegzorg
(bij de oma) verleend met ingang van 9 juli 2025 tot 9 december 2025.
Nadat er is ingezet op een stapsgewijze terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder,
verbleef [minderjarige] sinds 9 december 2025 weer volledig bij de moeder.
Bij beschikking van 20 januari 2026 heeft de kinderrechter [minderjarige] met spoed,
uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg (bij de oma) voor de duur van twee
weken, tot 3 februari 2026. Vervolgens, heeft de kinderrechter de machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd met ingang van 3 februari 2026 en tot 3 april 2026.
Bij beschikking van 24 maart 2026 is laatstelijk de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (bij de oma, moederszijde) verlengd met ingang van 3 april 2026 tot 9 juli 2026, uitvoerbaar bij voorraad.
Op basis van voormelde machtiging verblijft [minderjarige] bij de oma. Bij haar oma wonen eveneens haar halfbroertjes [persoon 1] en [persoon 2] en haar halfzus [persoon 3] .
3. Het verzoek en het standpunt van verzoeker
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (te weten bij oma moederszijde) te verlengen voor de duur van een jaar.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI heeft in de stukken en tijdens de zitting naar voren gebracht dat het verzoek wordt gehandhaafd en dat het verzoek met betrekking tot de machtiging uithuisplaatsing ziet op een termijn van een jaar. De GI erkent dat er sprake is van een positieve ontwikkeling aan moeders zijde, maar stelt tegelijkertijd dat het een prille ontwikkeling betreft die gemonitord moet worden in hoeverre deze bestendig is. Moeder is gekend met de diagnose schizofrenie met psychotische klachten. De afgelopen 7 jaar laat een patroon zien van terugkerende instabiliteit bij de moeder. Moeder blijft vanwege haar psychische problematiek kwetsbaar. De zorgen zijn met name gelegen in de vrijwillige medicatie inname die van groot belang is voor het (blijven) stabiliseren van moeders gemoedstoestand. De zorgmachtiging zal na 7 jaar eindigen en het is belangrijk dat eerst wordt bekeken hoe dit de komende maanden zal gaan. Het is daarnaast belangrijk dat er voor de minderjarigen een toekomstperspectief wordt vastgesteld en dat de Raad onderzoek gaat doen. De focus moet het komende jaar op de minderjarigen liggen. Alle minderjarigen zijn erg aan elkaar gehecht en kunnen bij oma blijven wonen. Verder is er dagopvang aangevraagd om de oma te kunnen ontlasten. Dit is helaas nog niet goedgekeurd door de gemeente. Hier gaat veel mis. Dit is wel belangrijk omdat de zorg voor alle kinderen zwaar is voor de oma.
Voor wat betreft de uithuisplaatsing is de GI van mening dat een eventuele thuisplaatsing bij de moeder zorgvuldig moet worden aangepakt door middel van een opbouwende regeling. Het is niet in haar belang als zij na een thuisplaatsing weer opnieuw uit huis geplaatst moet worden. Om die reden is er ook een termijn van een jaar gevraagd. Ook maakt de GI zich zorgen over de scheiding tussen haar en de broertjes en zusjes die ook bij oma wonen. [minderjarige] is erg aan hen gehecht. [minderjarige] is veertien maanden oud en ze heeft in haar korte leven in totaal acht weken bij de moeder gewoond. Het is belangrijk dat er een perspectiefonderzoek zal gaan plaatsvinden voor alle kinderen. De GI wil zich blijven inzetten voor een thuis plaatsing maar spreekt hardop haar twijfels uit of een volledige terugplaatsing bij de moeder mogelijk is. De afgelopen jaren heeft de focus veelal op moeder gelegen maar het is belangrijk dat de focus nu ook op de minderjarigen komt te lieggen. Het zou ook helpend zijn als de oma dichter bij de moeder zou kunnen gaan wonen. De GI zet zich hier voor in en er vinden gesprekken plaats met de woningbouwvereniging. Ook nu de oma geen pleegzorgvergoeding krijgt omdat [minderjarige] geen eigen kamer heeft en oma daarmee niet voldoet aan de vereisten. Hier zal verder naar gekeken worden.
4. De standpunten
Door en namens de moeder is tijdens de zitting naar voren gebracht dat zij achter het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling staat. Ook achter het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] bij oma, maar niet voor wat betreft de termijn. Een jaar is te lang, maar 9 maanden ook. Het gaat goed met moeder. Ze neemt trouw haar medicatie in en ze zal dit ook blijven doen. De moeder erkent dat er in het verleden meermaals sprake was van een terugval, maar is ervan overtuigd nu stabiel te zullen blijven. Om die reden wordt ook de zorgmachtiging in juli 2026 beëindigd. Ze werkt mee met de GI en aan Goed Genoeg Ouderschap. Daarnaast zou het helpend zijn als de oma zo snel mogelijk naar [plaats 2] zou kunnen verhuizen in de buurt van de moeder en dat hier urgentie voor wordt gegeven. De moeder vraagt zich verder af hoe lang ze stabiel moet blijven voor de GI om het vertrouwen te krijgen dat [minderjarige] terug bij de moeder kan wonen. Wat de moeder betreft moet de komende de focus liggen op het thuisplaatsen van [minderjarige] bij de moeder.
De oma heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in de verzoeken van de GI, maar onderschrijft het standpunt van de moeder voor wat betreft [minderjarige] . [minderjarige] verblijft al een tijd bij oma. Hoewel dit goed is en ze hier ook mag blijven, ziet de oma het liefst dat [minderjarige] wel teruggaat naar haar moeder. Ze wil niet dat [minderjarige] haar moeder gaat vergeten en ze is nog erg jong. Ze moet haar moeder zien en voor [minderjarige] en moeder liggen er nog kansen. Het gaat goed met moeder. Ze neemt haar medicatie in en het gaat goed met haar. Wat oma betreft kan moeder voor [minderjarige] zorgen
De Raad heeft mondeling toegelicht dat het advies in de zaak van de broers en zussen niet ziet op [minderjarige] , nu [minderjarige] niet langer dan 2 jaar uit huis is geplaatst. Om die reden heeft de Raad zich hierover niet uitgelaten. Wel onderschrijft hij dat het van belang is dat er een perspectiefonderzoek komt voor alle minderjarigen.
5. De beoordeling
Wat zegt de wet?
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Wat vindt de kinderrechter?
De kinderrechter is op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling van oordeel dat er nog steeds sprake is van een situatie waarin er ernstige zorgen zijn dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling wordt nog steeds voldaan. Daartoe wordt overwogen dat de moeder mooie stappen heeft gezet door medicatiegetrouw te blijven en (mee) te werken aan het bevorderen van haar psychische gezondheid. Dit heeft ertoe geleid dat de zorgmachtiging in juli 2026 zal eindigen. Dit betreft echter een positieve, maar een prille en nog geen duurzame ontwikkeling. Het is belangrijk dat de komende maanden blijvende alertheid is op de psychische stabiliteit van de moeder en dat er wordt gemonitord of zij deze weet vast te houden.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt – onweersproken- de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter ziet wel aanleiding om de termijn te beperken en wijst het verzoek toe voor een duur van negen maanden, onder aanhouding van het overige deel van het verzoek. De kinderrechter vindt het belangrijk om de ontwikkelingen de komende tijd te monitoren en om na negen maanden te evalueren of een thuisplaatsing bij de moeder mogelijk is. Reden hiervoor is dat [minderjarige] een zeer jong meisje is bij wie het belangrijk is dat er zo snel mogelijk duidelijkheid komt over haar toekomstperspectief nu dit belangrijke jaren zijn als het gaat om de hechtingsontwikkeling. De kinderrechter is het met de GI eens dat het een zorgvuldig proces betreft nu moet worden voorkomen dat [minderjarige] opnieuw met een uithuisplaatsing wordt geconfronteerd, maar dit laat onverlet dat [minderjarige] , de moeder en de oma het wel verdienen dat de mogelijkheid tot terugplaatsing van [minderjarige] bij haar moeder nu wel de volle aandacht krijgt. Daarbij komt dat het doel van een uithuisplaatsing nog altijd toewerken aan een thuisplaatsing is, zo lang er nog geen perspectief is bepaald. Het is belangrijk dat wordt bekeken welke opbouwende regeling passend is, waarbij de hechtingsrelatie tussen de moeder en [minderjarige] zo veel mogelijk wordt bevorderd.
In dat kader is de kinderrechter eveneens van oordeel dat het in deze situatie -waarin de oma een dermate grote opvoedrol voor de minderjarigen vervul- het niet alleen wenselijk, maar ook noodzakelijk is dat de oma en de moeder dichter bij elkaar kunnen gaan wonen, zodat de moeder haar moederschap kan invullen. Er ontstaat dan meer ruimte voor haar rol in de opvoeding. De moeder kan dan op de voor de minderjarigen meest gewenste wijze haar rol invullen. Tenslotte is het van groot belang dat de belastbaarheid van oma niet wordt overschreden en hiervoor is het noodzakelijk dat er zo spoedig mogelijk extra kinderopvang wordt geregeld.
De kinderrechter verwacht van de GI uiterlijk 4 weken voor de hierna genoemde pro forma datum een schriftelijke update over de huidige stand van zaken, de mogelijkheden met betrekking tot een thuisplaatsing en een standpunt over het resterende verzoek.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] van 9 juli 2026 tot 9 juli 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (zijnde bij oma moederszijde) voor een periode van negen maanden van 9 juli 2026 tot 9 april 2027;
verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt het verzoek voor het overige aan tot 11 maart 2027 PRO FORMA, in afwachting van het schriftelijk verslag van de GI en haar standpunt over het resterende deel van het verzoek, zoals hiervoor in r.o. 5.8 is overwogen;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026 door mr. Van Leuven, kinderrechter, in aanwezigheid van Akkermans-Bruijs als griffier, en op schrift gesteld op 8 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.